8
min leestijd
A- A+

Wat iedereen moet weten over de Arabische Lente

Wat iedereen moet weten over de Arabische Lente

We staan nog maar aan het begin van een tsunami aan studies over de Arabische Lente. Na de eerste golf van merendeels journalistieke boeken en boekjes (vaak met een overdaad aan illustraties) komen langzamerhand ook de meer studieuze publicaties op de markt.

Paul Aarts

Sommige daarvan hebben een specifieke invalshoek — zoals het belang van de economie, de rol van contrarevolutionaire krachten of van sociale media — terwijl andere juist een ‘helikopterbeeld’ schetsen van de turbulenties van de afgelopen anderhalf jaar (en vooral ook van wat daaraan voorafging). Met The Arab Uprising. The Unfinished Revolutions of the New Middle East behoort Marc Lynch (als blogger bekend onder de naam @abuaardvark) tot de laatste categorie. Het is een fraai, zeer leesbaar overzichtswerk, gestoeld op een grote mate van realisme. In het eerste hoofdstuk waarschuwt Lynch al dat we er niet vanuit moeten gaan dat de opstanden noodzakelijkerwijs tot een liberale of democratische uitkomst zullen leiden. De afloop hangt van veel factoren af, waaronder het aanpakken van de gigantische economische problemen waar de landen in kwestie mee worstelen.

Onder de titel ‘Building toward revolution’ gaat de auteur terecht terug naar eerdere volksopstanden, in het bijzonder de eerste en de tweede Intifada (resp. 1987-1991 en 2000-2002) en de diverse protestbewegingen in Egypte (waarvan Kifaya de bekendste, zij het niet de belangrijkste is geweest). In deze eerste fase van protestbewegingen begint zich een ‘nieuwe Arabische publieke sfeer’ te ontwikkelen die tijdens de revoltes van de afgelopen tijd tot volle wasdom is gekomen. De rol van ‘nieuwe sociale media’ — die inmiddels niet meer zo ‘nieuw’ noch ‘sociaal’ zijn — wordt daarbij tot reële proporties teruggebracht: ze waren, constateert Lynch, een noodzakelijke noch voldoende voorwaarde voor het organiseren van de protesten. Desalniettemin besteedt hij, en dat is ook terecht, royaal aandacht aan de ‘hashtag protesten’ van Marokko tot Jemen, die symbool staan voor die nieuwe Arabische publieke sfeer.

Voorspellen

Een vergelijkbaar ‘helikopterbeeld’, zij het beperkt tot Egypte, levert The Journey to Tahrir. Revolution, Protest, and Social Change in Egypt. Het is een verzameling van eerder in het onvolprezen Middle East Report gepubliceerde, maar nu geactualiseerde artikelen. De samenstellers erkennen ruiterlijk dat ze bij het samenstellen van deze publicatie op geen enkele manier willen claimen dat ‘25 januari’ (het begin van de massale protesten op het Tahrirplein in Caïro) onvermijdelijk was of dat ze die hadden zien aankomen. Geen van beide is het geval, maar wél was in de voorafgaande jaren een duidelijk ‘momentum voor belangrijke politieke veranderingen opgebouwd’.

De bundel brengt die opbouwfase goed in kaart, onder meer via bijdragen van Asef Bayat en Joel Beinin. Bayat — een van de weinigen die in de buurt is gekomen van het ‘voorspellen’ van de Arabische revoltes — zet nog maar weer eens zijn onmisbare ideeën over de ‘Arabische straat’ uiteen en Beinin schetst de geschiedenis van de arbeidersbeweging van 1998 tot 2010 en van groeperingen als Kifaya en de 6 April-beweging die zich solidair verklaarden met de arbeiders.1 Er zijn vrijwel geen aspecten die niet aan bod komen in de Journey to Tahrir-bundel (inclusief fenomenen als ‘downveiling’ in Cairo, de crisis op de huwelijksmarkt en een spetterende bijdrage van Ted Swedenburg over ‘imagined youths’ met rake passages over de ‘sexpots’ Haife Wehbe en Elissa, geplaatst tegenover de clips met ‘familiewaarden’ van Ali Gawhar en de immens populaire Sami Yusuf), maar bijzondere vermelding verdienen de bijdragen over de Egyptische economie.

Karen Pfeifer levert een onmisbare bijdrage via een historische schets van het economisch hervormingsprogramma vanaf de vroege jaren vijftig tot en met de eerste maanden van het post-Mubaraktijdperk. Onder de titel ‘Dreamland: The Neoliberalism of Your Desires’ gaat Timothy Mitchell in een even beknopte als scherpe bijdrage nog een stap verder door niet alleen een diagnose te stellen met een accent op de nefaste effecten van ‘family business’, maar door ook ideeën aan te dragen voor de toekomstige inrichting van de Egyptische economie. Prioriteit zou een grootschalige landhervorming moeten zijn — een idee dat je in het politieke debat in Egypte nauwelijks hoort. Politieke hervormingen acht hij uiteraard ook broodnodig, waarbij hij er overigens en passant fijntjes op wijst dat er vaak te veel betekenis aan de rol van civil society wordt toegekend.

Voedselveiligheid

Dat de rol van ‘de economie’ nauwelijks overschat kan worden — niet alleen bij de analyse van de Arabische opstanden, maar meer nog bij de inschatting van de kansen op succes — kan ook geïllustreerd worden aan de hand van twee andere recente boeken: Rami Zurayks Food, Farming and Freedom. Sowing the Arab Spring en de bundel Marginality and Exclusion in Egypt onder redactie van Ray Bush en Habib Ayeb. Het boek van Zurayk is een cri de coeur van een geëngageerde Libanese wetenschapper en activist die een even simpele als strategische boodschap aflevert: de Arabische landen hebben hun landbouwsector schandalig verwaarloosd en betalen daarvoor een hoge prijs, en niet pas sinds de stijging van de wereldvoedselprijzen. In een reeks eerder gepubliceerde artikelen (vanaf 2007), hier gebundeld met een extra hoofdstuk over de Arabische opstanden, formuleert hij een J’accuse tegen het dominante export-georiënteerde beleid dat ten koste gaat van voedselveiligheid van de eigen bevolking. ‘How can we talk about sovereignty in the absence of food sovereignty?’ Het is dus hoog nodig, betoogt Zurayk, om ideeën te ontwikkelen die na een regeringswisseling de basis kunnen leggen voor een alternatieve economische politiek. Daaraan ontbreekt het volgens hem (en een snelle blik op de beleidsvoornemens van de nieuwe politieke actoren lijkt dit te bevestigen).2

Hij toont zich een sympathisant van Amilcar Cabril en diens credo dat een theorie nou eenmaal onmisbaar is: ‘Every practice produces a theory, and […] if it is true that a revolution can fail even though it [is] based on perfectly conceived theories, nobody has yet made a successful revolution without a revolutionary theory.’ De bouwstenen voor zo’n theorie werden deels al aangedragen door Mitchell en Pfeifer (zie hierboven). Ook de bundel Marginality and Exclusion in Egypt draagt zijn steentje bij. Niet alle bijdragen zijn analytisch even sterk (en sommige gaan gebukt onder loodzwaar jargon zodat je alle leesplezier ontgaat), maar in het bijzonder Rabab El Mahdi voegt iets toe. Ze gaat in tegen het dominante beeld van de Egyptische revolutie die vooral gevoerd (en gewonnen) zou zijn door de internetjeugd. Niets is minder waar, claimt El Mahdi.

In lijn met wat eerder door onder anderen Beinin is aangetoond, zijn arbeiders permanent van de partij geweest — zij het niet altijd in georganiseerde vorm. Die constatering heeft uiteraard consequenties voor het beleid dat moet volgen op het tot voor kort gevoerde ‘policed neoliberalism’. Met andere woorden: het is hoog tijd voor hernieuwde aandacht voor klasse en klassenpolitiek. Iemand die niet bang is het woord klasse (en meer nog imperialisme) te gebruiken, is James Petras. Hij droeg zijn boek op aan ‘the Arab revolutionaries struggling against Western imperialism and collaborator dictatorships’ en dat zal de lezer weten ook. Als je het jargon echter voor lief neemt, word je getrakteerd op snoeiharde, zij het niet altijd even overtuigende politiek-economische analyses. Petras ruimt daarbij extra veel ruimte in voor het geval Libië. Hij maakt terecht een aantal forse kritische kanttekeningen bij de militaire interventie tegen het regime van Khaddafi — dat gebeurt doorgaans helaas veel te weinig — maar Petras draaft door. Hij praat recht wat krom is waar het de verdiensten van Khaddafi’s bewind betreft. En natuurlijk hadden met name Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk zo hun eigen bedenkelijke motieven om de Libische despoot aan te pakken, maar moeten wij nou echt geloven dat ‘The NATO assault formed part of a general counterattack designed to contain and reverse the popular democratic and anti-imperialist movements which had ousted or were on the verge of overthrowing US-client dictators’?

Über-optimisme

Als je van gezwollen taalgebruik houdt, ben je ook aan het goede adres bij Hamid Dabashi. Zijn The Arab Spring. The End of Postcolonialism bezwijkt onder het taalgebruik waar Dabashi patent op heeft: een overdaad aan ingewikkelde concepten en formuleringen. Wat dacht u van deze: ‘If we are to de-Christianize the transcendence-immanence binary and use it to help our understanding of these dramatic events, then we need to abandon the teleological temptation of memorial transcendence, which is an open-ended recollection of history, and opt for the more palpable moment of immanence in which we live and witness these dramatic uprisings’ (pag. 38). Soms ook draaft hij door bij zijn übe­r-optimistische evaluatie van de Arabische opstanden: ‘no stone in the region will remain unturned’ en ‘We are indeed on a blank page of history’ — wat overigens op gespannen voet lijkt te staan met zijn constatering elders dat het gaat om ‘open-ended revolutions, work in progress, an opera aperta.’ Dat neemt overigens niet weg dat Dabashi op sommige punten originele ideeën naar voren brengt.

In een bepaald opzicht sluit zijn pleidooi voor een geheel nieuw post-koloniaal ‘régime du savoir’ vrijwel naadloos aan bij de eerder door Zurayk geformuleerde noodzaak een ‘revolutionaire theorie’ te formuleren. Interessanter nog, maar tevens kwestieuzer, is zijn vergelijking van de Iraanse ‘Groene Beweging’ met de Arabische opstanden. Dabashi wordt niet moe te betogen dat we hier in de kern met twee dezelfde fenomenen te maken hebben (wat tot op grote hoogte waar is) en dat de Arabische opstanden geïnspireerd zijn door de Groene Beweging (daar valt meer over te zeggen). Meermaals plaatst Dabashi de Arabische revoltes op één lijn met de Iraanse protestbeweging en hij gaat zelfs zover te beweren dat in de eerste helft van 2011 opstanden plaatsvonden ‘van Marokko tot Iran en van Syrië tot Jemen’ en dat we hier te maken hebben met het ‘glorious model of Tahrir en Azadi Squares’. Hij neemt evenmin iets terug van zijn uitlating in juli 2009 dat ‘Tehran […] is ground zero of a civil rights movement that will leave no Muslim or Arab country, or even Israel, untouched’. Aan het eind van zijn boek gooit Dabashi alle remmen los als hij constateert dat niet alleen de Arabische protesten gevoed zijn door de Iraanse Groene Beweging, maar die op zijn beurt ook weer ‘geradicaliseerd’ is door de gebeurtenissen in Noord-Afrika.

Iran en de Arabische Lente

Die laatste kwestie is recentelijk onderwerp van studie geweest voor Asef Bayat. En wat blijkt: in Why did Iran’s Wave not feel the Arab Spring? komt hij tot volledig tegengestelde conclusies. Overigens is de titel van Bayats lezing niet helemaal correct: hij legt vooral uit waarom het de Groene Beweging in 2009 niet lukte wat de Arabische opstanden wel is gelukt zo’n twee jaar later. De gesignaleerde factoren bevinden zich zowel aan de kant van het regime als van de oppositie. Veel summierder is Bayat in zijn uitleg waarom de vonk van de Arabische opstanden niet oversloeg op de protestbeweging in Iran. In al zijn bondigheid is hij echter overtuigend: Iran is nu eenmaal geen Arabisch land en het kent een andere politieke cultuur; slogans, anekdotes of revolutionaire teksten konden door elke Arabier geïnternaliseerd worden, maar niet door (de meeste) Iraniërs die immers geen Arabisch spreken. ‘[…] On the whole, the Arab uprisings remained somewhat external to their political imagination.’ Wellicht moeten we concluderen dat Dabashi zich, op dit punt althans, meer door zijn ideologische voorkeuren laat leiden dan door een sobere analyse te maken.

Onvermijdelijk

Zo’n analyse wordt wel gemaakt door Wissam S. Yafi in Inevitable Democracy in the Arab World, maar helemaal vrij van ideologische preoccupaties is hij ook niet. In het eerste deel van zijn boek levert hij weliswaar een keurige analyse van hoe het allemaal zover heeft kunnen komen via een viertal veranderde ‘realiteiten’: geo-economisch, geo-sociaal, technologisch en geopolitiek. De eerste drie onderdelen zijn vrij onproblematisch, maar bij de vierde begint zijn argumentatie te irriteren. Hier lezen we dat het toch vooral de democratiseringsagenda van Bush jr. is geweest die het Midden-Oosten een duw in de goede richting heeft gegeven (en tussen de regels door is hij poeslief, of minstens naïef, waar het Israëls expansiepolitiek betreft).

Vervolgens moet de lezer tot vervelens toe lezen dat verandering ‘onvermijdelijk’ is en dat er in feite slechts twee trajecten openliggen: democratie voor het overgrote deel van de Arabische wereld en liberale autocratie voor de Golfstaten die zich op den duur vanzelf tot constitutionele monarchieën zullen omvormen. Alle andere varianten van politieke systemen worden afgeserveerd als meer dan onwaarschijnlijk. Yafi is weliswaar nog zo ruimdenkend om te constateren dat de weg naar democratie een ‘long, hard slog’ zal zijn, maar democratisch (of constitutioneel monarchistisch) zullen de Arabische landen ooit worden. Sans gêne analyseert Yafi in lineaire termen en bovenal heeft hij onvoldoende om zich heen gekeken hoe het ‘democratische revoluties’ elders in de wereld is vergaan.3 Boeken die als ondertitel dragen ‘What Everyone Needs to Know’ roepen doorgaans argwaan op. James Gelvin heeft die stap toch gewaagd (of zijn uitgever heeft hem ertoe gedwongen) met zijn The Arab Uprisings en het moet gezegd worden: met die ondertitel is niks mis. In ruim 150 pagina’s (exclusief noten en bijlagen) somt hij zo’n beetje alle denkbare onderwerpen op die met de Arabische Lente geassocieerd kunnen worden. Op nuchtere wijze en aan de hand van 87 vragen (variërend van heel basale vragen als ‘Waar komt de term “Arabische Lente” vandaan?’ tot de meer complexe zoals ‘Wanneer zijn we in staat een oordeel te vellen over het belang van de Arabische opstanden?’) brengt hij een en ander in perspectief.

Gelvin laat zich niet verleiden tot optimisme of pessimisme, maar blijft met beide benen op de grond als hij over de veranderingen tot nog toe in Egypte en Tunesië concludeert dat het nog te vroeg is om te bepalen of met het verdwijnen van een autocraat ook een einde is gekomen aan een autocratie. De vraag ‘Wanneer zijn we dan wel in staat om een oordeel te vellen over het belang van de Arabische opstanden?’ beantwoordt hij met een knipoog: ‘It depends what you are looking for.’

Paul Aarts doceert internationale betrekkingen aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is medesamensteller van het rapport From Resilience to Revolt. Making Sense of the Arab Spring (in te zien via: www.issuu.com/pwhaarts/docs/from_resilience_to_revolt of via: www.wodc.nl/onderzoeksdatabase/duiding-maatschappelijke-omwentelingen-i…)