Niet in Europa, maar in de havens van Noord-Afrika ligt het beginpunt van de internationaal gecoördineerde epidemiebestrijding. In Tanger werkten buitenlandse consuls en lokale autoriteiten in de achttiende eeuw al samen om ziekte-uitbraken te beheersen. Met het verhaal van dit multilaterale quarantainebeleid in Tanger verwerpen Al Tuma en Ozavci het eurocentrische narratief dat internationale samenwerking op het gebied van volksgezondheid begon bij de eerste Conférence Sanitaire Internationale in Parijs in 1851.
Wanneer de geschiedenis van internationale samenwerking op het gebied van volksgezondheid wordt verteld, begint die meestal in Parijs in 1851. Daar kwamen diplomaten bijeen voor de eerste Internationale Sanitaire Conferentie om quarantainevoorschriften te harmoniseren, handel te beschermen en tegelijkertijd epidemieën in te dammen. In dit gangbare verhaal ontstaat sanitaire internationaliteit in de conferentiezalen van Europa, als een diplomatiek antwoord op cholera en pest. Ons onderzoeksteam, Fighting Pandemics from Below,ii hertekent en verrijkt dit historische beeld op basis van materiaal dat is gevonden in archieven in onder meer Den Haag, Londen, Madrid, Washington D.C., Venetië, Rabat, Nantes, Tunis, Istanboel en Caïro. Wie de blik verschuift naar de zuidelijke kusten van de Middellandse Zee, ontdekt namelijk een ander beginpunt. Decennia vóór 1851 functioneerden in steden als Tanger al internationale sanitaire raden waarin Europese, Amerikaanse en lokale actoren gezamenlijk epidemieën bestreden. De samenwerking was een concrete, praktische en diplomatieke reactie op terugkerende pandemieën. Ze ontstond niet van bovenaf, maar van onderaf: in havens, tussen consuls, artsen, havenmeesters en lokale bestuurders.

