4
min leestijd
A- A+

Elk hoofd zijn eigen hoofdpijn

Elk hoofd zijn eigen hoofdpijn

Ze noemt het haar verslag, haar analyse, haar hoop en vrees, haar droom, haar mozaïek van een revolutie die ons allen raakt. In de zomer van 2011 reisde de Egyptisch-Nederlandse politicologe en schrijfster Monique Samuel drie maanden door Egypte, Jordanië, Libanon, Israël en de Westelijke Jordaanoever. Het resultaat is een kloek werk van 500 pagina’s: Mozaïek van de revolutie.

M Samuel

De revolutie in Egypte heeft van Samuel een nationale bekendheid gemaakt, vooral door haar optredens bij Pauw & Witteman. Op de dag dat de Egyptische president Mubarak aftrad stond ze in dit programma te buikdansen op de tafel. Dat was in februari 2011. Intense vreugde. Wat is daar nog van over? ‘Wie alleen naar de politieke realiteit kijkt, ziet inderdaad weinig reden tot optimisme,’ stelt Samuel. De meeste familieleden van Samuel in Egypte willen emigreren. In het voorwoord van Mozaïek van de revolutie schrijft publiciste Petra Stienen dat Samuel zich verbonden voelt met de nieuwe generatie in de Arabische wereld. Die verbondenheid spat van de pagina’s.

Ze schrijft vol passie en terechte verontwaardiging, bijvoorbeeld over de dodenwijken in Cairo: ‘Ik kan niet uitleggen wat ik voel wanneer ik in een taxi zit en langs de eindeloos lange muur rijd terwijl ik weet dat daarachter mijn landgenoten in graven wonen. De wetenschap dat duizenden kinderen opgroeien met de dood in hun gezicht, maakt me razend. Dat dit kan bestaan, dat dit (en nog veel ergere dingen) kan worden toegestaan, is de echte misdaad waar Mubarak voor moet worden berecht. En niet alleen hij, of zijn generaals, het is een schandvlek waar de hele Egyptische bevolking voor ter verantwoording zou moeten worden geroepen.’

Tegelijkertijd negeert Samuel in een discussie met haar Egyptische tante en oma de waarschuwingen voor de toegenomen seksuele intimidatie van vrouwen en ondervindt ze welke kloof er nog gaapt tussen haar en haar familie in Egypte. ‘Het breekt mijn hart om uit een gevoel van schaamte en schande tegen een deel van mijn familie over de staat van mijn huwelijk te liegen (meer dan de helft van mijn familie is niet van mijn scheiding op de hoogte) en nog steeds half in de kast te zitten. Maar ik blijf voorzichtig zoeken naar openingen.’ Die zoektocht is een ontroerend onderdeel van haar belevenissen in Egypte en maakt de eerste driehonderd pagina’s van Mozaïek van de revolutie tot een aangrijpende leeservaring. Waarom ze vervolgens nog 200 pagina’s wijdt aan korte bezoeken aan landen in de regio is onduidelijk. Wellicht voor Samuel zelf ook, of dekt ze zich in wanneer ze schrijft: ‘Ik begrijp niet alles van wat er in het Midden-Oosten gebeurt en dat zal ook nooit kunnen.’ Sympathiek is dat ze een deel van de opbrengst van haar boek zal schenken aan de VN-organisatie voor Palestijnse vluchtelingen UNRWA, ten behoeve van de inwoners van het Palestijnse vluchtelingenkamp Bourj al Barajneh in Libanon. Ook daaruit blijkt haar betrokkenheid bij de Arabische wereld.

Rasoptimist

Arabiste en oud-diplomate Petra Stienen richt zich in Het andere Arabische geluid op twee Arabische landen: Egypte en Syrië. Ook hier die verbondenheid. ‘Ik heb er belangrijke momenten meegemaakt, in leven, liefde en werk.’ En ook Stienen staat een deel van de opbrengst van haar boek af, aan de organisatie Al-Marwed Al-Thaqafy in Cairo ‘omdat zij fantastisch werk doen voor cultuur en kunstenaars in de Arabische wereld.’ In de inleiding schrijft Stienen terecht dat het niet reëel is om te verwachten dat na decennia van dictatuur in landen als Egypte en Syrië er binnen anderhalf jaar functionerende democratieën zullen zijn. Toch is er volgens haar voldoende reden voor zorg omdat de revolutie nog lang niet heeft gebracht waar de demonstranten op het Tahrirplein om hebben gevraagd: brood, vrijheid en sociale rechtvaardigheid. Die zorg is terecht. Maar pessimisme is niet op zijn plaats. Het is een kwestie van jaren. Stienen gaat ‘als rasoptimist’ op zoek naar lichtpuntjes in Egypte en Syrië. We maken kennis met jonge activisten, zakenlieden, journalisten en kunstenaars. Mensen die, zoals de jonge Egyptische activiste Salma het formuleert, ‘de luxe niet kunnen permitteren om cynisch te zijn of aan geïnstitutionaliseerd doemdenken te doen. Want zodra we de hoop opgeven dat het anders kan, dan verraden we onze droom op een betere toekomst.’

Bovendien constateert Stienen hoopvol dat jonge revolutionairen beseffen dat ze zich beter moeten organiseren en dat ze beter moeten nadenken over een langetermijnvisie voor hun politieke idealen. Maar ook op het oog onbelangrijke initiatieven blijken achteraf van grote invloed. Zo beschrijft Stienen dat ze begin 2009 als plaatsvervangend hoofd van de afdeling Noord-Amerika de Syrische mensenrechtenactivist Ammar Abdulhamid uitnodigde voor een lezing over zijn visie op het Midden-Oostenbeleid van Barack Obama. Abdulhamid legde de nadruk op online activism. Het Westen zou jonge Syriërs moeten steunen die filmpjes maken met flipcamera’s. ‘Op de gezichten van de aanwezige diplomaten en ambtenaren was vooral scepsis te zien,’ herinnert Stienen zich. Anno 2012 zijn de filmpjes op Youtube en Facebook een wapen tegen de dictatuur.

Nog sterker is het deel waarin ze uitgebreid een drietal manieren beschrijft om ‘positieve veranderingsprocessen in de Arabische landen te steunen’: creëer fysieke en geestelijke ruimte, werk aan de ontwikkeling van de rechtsstaat en investeer in langdurige relaties. De les die in ieder geval moet worden getrokken ontleent Stienen aan de Egyptisch-Amerikaanse Mona Eltahawy. Die stelt dat de politieke revoluties alleen kunnen slagen als er een sociale, culturele en seksuele revolutie plaatsvindt in de Arabische wereld. Volgens Eltahawy belemmert de angst voor de vrouwelijke seksualiteit en de haat tegen vrouwen de vooruitgang van de hele samenleving. Daarop schrijft Stienen: ‘Ik denk dat ze gelijk heeft dat politieke vrijheden nooit zullen beklijven zonder persoonlijke vrijheden.’

Onveilig

Ook in Vertrouw op Allah, maar bind wel je kameel vast van journaliste en arabiste Esmeralda van Boon is seksuele intimidatie van vrouwen een thema. Tien jaar terug was Egypte een tweede thuis voor haar. Nu voelt Van Boon zich niet meer veilig in Cairo. ‘Taxichauffeurs die meisjes en vrouwen weg wilden halen van de straat [vanwege zich misdragende mannen] zagen de ruiten van hun auto’s kapotgeslagen worden, en vrouwen werden de taxi’s uitgetrokken.’ Ook zelf heeft ze de seksuele intimidatie aan den lijve ondervonden. In augustus 2001 vertrok Van Boon als jonge studente Arabisch naar Egypte, tien jaar later verslaat ze de Egyptische revolutie vanaf het Tahrirplein voor Nieuwsuur. De titel van haar boek wekt de verwachting dat er veel valt te lachten, maar dat valt tegen. Ook in dit boek toont de auteur zich zeer betrokken bij de Arabische wereld. In januari 2011 tijdens grootschalige demonstraties tegen het regime van president Mubarak moest Van Boon naar Nederland. Het voelde voor haar alsof ze de demonstranten in de steek liet. Een maand later was ze weer terug op het Tahrirplein. Een jongeman schreeuwt hysterisch dat Mubarak is afgetreden. Van Boon gelooft hem niet en belt naar de redactie in Hilversum… Zo werkt journalistiek dus ook. En daarmee komen we bij een ander thema dat vooral in het deel over de oorlog in Libië aan de kaak wordt gesteld: hoe herken je wie aan welke kant staat? Het levert een aantal bloedstollende passages op waarin sluipschutters haar in Tripoli gericht onder vuur nemen. In een interview met de Leeuwarder Courant vertelde Van Boon dat ze niet alle angstige momenten met haar ouders en vriend deelt.

Het deed me denken aan een Arabisch spreekwoord waarmee Monique Samuel een hilarisch verslag opent van een somber makend bezoek aan het hoofdkantoor van de Arabische Liga: Elk hoofd heeft zijn eigen hoofdpijn. Zowel Samuel, als Stienen, als ook Van Boon blijken te beschikken over de sleutel van de medicijnkast voor wat velen zien als hét hoofdpijndossier: de Arabische wereld.