Bouwen aan een Afghaanse staat


Bouwen aan een Afghaanse staat

Najibullab Mustafa

Dit artikel verscheen eerder in ZemZem 2009/2 Afghanistan. Online herpublicatie op 28 augustus 2021.

In Afghanistan wordt de staat door diverse donoren gezien als de sleutel tot veiligheid en ontwikkeling. In ZemZem 2009-2 betoogde Bertine Kamphuis dat de afhankelijkheid van donoren de achilleshiel is van de staatsopbouw.

Falende, fragiele en in elkaar gestorte staten zijn in het veiligheidsdenken sinds 9/11 voedingsbodems én trainingscentra voor terroristen. Het Talibanregime, als gastheer van Osama bin Laden, werd na de aanslagen op de Twin Towers gezien als een acute bedreiging voor de Amerikaanse en internationale veiligheid, die militair ingrijpen legitimeerde. De Noordelijke Alliantie mocht de — door de Amerikanen georkestreerde — overwinning op de Taliban opeisen. Zo konden de Verenigde Staten voorkomen dat Amerikaanse soldatenlevens onnodig op het spel werden gezet en leek een snel vertrek van hun troepen gegarandeerd. Maar de Noordelijke Alliantie was te gefragmenteerd en verzwakt om het machtsvacuüm te vullen.[1] Voor ze het wist, was de regering-Bush, tegen haar zin in, toch verzeild geraakt in een staatsopbouwmissie. 

Bijval voor de aandacht voor de staat kwam uit de hoek van ontwikkelingssamenwerking. 'Het is verlicht eigenbelang om instabiliteit in de wereld te bestrijden,’[2] aldus bijvoorbeeld het Nederlandse fragiele-statenbeleid. Het opbouwen van de staat heeft sindsdien prioriteit, als sleutel tot ontwikkeling én veiligheid. Twee tendensen spelen hierbij een belangrijke rol. Ten eerste was de 'vrije markt' uit en kwam 'goed bestuur' in. Maar met goed bestuur als voorwaarde voor hulp vielen juist die landen waar de grootste ontwikkelingsproblemen lagen buiten de boot. Onder het motto 'zonder veiligheid geen ontwikkeling en vice versa’ kwam vervolgens het bijdragen aan de menselijke veiligheid op de ontwikkelingsagenda te staan. De stap naar staatsopbouw werd makkelijk gemaakt.

In Afghanistan schaarden verschillende donoren zich achter deze agenda van staatsopbouw. Een centrale aanname was, en is, dat externe steun voor het opbouwen van een sterke, legitieme moderne staat via de interim/transitie en nu gekozen regering-Karzai de beste manier is om de voorwaarden te scheppen voor duurzame vrede, stabiliteit en economische ontwikkeling.[3] Is juist deze afhankelijkheid van donoren en buitenlandse troepen niet de achilleshiel van de staatsopbouw? En sluit deze externe, internationale agenda wel aan bij de Afghaanse werkelijkheid? 

Bufferstaat
De gewelddadige Afghaanse geschiedenis wordt veelal verklaard door de afwezigheid van een staat. Maar het gebied nu bekend als Afghanistan was door de eeuwen heen zeker geen stateloos gebied en al eerder zijn er pogingen gedaan tot centralisering van de macht. Na twee Anglo-Afghaanse oorlogen, kreeg Afghanistan de rol van bufferstaat tussen het Britse en Russische rijk toebedeeld, al bleef het buitenlandse beleid onder Britse controle. Hetzelfde gold voor de tribale Pashtun-gebieden in het huidige Pakistan voorbij de Durandlijn die door Afghanistan tot op de dag van vandaag niet als grens wordt geaccepteerd. Abdur Rahman Khan, emir van 1880 tot 1901, kreeg wapens en geld van de Britten om deze bufferpositie te behouden. Aangezien deze externe financiering onvoldoende was om zijn uitgaven te bekostigen, begon hij met het heffen van belastingen op grootgrondbezit. Terwijl in buurland India spoorwegen werden gebouwd om een nationale markt te stimuleren, zag Abdur Rahman hier om veiligheidsredenen vanaf. Goede infrastructuur maakt niet alleen handel mogelijk, maar zou ook een buitenlandse inval in het onherbergzame Afghanistan vergemakkelijken.[5] Intern consolideerde hij zijn positie door een gewelddadige verdeel-en-heersstrategie, onder andere via het opdelen van regio's in kleinere, heterogene districten, en het institutionaliseren van een nieuwe bestuurlijke elite, onder andere door de transformatie van grote tribale raden, loya jirga's, tot een staatsinstitutie, de Loya Jirga.[6] 

Terwijl Abdur Rahman de institutionalisering van een centrale staat combineerde met een door hem gekozen en naar zijn goeddunken in te zetten 'patrimoniaal' bestuurssysteem, gaf zijn kleinzoon Amanullah Khan (1919-1929) een impuls aan de modernisering van de Afghaanse staat.[7] Amanullah verklaarde Afghanistan onafhankelijk en stuurde, toen de Britten dit weigerden te erkennen, het leger en tribale troepende Durandlijn over. Het door de Eerste Wereldoorlog verzwakte Verenigd Koninkrijk moest toegeven en Afghanistan werd lid van de exclusieve club van soevereine landen. Een ambitieus moderniseringsprogramma werd ingezet met bestuurlijke hervormingen: de introductie van een overheidsbudget, privaat eigendom, een nieuwe munteenheid, privatisering, seculiere rechtspraak naar Turks model en een grondwet in 1921 en sociale hervormingen zoals het stimuleren van vrouwenemancipatie en het invoeren van seculier staatsonderwijs. 

Amanullah probeerde de 'allocatiestaat', gericht op het uitgeven van geld in plaats van het innen van belastingen, om te vormen tot een 'productiestaat': een aanjager van internationale handel en binnenlandse economische activiteiten.[8] Dit moest ook wel, aangezien met de onafhankelijkheid, de Afghaanse staatskas niet langer gespekt werd met Britse subsidies en wapens. Terwijl dergelijke hervormingen in veel Europese landen de basis voor de natiestaat legden, leidde Amanullahs schoktherapie tot veel verzet vanuit de geestelijkheid en tribale leiders. In 1929 werd hij afgezet en samen met andere hervormingsgezinden moest hij naar het buitenland vluchten. 

Revolutie
Na de Tweede Wereldoorlog ontstond er opnieuw ruimte voor staatshervorming. Externe financiering voor het opbouwen van een modern leger, een politiemacht en ontwikkelingsprojecten was ruim voorhanden door buitenlandse donoren tegen elkaar uit te spelen. Premier Mohammed Daoud (1953-1963) beheerste dit spel goed, al nam hij soms grote risico's. Zijn voortdurende confrontatie met het militair superieure Pakistan, en de bijbehorende pijnlijke economische blokkades, kostten hem zijn premierschap, maar verstevigden zijn positie als verdediger van de Pashtunistan-zaak. 

Zowel de Sovjet-Unie als de Verenigde Staten, en — na de staatsgreep in 1973 waarmee Daoud de republiek uitriep en zichzelf tot president benoemde — Iran, boden Afghanistan vanuit hun koudeoorlogsdenken substantiële hulp. In combinatie met de opbrengsten uit de gasexport aan de Sovjet-Unie was deze externe financiering goed voor ongeveer 40 procent van de overheidsuitgaven,[9] al bleef het totale overheidsbudget zeer beperkt en fluctueerde de externe financiering sterk. Daoud lanceerde met dit geld een moderniseringsprogramma, maar dit resulteerde niet in substantiële industrialisatie en hogere landbouwproductiviteit. Deze modernisering lijkt dan ook meer gedreven te zijn door Daouds zucht naar de macht dan door vooruitgangsdenken. 

Op zijn minst was zijn moderniseringsagenda halfslachtig. Achter de façade van de moderne staat, met in de jaren zeventig een bureaucratie van ongeveer honderdduizend ambtenaren, bleef patrimonialisme het organiserende principe.[10] Dit kwam onder andere door de angst van de bestuurlijke elite dat een onafhankelijke klasse van industriëlen zou ontstaan. 

De Saur (april) Revolutie in 1978 maakte een abrupt einde aan Daouds presidentschap en zijn leven. Een radicale hervormingsagenda werd gelanceerd door de Democratische Volkspartij van Afghanistan (DVPA) die aan de macht kwam, maar deze viel uiteen en verschillende fracties vochten om het leiderschap. De Sovjet-Unie werd in deze strijd betrokken en viel Afghanistan binnen. De inval was het startschot voor een periode van aftakeling van de staat en oorlog, al zorgde de aanwezigheid van de Sovjettroepen tegelijkertijd ook voor het behoud van een minimum aan staatsfuncties. Zolang het Sovjetleger aanwezig was zouden nationalistisch gemotiveerde overheidsbeambten, het leger voorop, zich niet inzetten voor het versterken van de staat, terwijl de oppositiegroepen, de mujaheddin, verzekerd waren van externe financiering zolang ze tegen de Sovjet-Unie vochten. Oppositie kwam vooral uit religieuze hoek: de mullahs en soefi's waren een mobiliserende factor in het verzet.[11]

De terugtrekking van het Sovjetleger in 1988-1989 leidde niet meteen tot de val van het DVPA-regime. Maar toen de geldkraan vanuit Moskou dichtging, viel het regime in 1992 alsnog. Oppositiegroepen waren niet in staat een coalitie te vormen en er volgde een periode van conflict. Tegen deze achtergrond van geweld en wetteloosheid en gesteund door de geestelijkheid, wisten de Taliban snel terrein te winnen. Eind 1998 controleerden ze 90 procent van het land, maar werd het regime, met uitzondering van Pakistan, de Verenigde Arabische Emiraten en Saoedi-Arabië - niet erkend door de internationale gemeenschap. 

Het verleden van Afghanistan laat zien dat pogingen tot het opbouwen van een moderne staat soms gedoemd zijn te mislukken. De oorzaken daarvan zijn relevant voor de huidige poging tot staatsopbouw. Ten eerste zijn teleurstellende ontwikkelingsresultaten vaak het gevolg van de noodzaak om patroon-cliëntrelaties te versterken. Ten tweede is de fragmentarisering van de Afghaanse samenleving geen continuering van tradities uit het verleden, maar een direct gevolg van de verdeel-en-heersstrategie van een zwakke staat.[12] Ten derde mobiliseerde de oppositie zich niet zozeer tegen de buitenlandse inmenging, maar tegen de hervormingen die traditionele waarden en de rol van religie in de samenleving dreigden aan te tasten en daarmee de eigen status en positie van betrokkenen.[13]

Conferentie
Terwijl er nog tegen de Taliban gevochten werd, tuigden de Verenigde Naties een conferentie op in Bonn, waarbinnen tien dagen, op 5 december 2001, een overeenkomst bereikt werd over het proces dat zou moeten leiden tot een nieuwe Afghaanse regering.[14] Ook al was de Afghaanse delegatie op deze conferentie verre van representatief, het voorgestelde proces stippelde een weg uit naar een legitieme en representatieve regering, redeneerde de speciaal gezant van de VN voor Afghanistan Lakhdar Brahimi.[15] Het Akkoord van Bonn voorzag in de instituties en termijnen waarbinnen de keuzes over de toekomst van Afghanistan gemaakt zouden worden. 

De Amerikaanse prioriteit lag duidelijk niet bij democratisering of economische ontwikkeling, maar bij het opvullen van het ontstane machtsvacuüm door een nieuwe regering. Deze regering moest behulpzaam zijn in het najagen van de kopstukken van al-Qaida en zelf voldoende stabiliteit kunnen creëren om de Verenigde Staten te vrijwaren van langdurige militaire aanwezigheid. Economische opbouw lieten de Amerikanen dan ook graag over aan VN-organisaties, de Wereldbank en welwillende donorlanden. 

De Verenigde Naties mat zich een light-foot-print benadering aan, die paste bij de nieuwe aandacht voor de rol van de staat en lokaal leiderschap, als voorwaarde voor een succesvolle transitie, en niet vloekte met de Amerikaanse War on Terror. Volgens deze benadering zouden Afghanen een voortrekkersrol krijgen. De United Nations Assistance Mission to Afghanistan (UNAMA) speelde vooral een adviesrol, en de VN-organisaties committeerden zich aan het volgen van Afghaanse prioriteiten. Daarnaast stonden de meeste landen niet te springen om een militaire missie in Afghanistan, omdat men verzet tegen buitenlandse inmenging verwachtte. Het Oost-Timorese model van tijdelijk VN- bestuur was aldus Brahimi 'niet nodig en niet mogelijk’.[16] De onder VN-mandaat opererende International Security and Assistance Force (ISAF) bleef in eerste instantie dan ook beperkt tot Kabul en omgeving. 

De interimregering maakte gebruik van de geboden ruimte en nam het initiatief tot het opstellen van plannen voor de wederopbouw en ontwikkeling van het land. Deze proactieve inspanningen resulteerden in een aantal nationale programma's, waarin de Afghaanse overheid een voortrekkersrol nam, VN-organisaties en NGO’s een uitvoerende rol kregen en financiering via het overheidsbudget plaatsvond (al dan niet via een hiertoe opgesteld multi-donor fonds). 

Weerbarstige werkelijkheid
De werkelijkheid bleek weerbarstiger. De spanning tussen de War on Terror en staatsopbouw werd al snel zichtbaar. In de jacht op Osama bin Laden en de Taliban, steunde Operation Enduring Freedom (OEF), de anti-terrorisme-operatie onder Amerikaans leiderschap, lokale krijgsheren. Niet alleen kreeg de interim-regering van Karzai geen militaire steun om de controle over het land te versterken, deze controle werd ook door OEF direct ondermijnd. Er zat voor Karzai weinig anders op dan allianties aan te gaan met krijgsheren die het grootste gedeelte van het land controleerden. In ruil hiervoor kregen ze een plek in de centrale overheid of het leger aangeboden.

Ook bleek de belofte van donoren aan het principe van Afghaans leiderschap halfslachtig en in vele gevallen vals. Zoals blijkt uit bijvoorbeeld de vele vlaggen en borden op waterpompen en schooltjes waren de meeste donoren minder happig op Afghaans leiderschap. Gebrek aan capaciteit was veelal het excuus. Terwijl er in 2002 naar schatting ongeveer 250.000 ambtenaren waren in Afghanistan,[17] werd het meeste ontwikkelingsgeld niet via het Afghaanse overheidsbudget ingezet, maar via VN-organisaties en NGO’s, veelal voor geïsoleerde, ongecoördineerde projecten. Afghanen werden in dienst genomen als chauffeur voor ongeveer vijfhonderd dollar per maand, waardoor ze tien keer zoveel verdienden als een ambtenaar, docent of arts. Deze binnenlandse brain-drain holde de Afghaanse bureaucratie uit. Capaciteitsopbouw door 'technische assistentie' met dure consultants, die veelal rapporteren aan de betalende donor in plaats van de ministeries waar ze werken, is hierbij een druppel op een gloeiende plaat. 

Dergelijke technische assistentie aan overheidsbeambten, de 'poortwachters' voor toegang tot de staat en haar middelen, zal echter weinig veranderen aan het functioneren van de overheid. Hoe meer donorgeld direct naar de lokale overheden toestroomt, hoe groter de beloning voor diegenen die in staat zijn patronagepraktijken te continueren achter een façade van hervormingen.[18] Niet capaciteitsgebrek, maar de bekwaamheid van de poortwachters in het aanpassen van het patronagenetwerk aan de hervormingen staat een moderne, capabele en neutrale bureaucratie in de weg. 

Impasse
Deze verwevenheid van formele en informele machtsstructuren is ook kenmerkend voor de Afghaanse regering. Met de presidentsverkiezingen in 2004 en de verkiezingen voor het parlement en provinciale raden in 2005 was het Bonn-proces, ofwel de wederopbouw van Afghaanse overheidsinstituties, officieel succesvol afgerond. Op papier is Afghanistan een van de meest gecentraliseerde landen in de wereld. In de praktijk bestaan de formele instituties naast informele, gefragmenteerde vormen van bestuur. De deelname van ‘voormalige’ krijgsheren aan het formele politieke proces, de infiltratie van drugshandelaren in de centrale overheid en de voortzetting van informele, lokale vormen van bestuur, beïnvloeden de verwevenheid van deze formele en informele structuren. Dit betekent niet dat de staat een lege huls is, maar dat 'hoe de staat werkt' mede wordt bepaald door de informele machtsstrijd.  

'Onbegrijpelijke' impasses worden, wanneer je de informele machtspolitiek meeneemt in de calculatie, ineens glashelder. Zo is de vijandigheid van verschillende ministeries tegen het formaliseren van lokale raden, die opgericht zijn in het kader van een grootschalig ontwikkelingsproject voor rurale gemeenschappen, goed te begrijpen gezien het disproportionele donorgeld dat het verantwoordelijke ministerie hiervoor te beheren heeft. De machtsverhoudingen tussen de verschillende ministers staan immers op het spel. 

Veel donoren verwijten het gebrek aan succes bij de staatsopbouw aan de gebrekkige uitvoering. Maar er lijkt ook wat mis met de fundamenten van het denken over staatsopbouw. Het van buitenaf steunen van staatsopbouw draagt inherente spanningen in zich. De sterke internationale rol in het brengen van veiligheid en ontwikkeling en bijbehorende afhankelijkheid van buitenlandse troepen en ontwikkelingshulp ondermijnen de fundamenten van de Afghaanse democratie.[19] De counter-terrorismoperatie staat op gespannen voet met de opbouw van een sterke centrale staat en de internationale aanwezigheid holt de capaciteit van de Afghaanse overheid uit.

Obstakels
De buitenlandse gemeenschap kiest voor het opbouwen van fragiele staten, omdat dat gezien wordt als voorwaarde voor duurzame ontwikkeling en vrede en voor de internationale veiligheid. De huidige poging tot het opbouwen van de Afghaanse staat gaat gepaard met patrimoniaal bestuur, verdeel-en-heerspraktijken en groeiende oppositie tegen serieuze hervormingen. Dus is het de vraag of staatsopbouw wel helpt bij ontwikkeling en veiligheid. De crises in de opbouw van de Afghaanse staat vertonen veel overeenkomsten met eerdere mislukte pogingen tot het creëren van een moderne Afghaanse staat naar westers model. Betekent dit dat staatsopbouw gedoemd is te mislukken? 

Drie factoren staan het creëren van een moderne Afghaanse staat nog steeds in de weg. Ten eerste zijn er, zolang externe financiering voorhanden is, weinig redenen om een binnenlandse economische basis te stimuleren. De externe financiering zal vooral worden ingezet om het patrimoniaal bestuur te versterken. Het nationale budget als spil in de relatie tussen staat en samenleving zou dan ook meer aandacht verdienen. Donoren richten zich, van nature, meer op het uitgeven dan het collecteren van geld. 

Terwijl in- en uitvoerheffingen naar schatting de totale inkomsten van de Afghaanse overheid tenminste zouden kunnen verdubbelen, heeft zij de aanwezige internationale troepen tot dusver niet bereid gevonden tegenwicht te bieden aan de krijgsheren die nu de grensovergangen controleren.[20] Het innen van belastingen, als een centraal aspect van staatsvorming, zal zolang donoren de staatskas spekken geen prioriteit krijgen. Deze afhankelijkheid van donoren is de achilleshiel van het staatsopbouwproject. 

Ten tweede is het dominante beeld van het geweld in Afghanistan een dichotome strijd tussen de Afghaanse overheid (gesteund door ISAF) en 'de' Taliban. Dit mediabeeld staat in scherp contrast met conflictanalyses die aangeven dat een groot deel van de gevechten niets met het omvergooien van de centrale overheid te maken hebben.[21] Op lokaal niveau speelt toegang tot land, grondstoffen, overheidsmiddelen en internationale markten een belangrijke rol. Wie deze toegang controleert, heeft macht. In dergelijke lokale conflicten worden soms strategische allianties gesmeed met andere partijen, zoals de Taliban. Dit betekent ook dat het niet klopt dat een groot deel van de rurale bevolking achter de Taliban staat en dus tegen de regering is. In de periferie zou de Afghaanse regering nog een hoop steun kunnen winnen met concrete sociaal-economische verbeteringen en een duidelijk antwoord op prangende vragen rondom de internationale aanwezigheid en de rol van religie in de samenleving.[22] Maar de externe hulp concentreert zich in de voor buitenlanders beter toegankelijke steden en de 'technische' investering in de overheid is meer gebaseerd op een Westerse 'modelstaat', dan de Afghaanse werkelijkheid. Zo blijven verdeel-en-heerspraktijk en de relatie tussen het centrum en de periferie domineren. 

Ten derde zijn de door het Westen ingegeven speerpunten, zoals de jacht op Osama bin Laden, de bijbehorende burgerslachtoffers, de strijd tegen het verbouwen van papaver, maar ook het staatsopbouwproject, contraproductief zolang dit geen Afghaanse speerpunten zijn. De internationale aanwezigheid verstomt het Afghaanse debat over hoe de staat eruit zou moeten zien en jaagt tegenstanders van deze speerpunten in de armen van het verzet dat tegen de buitenlandse troepen strijdt. 

Het einde van staatsvorming in Afghanistan is daarom nog niet in zicht. De huidige internationale steun zal weinig resultaat boeken. Zolang de verleiding van de allocatiestaat en de achilleshiel van externe steun niet erkend worden, zal een intensivering van deze steun alleen maar leiden tot meer patrimonialisme, conflict en oppositie tegen de internationale aanwezigheid. 

Bertine Kamphuis doceerde op het moment van publicatie van dit artikel aan de Universiteit van Amsterdam en deed in het kader van het EU-gefinancierde onderzoeksproject MULTIPART onderzoek naar sociaal-economische wederopbouw in Afghanistan. Zij was in 2007/8 als onderzoeker werkzaam in Afghanistan. De auteur bedankt Jain Holsheimer voor zijn waardevolle commentaar op de conceptversie.

Noten
1. Barnett R. Rubin, The Fragmentation of Afghanistan: State Formation and Collapse in the International System, New Haven, London, 2002 (tweede editie), pag. XXXI. De toenadering tussen de Noordelijke Alliantie en de koningsgezinden, waar de Amerikanen op gehoopt hadden, kwam dan ook niet tot stand. Sterker nog, de zwakke allianties leken uiteen te vallen. 
2. Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken, Veiligheid en ontwikkeling in fragielestaten: Strategie voor de Nederlandse inzet 2008-11, november 2008, pag. 3. 
3. Barakat et al., A Strategic Conflict Assessment of Afghanistan, York, november 2008, pag. 29. 
4. Antonio Giustozzi, Afghanistan: Transition without End: An Analytical Narrative on State-Making, Crisis States Working Papers Series 2, nr. 40, Londen, 2008, pag. 1. 
5. Barnett R. Rubin, 2002, pag. 49.
6. Ibid., pag. 51.
7. Astri Suhrke, 'Reconstruction as Modernisation: the 'post-conflict' project in Afghanistan', Third World Quarterly 28, nr. 7, 2007, pag. 1295. 
8. Barnett R. Rubin, 2002, pag. 55-56; Antonio Giustozzi, 2008, pag. 6. 
9. Ibid., 2002,pag.65.
10. Antonio Giustozzi, 2008, pag. 17.
11. Ibid., 2008, pag. 25.
12. Barnett R. Rubin, 2002, pag. 15.
13. Astri Suhrke, 2007, pag. 1296. 
14. Agreement on Provisional Arrangements in Afghanistan Pending the Re-establishment of Permanent Government Institutions, Bonn, 5 december 2001. Op 6 december 2001 trok de Taliban zich terug uit Kandahar. 
15. Simon Chesterman, Tiptoeing through Afghanistan: The Future of UN State-Building, NewYork, september 2002, pag. 3-6. 
16. Lakhdar Brahimi, interview met Simon Chesterman, Kabul, 9 mei 2002. Geciteerd in: Simon Chesterman, You, the People. The United Nations, Transitional Administration, and State-Building, Oxford/New York, 2004, pag. 90. 
17. Anne Evans, Nick Manning, Yasin Osmani, Anne Tully en Andrew Wilder, A Guide to Government in Afghanistan, Washington,D.C./ Kabul, 2004, pag.38.
18. Sarah Lister, Understanding State-Building and Local Government in Afghanistan, Crisis States research CentreWorking Paper (series 2), nr. 14, Londen, mei 2007, pag.7-8 
19. Astri Suhrke, 'Democratizing a Dependent State: The Case of Afghanistan'. Democratization 15, nr. 3, 2008, pag. 631. 
20. Ashraf Ghani, Clare Lockhart, Nargis Nehan, en Baqer Massoud, 'The Budget as the Linchpin of the State: Lessons from Afghanistan', in James K. Boyceen Madalene O'Donnell (red.), Peace and the Public Purse: Economic Policies for Post-war Statebuilding, Boulder, 2007, 169-170. 
21. Barakatet al., november 2008, pag. 50-53. 
22. Sébastien Peones,'L'insurrection Talibane: guerre économique ou idéologique?' Politique étrangère 2, zomer 2008, pag. 345-358.