De Balfour-verklaring al honderd jaar een felomstreden koloniale erfenis

Gepubliceerd op Gecategoriseerd als Geschiedenis, Politiek & Samenleving

Anders dan vaak gedacht waren het niet de zionisten die de Britse regering benaderden met een verzoek om steun voor de oprichting van een ‘Joods tehuis’, maar de Britten die toenadering zochten tot de zionisten. De Balfour-verklaring met haar steun voor het zionistische ideaal verschafte Londen een ruggensteun bij het leggen van een claim op Palestina.

Gepubliceerd in 2027/1+2 De erfenis van 1917 & 1967.

Ik was vijftien jaar. De Liberaal Joodse Gemeente Den Haag, die in de oorlog bijna was uitgeroeid, was bezig aan een herstart. Één van de dingen die op werden gezet, was een klasje voor jongeren en van jongeren waren er niet meer dan een handvol in die jaren. Van mij was op school bekend dat ik me Joods voelde, en daarom werd ik gevraagd de gelederen te komen versterken. Zo was ik meerdere avonden te gast in het huis van mr. R.A. (Bob) Levisson, die toen nog eigenaar en directeur van een drukkerij was, maar later (met de beste bedoelingen overigens) de oprichter werd van het cidi.

In het klasje passeerde naast judaïca zionistische geschiedenis de revue. Levisson was een levendige verteller. Zo hoorde ik het verhaal dat Chaim Weizmann, die chemicus was en later de eerste president van Israël, de Britten aan zich had verplicht met een uitvinding die van belang was voor de Oorlogsmachine in de Eerste Wereldoorlog. Het werd door de Britten beloond door hem te verblijden met de Balfour-verklaring, waarin Groot-Brittannië op zich nam te helpen in Palestina een ‘Joods nationaal tehuis’ te stichten.

Ik moet zeggen: ik heb dat verhaal altijd maar half geloofd. Maar het was pas kort geleden dat ik uit een artikel van de Israëlische historicus Mayir Vereté begreep dat er in zionistische kringen verschillende versies van dit verhaal de ronde deden.1 Weizmann en zijn kennis van de chemie werden er een welhaast mythische rol in toebedeeld bij het loskrijgen van de verklaring. Weizmann zelf liet het zich aanleunen. Vereté legde hem in de mond dat hij vond dat hij helemaal geen goede chemicus was. Hij noemde het onzin. Maar als het zionisme wel voer bij dit soort verhalen dan was het hem om het even.

Prestige
Een feit is dat Weizmann intussen wel degelijk een belangrijke rol heeft gespeeld bij het tot stand komen van de Balfour-verklaring. Hij was in 1904 naar Engeland gekomen en in de jaren voorafgaande aan de Eerste Wereldoorlog opgeklommen binnen de Britse zionistische beweging. Dat hij een verbeterde manier had uitgevonden voor het maken van aceton, wat van pas kwam bij het vervaardigen van explosieven, had hem een zeker prestige verleend. Dat had hem toegang verschaft tot Britse regeringskringen. Het spreekt vanzelf dat hij daarbij propaganda maakte voor de zionistische zaak. Hij was zelf afkomstig uit Wit-Rusland en de rechteloosheid van de met name Russische Joden ging hem ter harte. Het is een feit dat hij nog voor de oorlog was uitgebroken conversaties heeft gehad met verschillende kopstukken uit de regering, waaronder met de latere premier David Lloyd George en lange gesprekken met Balfour.2

Het spreekt vanzelf dat hij daarbij propaganda maakte voor de
zionistische zaak

Hij was ook de belangrijkste man bij de onderhandelingen over de verklaring. Het opstellen van de tekst gebeurde onder zijn leiding, nadat de zionistische beweging hem in de loop van 1917 een kantoor ter beschikking had gesteld. Ook was om hem heen een commissie gevormd, die onder meer kopstukken als Ahad Ha’am en Nahum Sokolov, de leider van de Zionistische Wereldorganisatie, bevatten naast een keur van Britse kopstukken, onder wie Lord Rothschild. De commissie werd in eerste instantie trouwens vooral opgericht om Weizmanns neiging om alles alleen te doen een beetje te kunnen intomen. Dat de door deze commissie opgestelde tekst uiteindelijk door Britse overheidsambtenaren sterk werd afgezwakt voor het Britse oorlogskabinet daar op 31 oktober 1917 haar goedkeuring aan gaf, deed daar wel iets aan af. De in juli door Rothschild ingestuurde eindtekst ging uit van de principes dat er een nationaal tehuis voor het Joodse volk zou worden geherhuisvest in Palestina en dat dit zou gebeuren in samenspraak met de Britse regering. Die tekst bevatte dienovereenkomstig de volgende principes:

  1. His Majesty’s Government accepts the principle that Palestine should be reconstituted as the National Home of the Jewish People.
  2. His Majesty’s Government will use its best endeavours to secure the achievement of this object and will discuss the necessary methods and means with the Zionist Organization.

De Britse hoge regeringsambtenaren maakten er in verschillende wijzigingsrondes ten slotte de welbekende eindtekst van die aan Lord Rothschild werd gestuurd en die luidde:

His Majesty’s Government view with favour the establishment in Palestine
of a national home for the Jewish people, and will use their best endeavours
to facilitate the achievement of this object.3

Weizmann moet de ingreep als pijnlijk hebben ervaren. Ook het feit dat de brief aan Rothschild was geadresseerd en zijn naam niet werd genoemd, moet hem hebben gespeten. Maar zijn prestige in zionistische kring heeft er echter, zie hierboven, niet onder geleden. Noch heeft de afgezwakte formulering afbreuk gedaan aan het uiteindelijke effect van de Verklaring.

Consensus
Misschien is dat alles vooral merkwaardig als we ons realiseren dat het niet Weizmann was of één van de andere zionisten die de Britten benaderden, maar het omgekeerde: de Britten die contact opnamen met de zionisten. Dat gebeurde in het begin van 1917, toen de Britse veldtocht voor de verovering van Palestina zijn eerste successen boekte. Het kreeg een grotere urgentie toen dat later dat jaar successen opleverde. Weizmann was zich wel bewust dat de deelname van het Osmaanse Rijk aan de oorlog voor de zionisten grote mogelijkheden inhield, maar hij had verwacht pas met plannen naar voren te zullen komen als de oorlog voorbij was en het tijd was voor vredesbesprekingen.4 Het was dan ook een verrassing voor de zionisten dat zij door de Britse regering werden benaderd.

Wie daar precies het initiatief toe nam wordt uit de uitgebreide literatuur die er over de Balfour-verklaring is verschenen, niet helemaal duidelijk. Wat wel duidelijk is, was dat toen het proces eenmaal op gang was, er al snel een consensus was binnen de Britse regering. Het kabinet werd inmiddels geleid door David Lloyd Douglas, een Schot en een rechtlijnige protestant die door zijn opvoeding meer dan zijn voorganger Asquith geneigd was op de hand van de zionisten te zijn. Ook Balfour, de minister van Buitenlandse Zaken, speelde een pro-zionistische rol. Bekend is zijn uitspraak, overigens van later datum, dat de zionistische claim ‘of far profounder import [was] than the desires and prejudices of the 700,000 Arabs who now inhabit that ancient land,’ and that Arab claims to Palestine were ‘infinitely weaker than those of the Jews’.5

Hoe dan ook heeft het Britse kabinet maar twee keer over de zaak vergaderd. De enige oppositie kwam van de kant van de inmiddels tot staatssecretaris voor India benoemde Edwin Montagu, zelf Joods en behorende tot dezelfde upper class kringen waartoe Lord Rothschild en Sir Herbert Samuel behoorden. Hij was zelfs een neef van Samuel. Montagu vertolkte het geluid van de Joden die niets zagen in het zionisme, omdat het Joods nationalisme in hun ogen een ondermijning inhield van hun status als loyale Britse onderdaan. Zijn argumenten werden overruled, maar werden mede de reden dat in de tweede helft van de verklaring staat: ‘it being clearly understood that nothing shall be done which may prejudice the civil and religious rights of existing non-Jewish communities in Palestine, or the rights and political status enjoyed by Jews in any other country’ om met name de Joden in de diverse westerse landen die in het zionisme een aantasting zagen van hun status als onderdaan van het land waar ze vaak al generaties woonden, tevreden te stellen.

Strategische ligging
Waar kwam die eensgezindheid van het Britse oorlogskabinet vandaan? Sommige auteurs wijzen erop dat Groot-Brittannië steun nodig had in de oorlog en dat de Britse regeringsleiders overdreven verwachtingen koesterden van de macht van de Joodse gemeenschappen in Rusland en de Verenigde Staten. Daarbij gingen ze ervan uit dat die gemeenschappen voor zich gewonnen konden worden door steun te verlenen aan het zionistische project.6 In Rusland kwam dat laatste al meteen niet uit, wegens de Russische Revolutie later dat jaar. In Amerika botste het principe van het construeren van een Joods tehuis in Palestina met het principe van president Wilson, die onafhankelijkheid bepleitte voor alle overheerste volkeren. Het was uiteindelijk met de hulp van tussenkomst van hooggeplaatste zionisten als de rechter van het hooggerechtshof Louis Brandeis dat Wilson zich schoorvoetend niet tegen het project in Palestina verzette. Weizmann speelde bij dat contact overigens een actieve rol.7

Een andere factor die van groot belang was, was van strategische aard. De Britse regering meende dat Groot-Brittannië niet om de zeggenschap over Palestina heen kon, omdat het grensde aan Egypte en het Suezkanaal. Het beheerste zodoende indirect de toegang tot India. Los van zaken die in de ogen van iemand als Lloyd George te maken hadden met het prestige van het hebben van zeggenschap over de heilige plaatsen, of sympathie voor de zionistische idealen, was het die strategische ligging die het van belang maakte en van doorslaggevende betekenis was voor de besluiten van de Britse regering. Het feit dat het Britse troepen onder leiding van generaal Allenby waren die in de loop van 1917 er de Turken verdreven en het hele Palestijnse gebied veroverden, gaven aan die overwegingen een extra impuls. En het moet ook ongeveer in die tijd zijn geweest dat het idee postvatte dat het op sleeptouw nemen van de zionistische claim op Palestina de Britse claim een soort extra moreel gewicht verschafte. Een overwicht dat later, bij eventuele onderhandelingen over het verlenen van een mandaat eveneens gewicht in de schaal zou kunnen leggen.

We zagen al dat geen van de historici die de gang van zaken beschrijven in staat was hiervoor een duidelijke initiatiefnemer aan te wijzen. Het is waarschijnlijk gerechtvaardigd te stellen dat meerdere kabinetsleden er wel wat in zagen. Maar één man mag in dit verband niet ongenoemd blijven. Dat was Sir Mark Sykes, bekend van de Sykes-Picot afspraken waarbij het Midden-Oosterse gedeelte van het Turkse Rijk bij voorbaat werd verdeeld tussen Frankrijk en Groot-Brittannië. Frankrijk claimde bij die verdeling Groot-Syrië, en Palestina was daarbij inbegrepen. Dat ging in tegen Sykes’ opvattingen. Voor een Britse studiecommissie, de Commissie De Bunsen, die in 1914-’15 vastlegde waar de Britse belangen lagen bij de komende verdeling van het Osmaanse Rijk, betoogde Sykes dat Palestina vanaf Haifa tot de Egyptische grens en vanaf Dera’a tot aan de Golf van Aqaba onder Engels beheer diende te komen, of, op zijn minst, binnen de Britse invloedssfeer moest vallen. Later, tijdens de onderhandelingen met de Fransen slaagde hij er wel in de Britse generaal Lord Kitchener, namens wie hij onderhandelde, ervan te overtuigen dat Palestina veel belangrijker was dan Alexandretta, dat Kitchener wilde hebben met het oog op een snelle toegang tot de Eufraat en tot Irak.8

Maar de Fransen hielden tijdens die onderhandelingen, die de geschiedenis in zouden gaan als de Sykes-Picot onderhandelingen, voet bij stuk. En omdat het Engeland tegenzat in de slag bij Gallipolli in de Dardanellen, en het Franse steun nodig had, kreeg Sykes opdracht toe te geven. In de afspraken kreeg Groot-Brittannië alleen een enclave rond Akka en Haifa, en werd de onenig heid opgelost met het compromis dat Palestina onder internationaal beheer zou komen.9 Sykes legde zich nooit neer bij deze uitkomst, zoals Elie Kedouri omstandig aantoont. En door de opmars van de Britse generaal Allenby veranderde de situatie. Sykes, die inmiddels deel uitmaakte van het secretariaat van de regering, zocht toenadering tot de zionisten; eerst tot anderen, later in 1917 tot Weizmann zelf. Dat bracht in de loop van dat jaar de zaak in beweging.

Romantisch memorandum
Nog een naam die in dit verband niet mag ontbreken is die van Herbert Samuel, de latere eerste Britse gouverneur van Palestina. Samuel was zelf geen zionist, maar wel een warme sympathisant. In 1914, toen het Osmaanse Rijk deel ging nemen aan de oorlog, opperde hij tegenover Grey, de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, de mogelijkheid van de vestiging van een Joodse staat in Palestina. Hij schreef er zelfs een romantisch memorandum over. Het jaar daarop werd dat in een herziene versie besproken door het hele kabinet Asquith, waar hij deel van uitmaakte: ‘Let a Jewish centre be established in Palestine, let it achieve, as it may well achieve, some measure of spiritual and intellectual greatness, and insensibly the character of the individual Jew, wherever he might be, would be raised. The sordid associations which have attached to the Jewish name would be, to some degree at least, sloughed off, and the value of the Jews as an element in the civilization of the European peoples would be enhanced.’10 Samuels memo kan wel of niet van invloed zijn geweest op de latere ontwikkelingen (er is contact geweest tussen Samuel en Sykes), maar in ieder geval geeft het aan dat de zaak van het zionisme op dat moment leefde en aandacht kreeg van de Britse regering.

Verdeeldheid en twijfel was er nagenoeg vanaf het begin

Van een heel andere orde is wat de Britten eigenlijk met de Balfour-verklaring voor ogen stond. Binnen het kabinet was na Balfour Lord Curzon aangetreden als minister van Buitenlandse Zaken. Hij vond de verklaring een onding dat niet te verdedigen was tegenover de oorspronkelijke Palestijnse bewoners en overige Arabieren. Maar Curzon stond met zijn bezwaren alleen in het kabinet. Hij was zelfs gedwongen het meerderheidsstandpunt te volgen bij het afdwingen van het mandaat van de Volkenbond. Anderen, de Chief Political Officer in Caïro en de Chief Administrator in Jeruzalem, zijn het twee jaar na dato met elkaar eens dat de verklaring ‘is to be treated as extremely confidential and is on no account for any publication’. Herbert Samuel (later Sir Herbert Samuel) is het daarmee oneens. Hij meende dat ‘The policy of His Majesty’s Government contemplates the satisfaction of the legitimate aspirations of the Jewish race throughout the world in relation to Palestine, combined with a full protection of the existing population. For my own part, I am convinced that the means can be found to affect this combination. The Zionism that is practical is the Zionism that fulfils this essential condition.’11

Anderen, onder wie de adviseur bij het Britse bewind in Bagdad, Gertrude Bell, en de al genoemde koloniale administrateurs in Egypte zagen dat anders. Een memorandum van Churchills eigen ministerie van Koloniën constateerde (in 1921) dat Groot-Brittannië ‘een politiek volgde die niet populair was bij de bevolking van het land’.12

De verdeeldheid en twijfel was er nagenoeg vanaf het begin, gevoed door de wetenschap dat de Britten op deze wijze de bevolking van Palestina het recht op autonomie en zelfbeschikking ontzegden, terwijl datzelfde recht wél werd toegekend aan de bevolking van Irak en Syrië. De Balfour-verklaring was een duidelijke breuk met de belofte die de Britse Hoge Commissaris in Egypte, MacMahon, in 2015 gaf aan Sherif Hussein van Mekka, waarbij onafhankelijkheid werd beloofd aan alle volken van de regio in ruil voor hun steun in de oorlog tegen de Turken. (Al moet gezegd dat sommige historici, onder wie Kedouri, dat in twijfel trekken omdat er in onduidelijke bewoordingen een uitzondering zou zijn gemaakt.) Een andere afspraak die zeker niet werd nagekomen was die uit de Sykes-Picot overeenkomst met Frankrijk.

Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat de Balfour-verklaring het instrument werd waarmee de staat- en rechteloosheid van (met name) Oost-Europese Joden, die in de Tweede Wereldoorlog zo duidelijk werd gedemonstreerd, kon worden opgeheven, al kwam dat dan voor miljoenen te laat. Zonder Balfour-verklaring was er waarschijnlijk geen Israëlische staat geweest. Maar zonder de verklaring was het ook nooit zover gekomen dat de zionistische executieve alle ruimte kreeg om de Palestijnse rechten op zelfbestuur en onafhankelijkheid met kracht onder tafel te werken. Het was een beslissing die voor de volle 100 procent werd genomen op grond van het koloniale denken van die tijd. En het werd (en bleef ) door zijn nasleep uiteindelijk een uitermate zwarte bladzijde uit de koloniale nalatenschap van het Britse Rijk. Met misschien als uiterst schrale troost, dat ook de Britten zelf er uiteindelijk weinig plezier aan hebben beleefd.

Noten

  1. Mayir Vereté, ‘The Balfour Declaration and its Makers’, Middle Eastern Studies 6, nr.1 (januari 1970): 48-76. ↩︎
  2. Vereté, ‘The Balfour Declaration’. William M. Mathew, ‘‘War-Time Contingency and the Balfour Declaration of 1917: An Improbable Regression’, Journal of Palestine Studies 40, nr. 2 (winter 2011): 26-42. Mathew geeft aan dat Weizmann in 1906 in Manchester een gesprek van een uur had met Balfour. ↩︎
  3. Zie Jehuda Reinharz, ‘The Balfour Declaration and its Maker: A Reassessment’, The Journal of Modern History 64, nr. 3 (september 1992): 455-499. ↩︎
  4. Vereté, ‘The Balfour Declaration’. ↩︎
  5. Geciteerd in Mathew, ‘War-Time Contingency’, op. cit. ↩︎
  6. James Edward Renton, ‘The Historiography of the Balfour Declaration: Toward a Multi‐Causal Framework’, Journal of Israeli History 19, nr. 2 (18 juni 2008): 109-128. ↩︎
  7. Reinharz, ‘The Balfour Declaration’. ↩︎
  8. Elie Kedouri, ‘Sir Mark Sykes and Palestine 1915 – 1916’, in Elie Kedouri, Arabic Political Memoirs and other Stories (Londen: Frank Cass, 1974). ↩︎
  9. Vereté, ‘The Balfour Declaration’. Zie ook: Kedouri, ‘Sir Mark Sykes’. ↩︎
  10. Beide versies worden uitgebreider en met de nodige ironie geciteerd in Elie Kedouri, ‘Sir Herbert Samuel and the Government of Palestine,’ in Elie Kedouri, The Chatham House Version and other Middle Eastern Studies (Londen: Weidenfeld & Nicolson, 1970). ↩︎
  11. Geciteerd in Kedouri, ‘Sir Herbert Samuel’. ↩︎
  12. Mathew, ‘War-Time Contingency’, op. cit. ↩︎

Meer lezen? Bestel het nummer in onze webshop.

Maarten Jan Hijmans

Maarten Jan Hijmans blogt op www.abu-pessoptimist.blogspot.com (ZemZem 2017/1+2)

More Posts

Door Maarten Jan Hijmans

Maarten Jan Hijmans blogt op www.abu-pessoptimist.blogspot.com (ZemZem 2017/1+2)

Wat leuk dat u geïnteresseerd bent in ZemZem!

Vaste lezer worden? U kunt in onze webshop een jaarabonnement afsluiten (22,50 per jaar). Ook kunt u hier losse nummers bestellen.