Negen maal hadden we voor het uitgelaten Berlijnse publiek in de zomer van 1983 onze reconstructie van de befaamde Nelson Revue gespeeld. Ik was erbij betrokken als cellist van het Resistentie Orkest en als sierspreker voor de verbindende conferences. Na onze laatste voorstelling in Berlijn werd ons decor afgebroken door theatertechnici met hulp van werkstudenten. Één werkstudent trok onze aandacht door zijn bijzondere uitstraling. We suggereerden hem na zijn werk naar het slotfeest te komen. Het feest was in volle gang toen hij ineens in al zijn schuchterheid voor me stond. Hij vroeg naar het ‘waarom’ van een Hollandse reconstructie van een Duits cabaret. Hij gaf blijk van een pacifistische levensbeschouwing. Ik vertelde hem daarom hoe ik in Amsterdam had geholpen bij de opvang van Amerikaanse deserteurs die beseften dat ze geronseld waren om in Vietnam te dienen als kanonnenvlees. We waren bondgenoten. Bij het scheiden van de markt nodigde ik hem uit in Amsterdam en gaf hem mijn kaartje.
Een half jaar later stond hij voor mijn deur. Hij deed vervangende dienstplicht bij AMOC, een organisatie voor opvang van Duitse drugsverslaafden in de Amsterdamse Kerkstraat, vlak achter mijn huis aan de Prinsengracht. In mijn agenda van 1984 lees ik dat ik kaartjes moest regelen voor het bezoek van twintig AMOCklanten aan een voorstelling van Toneelgroep Centrum, waar ik dramaturg was. We raakten bevriend. Hij heette Hans Jordan. Mohammed Stalin Eigenlijk had hij Mohammed Stalin moeten heten, vertelde hij. ‘Stalin’ werd als voornaam niet geaccepteerd door de burgerlijke stand van Hamburg en uiteindelijk werd het ‘Hans’, minder opvallend, en ‘Jordan’, naar zijn moeder, een gedreven actievoerster voor de onafhankelijkheid van Algerije. Ze studeerde er medicijnen maar ze werd het land uitgezet door de Fransen. Bij een hongerstaking tegen de kruisraketten verloor ze haar haardos. Hans (1959) werd in Duitsland door zijn moeder opgevoed. Ze leeft nog steeds en houdt alles bij. Zijn vader was Kateb Yacine, schrijver, Algerijn, overtuigd communist en activist voor de onafhankelijkheid van Algerije. Na een lezing in Hamburg was hij een relatie begonnen met zijn Duitse tolk. Zo kwam Hans op aarde.
Levende legende
Het intrigeerde me. Een vader in Algerije. Ik stelde Hans voor die vader te gaan opzoeken in de vakantie. Hans wilde graag. Hij had jaarlijks contact met zijn vader maar hij had niet over hem opgeschept. Ik kon niet vermoeden dat we een levende legende gingen bezoeken. Ik was geïnteresseerd in Hans en in het ongenaakbare Algerije. In de zomer van 1984 vertrokken we in mijn oude Peugeot naar Marseille om ons in te schepen op de boot naar Algiers. Daar werden we afgehaald door Yazid Oulab, een neef van Hans, kunstenaar, tegenwoordig zeer bekend. We reden naar Ben Aknoun, een parkwijk aan de rand van de stad. In een appartement vonden we Kateb Yacine, klein, grijs, mooi gegroefd gezicht, in roodzwart geblokt jasje. Een paar stoelen en een kleine tafel vol manuscripten en boeken. Nauwelijks plaats voor een bord. Hij begon meteen met vragen. Wat deden we? Wat vonden we? Wat verwachtten we? Hoe moest het verder? Deze man was niet gediend van vrijblijvende praat. Het appartement was klein, wij konden er niet bij. Er werden slaapplaatsen geregeld in een groot leegstaand huis aan zee. Neef Yazid zou ons de weg wijzen. De volgende morgen reden we terug naar Ben Aknoun. Hans was uit op vaderliefde. Hij had twintig jaar een vader gemist. Nu eiste hij hem op. Hij vroeg ook zakgeld. Als vervangend dienstplichtige had hij geen cent en hij wilde niet dat ik telkens betaalde. ‘Wat doet Carel?’ vroeg zijn vader. Toen het woord ‘toneel’ viel, begon hij honderduit te vertellen over zijn theater in Bab el Qued en de stukken die hij ervoor schreef. Ik vertelde hem dat ik ook werkte bij een toneelgroep met een sterk maatschappijkritische inslag.

In de twee weken dat wij in Algerije verbleven, bezochten we Kateb Yacine bijna elke dag. Er waren altijd mensen bij hem op bezoek. Vaak was er zijn imponerende grote vriend Ali van het Ministère du Travail. Deze man had Yacine in de periode na de onafhankelijkheid als schrijver en toneelmaker altijd ondersteund, in plaats van hem te belagen, zoals de militairen deden. Yacine’s vriendin was er ook vaak, en natuurlijk Amazigh, het jongere halfbroertje van Hans. Van diens moeder was Yacine toen al gescheiden. Monsieur Abdullah liep er ook rond. Hij was de chauffeur van Yacine die voor hem klaar stond met een gebutste oude Fiat. Deze regeling was een voorrecht dat Yacine genoot als held van het nieuwe Algerije. Maar de schrijver wilde nooit de deur uit. Hij was nog steeds zo beroemd dat overal waar hij zich op straat vertoonde zich een opstootje vormde. De enige vaste taak van Monsieur Abdullah was prendre le gosse, oftewel het broertje van school halen. Hans en ik maakten tochtjes in de Fiat met Monsieur Abdullah aan het stuur in de omgeving van Algiers. We werden een keer bij hem te eten uitgenodigd. Veel kinderen. Dolle pret. Hoe het kwam weet ik niet, maar Hans had ineens een jurk aan. Ik kreeg een Arafat-sjaal omgebonden, tot vermaak van de kleintjes.
Verder lezen? Bestel ZemZem 2013/3 via de website of contacteer de redactie.
