Zicht op een verboden stad


Zicht op een verboden stad

George Krugers tijdens een filmopname. Bron: Familiearchief Krugers, Universiteitsbibliotheek Leiden

Iedereen kent de bewegende beelden van moslims uit alle delen van de wereld die de Kaäba omcirkelen. Honderd jaar geleden was bewegend beeld uit Mekka, de heiligste stad van de islam, in Nederland vrijwel niet voorhanden. Pas in 1928, toen de filmmaker George Krugers (1890-1964) vergezeld door moslims uit Nederlands-Indië naar Mekka vertrok, werd de islamitische pelgrimstocht voor het eerst door een Nederlander gefilmd. Na zijn terugkomst maakte hij van zijn filmmateriaal een documentaire die in hetzelfde najaar in Nederland werd vertoond. In dit artikel onderzoekt Rukayyah Reichling de productieomstandigheden en ontvangst van dit baanbrekende filmwerk dat de koloniale realiteit van de islamitische bedevaart in de jaren twintig van de vorige eeuw in beeld brengt.[1]

Gepubliceerd op 14 augustus 2021

Volgens het islamitische geloof ontving de profeet Mohammed de openbaring dat de heilige stad Mekka gesloten moest zijn voor niet-moslims. Eeuwenlang konden mensen in Europa met andere geloofsovertuigingen zich alleen aan de hand van islamitische reisverslagen, berichten van een beperkt aantal christelijke indringers en de schaarse tekeningen van de Kaäba die in omloop waren, een beeld vormen van Mekka, de geboorteplaats van de Profeet en voor moslims de heiligste plek op aarde. Nieuwe uitvindingen tijdens de negentiende eeuw brachten enorme veranderingen teweeg in de islamitische wereld en beïnvloedden ook het religieuze leven, met name de hadj. Met de opkomst van het stoomschip en de locomotief konden islamitische pelgrims sneller en veiliger dan ooit Mekka binnenstromen. Hierdoor nam het aantal islamitische pelgrims toe. Deze ontwikkelingen veroorzaakten in Europese koloniale kringen in toenemende mate bezorgdheid voor eventuele pan-islamistische en antikoloniale bewegingen, die door de ontmoetingen van pelgrims uit verschillende islamitische gebieden konden ontstaan. 

Voorbereidingen voor het Offerfeest op het Arabisch Schiereiland. Bron: EYE Filmmuseum
Voorbereidingen voor het Offerfeest op het Arabisch Schiereiland. Bron: EYE Filmmuseum

De koloniale machten achtten het noodzakelijk om hun controle over de heilige plaatsen aan te scherpen en verwelkomden nieuwe communicatietechnologieën – in eerste instantie fotografie – om het Midden-Oosten zo levensecht en authentiek mogelijk vast te leggen. Hoewel van het heilige land Palestina al in 1839 foto’s werden genomen, in het jaar dat het daguerreotype in Parijs op de markt kwam, deed het fototoestel pas vier decennia later zijn intrede in Mekka. In 1880 nam de Egyptische generaal Muhammad Sadiq Bey (1832-1902) als eerste foto’s van de heilige stad, de pelgrims en de mahmal (gedecoreerde draagstoel die als symbool van politieke macht werd meegedragen in de Egyptische hadj-karavaan). In 1885 werd hij opgevolgd door de Nederlandse Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936), die pro forma tot de islam was overgegaan en, in samenwerking met de Mekkaanse dokter Al-Sayyid Abd al-Ghaffar, pelgrims uit alle windrichtingen vroeg om voor zijn fototoestel te poseren.[2] Naast de fotografie ontwikkelde de film zich korte tijd later tot een interessante techniek die de hadj-ervaring in een nog omvangrijkere mate dan stilstaand beeld kon vatten. Op het gebied van filmmateriaal over Mekka gaf opnieuw een Nederlander de toon aan. 

George Krugers: een carrière als filmmaker 
De eerste persoon die een volledige film over Mekka vervaardigde was George Krugers (1890-1964), geboren in 1890 op Banda Neira, een eiland in Nederlands-Indië, als zoon van een Nederlandse familie. Als cameraman en technicus was hij betrokken bij de productie van de eerste twee succesvolle speelfilms in Nederlands-Indië – Loetoeng Kasaroeng (1926) en Eulis Atjih (1927) – die door de Java Film Company werden uitgebracht. Gemotiveerd door de positieve waardering die hij voor zijn werken ontving, verliet hij de Java Film Company en vestigde hij zich als zelfstandig filmmaker onder de naam Krugers Filmbedrijf. 

Het eerste project dat Krugers met zijn eenmansbedrijf startte was een documentaire over de pelgrimstocht naar Mekka. Bij dit project speelde zijn persoonlijk netwerk een belangrijke rol. Zijn vrouw onderhield goede banden met de scheepvaartmaatschappijen, die onder andere de jaarlijkse pelgrimsreizen voor moslims uit de archipel organiseerden. Het is daarom niet uit te sluiten dat Krugers een gratis ticket voor zijn reis van Nederlands-Indië naar de Rode Zeegebieden ontving. Zonder deze kruiwagen was Krugers waarschijnlijk nooit in staat geweest om zijn filmproject te realiseren. Voordat Krugers op 3 februari 1928 gewapend met zijn Howe & Bell-camera de reis aan boord van de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd aanving, informeerde hij zich grondig over de plechtigheden van de hadj. Om wantrouwen als filmmaker en niet-moslim in de heilige steden Mekka en Medina te voorkomen, liet hij zich – zoals de islamitische wet het een man voorschrijft – besnijden. Dit doet vermoeden dat hij net als Snouck Hurgronje, zijn Nederlandse voorganger in Mekka, ook tijdelijk formeel overging tot de islam door het uitspreken van de geloofsbelijdenis en het aannemen van een islamitische naam.

George Krugers tijdens een filmopname. Bron: Familiearchief Krugers, Universiteitsbibliotheek LeidenGeorge Krugers tijdens een filmopname. Bron: Familiearchief Krugers, Universiteitsbibliotheek Leiden

Na een verblijf van bijna een half jaar keerde Krugers op 8 juli 1928 met het filmmateriaal behouden terug van zijn pelgrimsen filmtocht. In korte tijd creëerde hij een documentaire uit zijn primaire opnames. Het Groote Mekka-Feest, zoals hij zijn film noemde, was het laatste succesvolle werk van zijn carrière als filmmaker. Enkele daaropvolgende mislukkingen verplichtten hem zijn bedrijf bankroet te verklaren, wat zijn familie toeschreef aan zwarte magie, als gevolg van het filmen van de ‘verboden stad Mekka’ als niet-moslim.[3] 

Een koloniale blik op de pelgrimstocht 
De documentaire die uit Krugers’ reis naar Mekka resulteerde, duurt iets meer dan een uur en bestaat uit vier akten die, op enkele uitzonderingen na, het chronologische verloop van de bedevaart volgen. In de eerste scène van de eerste akte uit de film boeken enkele mannen – wellicht acteurs – de pelgrimstocht naar Mekka bij een lokaal reisbureau. Begeleid door andere moslims reizen ze met de trein van Bandung naar de haven van Tandjong-Priok, waar ze aan boord gaan van het Nederlandse stoomschip. Het schip haalt meer pelgrims op en doorkruist vervolgens de Indische Oceaan en de Rode Zee om na een tocht van drie weken in Jeddah, ook bekend als ‘haven van Mekka’, aan te komen. De tweede akte geeft zicht op verschillende facetten van het leven in de kosmopolitische havenstad Jeddah. Het toont ambassades van de stad, haar bewoners, marktplaatsen en buitenwijken. Kamelen worden voorbereid voor de tocht door de woestijn in de richting van het grootste heiligdom. De eerste beelden van Mekka – enkele steegjes, de Zamzam-bron, een lokale school en, het meest belangrijke, de Kaäba – worden aan het einde van de akte getoond. 

De tweede helft van de film begint met een korte episode waarbij de bedoeïenenvorst Ibn Saoed per auto – een absolute bijzonderheid in de jaren twintig op het Arabisch Schiereiland – in Mekka aankomt en behoorlijk indruk maakt op het publiek.[4] Krugers’ camera volgt verder de pelgrims en laat zien hoe zij aan hun religieuze verplichtingen voldoen zoals het vrijdagsgebed, de tawaf (het lopen van zeven rondes om de Kaäba als handeling van aanbidding), de rituele sa‘i – loop tussen de heuvels Marwa en Safa –, en de slacht van offerdieren. Krugers toont ook hoe de pelgrims naar Medina, de stad van de profeet Mohammed, vertrekken en bij het plein van Arafat de tenten opslaan. De vierde en laatste akte laat de aanbevolen overnachting bij Moezdalifa, een gebied in het noordwesten van Arafat, en het daaropvolgende bezoek aan Mina voor de symbolische steniging van de duivel zien. Na een afscheidsbezoek in Mekka is de bedevaart voltooid en kunnen de moslims van Nederlands-Indië hun bootreis huiswaarts aanvangen. De documentaire eindigt met het overweldigende onthaal van de pelgrims, die nu de eervolle titel van hadji of hadja dragen, in hun thuishavens. 

Karavaan van pelgrims. Bron: Familiearchief Krugers, Universiteitsbibliotheek Leiden
Karavaan van pelgrims. Bron: Familiearchief Krugers, Universiteitsbibliotheek Leiden

De film is, als kind van zijn tijd, volledig zwart-wit en zonder geluid. Om het verhaal van de pelgrimstocht niettemin te kaderen, voorzag Krugers het filmmateriaal van 113 ondertitels. In het Nederlands – de taal van de kolonisator – leiden deze het publiek door de pelgrimstocht. Ze geven extra informatie over bijvoorbeeld de lengte en prijs van de scheepsreis, ze duiden de namen van de plaatsen aan en lichten enkele islamitische rituelen tijdens de hadj toe. Soms is de ondertiteling ook ingezet om tekortkomingen in gebrek aan kleur en geluid te verhelpen. Opvallend daarbij is dat Krugers in zijn schriftelijk commentaar enkele aspecten van de bedevaart benadrukt, terwijl hij andere rituelen negeert. 

De titel van de film, Het Groote Mekka-Feest, is een onmiskenbare verwijzing naar Snouck Hurgronje, die in 1880 promoveerde op een proefschrift getiteld Het Mekkaansche Feest.[5] Na zijn studies en Mekka-reis werd Snouck Hurgronje adviseur van het koloniale bestuur in Nederlands-Indië. Als belangrijk figuur in dit netwerk liet hij ogenschijnlijk een stempel achter op Krugers, die zich naast zijn filmproject zoals zijn voorganger ook met fotografie op het Arabisch Schiereiland bezighield. Beide mannen waren onmiskenbaar thuis in het imperiale netwerk dat Nederland, Nederlands-Indië en Jeddah nauw met elkaar verbond. Krugers’ positie in dit politieke netwerk wordt in verschillende scènes van de film duidelijk. Herhaaldelijk benadrukken zijn beelden het belang van het Nederlandse toezicht op de hadj, zoals de mise-en-scène van Daniel van der Meulen (1894-1989), de Nederlandse consul van Jeddah, wiens onbescheiden optreden aan het eind van de film de verticale machtsverhouding tussen organisatoren van de hadj, met name de Nederlandse kolonisatoren, en de pelgrims, de onderdanen uit de Nederlands-Indische kolonie, onderstreept. 

Ontvangst van de hadj-documentaire in Nederland 
Als man van ambitieus karakter streefde Krugers naar erkenning van zijn werk in het Westen. Op 12 september 1928 vertrok hij met zijn gezin van Bandung naar Amsterdam, waar hij zich voorbereidde op de presentatie van zijn documentaire. De eerste vertoning van zijn film in Nederland werd gepland op 8 november 1928 in de foyer van de Stadsgehoorzaal te Leiden.[6] Het werd een rodeloperevenement dat een aristocratisch publiek aantrok. Een dag na de filmvertoning verkondigde het nieuwsblad De Tijd dat ‘een groot aantal hoogleraren en afgevaardigden van studentencorporaties’ alsook de 19 jaar oude prinses Juliana met haar studiegenoten aanwezig waren.[7] In een nog euforischer toon berichtte hetzelfde nieuwsblad twee weken later dat de film ‘[b]ijna alle professoren van de universiteit hierbij vergezeld van hunne familie (...), benevens eenige honderden studenten’[8] trok. Een andere krantenbron vermeldde dat naast de universiteitsleden ook ambtenaren van de koloniale dienst en vertegenwoordigers van de stoomvaartmaatschappijen bij deze filmvertoningen aanwezig waren.[9] 

Naast prinses Juliana was Snouck Hurgronje, de inmiddels 71-jarige hoogleraar Arabisch, voor Krugers ongetwijfeld de belangrijkste gast tijdens de eerste vertoning. Na zijn aanzienlijke diplomatieke en academische carrière in dienst van de Nederlandse overheid, genoot Snouck Hurgronje een gevestigde reputatie als kenner van de islam. Levenslang bleef hij een belangrijke adviseur voor alle vragen over Nederlands-Indië, inclusief de pelgrimstocht. Op basis van zijn eigen kennis van Mekka werd hij als deskundige benaderd om de inleidende lezing voor de film te geven. Sommige persbureaus richtten bijzondere aandacht op Snouck Hurgronjes aanwezigheid door zijn naam in een speciaal lettertype te laten printen.[10] Met oog op Snouck Hurgronjes eigen fotografische en fonografische ondernemingen op het Arabisch Schiereiland werd hij beschouwd als Krugers’ voorloper betreffende het gebruik van nieuwe media in Mekka en als ‘enige die bevoegd is, om over de culturele en technische waarde van dit geweldige filmwerk te kunnen oordelen’.[11] 

Pelgrims uit Nederlands-Indië aan boord van de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd. Bron: EYE FilmmuseumPelgrims uit Nederlands-Indië aan boord van de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd. Bron: EYE Filmmuseum

In de recensies werd verder het belang van de koloniale controle benadrukt en de rol die het consulaat in Jeddah daarbij speelde.[12] Ook het hygiënische aspect stond hierbij centraal: ‘[De pelgrims] krijgen allen een drievoudige inenting tegen de verschillende ziekten, terwijl alle mogelijke bepalingen ter bevordering der hygiëne zijn getroffen.’[13] Een ander onderwerp dat herhaaldelijk terugkeert in de krantenartikelen betreft de discussie over de pre-islamitische rituelen van de pelgrimage. Zo schrijft een journalist ‘het feest omvat resten van steenendienst, van ommegangen, en van wedlopen, thans Mohammedaansch getint’.[14] De film zelf legt weinig bloot van de pre-islamitische gebruiken. Deze informatie uit de kranten weerspiegelt ogenschijnlijk de mondelinge inleiding van Snouck Hurgronje, die op dit onderwerp was gepromoveerd. 

In het algemeen werd Het Groote Mekka-Feest in 1928 zeer positief ontvangen. De film werd vooral gewaardeerd omdat ‘het gemaakt is in het brandpunt van den islam, waar het verboden is te fotografeeren, laat staan te filmen en waar geen Westerling “ongeloovige” mag verblijven.’[15] Steeds opnieuw werd het verboden karakter van Mekka genoemd als datgene wat de waarde van de film bepaalde en alle kritiek – zoals ‘de zwakke, vaak onrustige lamp’, ‘het overtollige’, en de ‘langdradige herhalingen’[16] – teniet deed. Zo schreef Het Vaderland: ‘Natuurlijk vallen hier geen filmische kwaliteiten te roemen, toch men kan niet te veel verlangen, wanneer men de gevaren rekent, waarmee de heer Krugers te kampen had. Bij ontdekking waren zeer zeker de doodstraf gevolgd.’[17] 

Een cadeau voor de koningin 
Krugers vertrouwde op een grote toekomst voor zijn buitengewoon originele filmproject. Hij uitte de wens om zijn documentaire bij de Internationale Koloniale Tentoonstelling in Parijs te presenteren. Dit toont zijn hoop op internationale interesse in bewegend beeld van Mekka. De film leverde echter niet het resultaat op dat Krugers gewenst had: zijn werk werd slechts enkele keren in Nederland en Londen getoond en raakte nog vóór de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog in vergetelheid. 

Het Groote Mekka-Feest biedt ons waardevolle historische inzichten in het koloniale karakter van de Nederlands-Indische bedevaart naar Mekka in de jaren twintig van de vorige eeuw. De film brengt in beeld hoezeer de hadj van pelgrims uit Nederlands-Indië in handen was van de koloniale heerser, met name de scheepvaartunie, ambassade en lokale politieke figuren. Ook het aristocratische doelpubliek verwijst naar de koloniale context waarin de hadj en de productie van de film ingebed waren. Bovendien is de film het enige bewijsstuk van Krugers’ avant-gardecarrière als cameraman. Alle andere werken gingen in 1935 verloren, toen hij na een mislukte samenwerking met een Chinese entrepreneur een reis naar Hongkong abrupt moest afbreken en genoodzaakt was zijn volledige filmwerk en -uitrusting achter te laten. De nitraatfilmrollen van Mekka had Krugers echter in Nederland bewaard, als cadeau voor de toekomstige koningin van Nederland.[18] 

Rukayyah Reichling is promovenda aan de Universiteit van Amsterdam en maakt deel uit van het onderzoeksproject MIDA (Mediating Islam in the Digital Age). Dit project richt zich op de vraag in welke mate de opkomst van moderne media, in het heden en verleden, een nieuw gezicht geeft aan de islam. Binnen het kader van dit project bestudeert Reichling de introductie van nieuwe communicatiemiddelen in Mekka tijdens de late koloniale periode. 

Noten
[1] Dit onderzoek werd uitgevoerd in het kader van het Europese onderzoeksproject MIDA (Mediating Islam in the Digital Age). Met dank aan de European Research Council voor het financieren van dit Innovative Training Network (N°813547). Hartelijke dank ook aan mijn promotor prof. dr. Gerard Wiegers voor zijn waardevolle advies tijdens het onderzoeks- en schrijfproces, en aan Maryam van der Waa en Yunis Aways voor hun behulpzame commentaren op eerdere versies van dit artikel.
[2] Durkje van der Wal, Christiaan Snouck Hurgronje: The First Western Photographer in Mecca, 1884-1885 (Amsterdam: Rijksmuseum Studies in Photography, 2009).
[3] Informatie in dit gedeelte alsook afbeeldingen 2 en 3 stammen uit het familiearchief van Krugers te vinden in de Bijzondere Collectie van de Universiteit Leiden (Or. 27.021). Afbeeldingen 1 (FOT 54038) en 4 (FOT 54043) zijn afkomstig van het EYE Filmmuseum.
[4] In een interview met de derde en jongste zoon van de filmmaker stelt deze dat zijn vader ook een beroep deed op de steun van Ibn Saoed. Met veel dank aan dr. Jan Krugers voor het uitgebreide gesprek over het werk van zijn vader, dat plaatsvond op 25 juli 2020.
[5] Christiaan Snouck Hurgronje, Het Mekkaansche Feest (Leiden: Brill, 1880).
[6] Het Vaderland: staat- en letterkundig nieuwsblad, 9 november 1928.
[7] De Tijd: godsdienstig-staatkundig dagblad, 9 november 1928.
[8] De Tijd, 23 november 1928
[9] Het Vaderland, 9 november 1928.
[10] Het Vaderland, 9 november 1928.
[11] De Tijd, 23 november 1928.
[12] De Telegraaf, 17 december 1928; Algemeen handelsblad voor Nederlandsch-Indië, 16 januari 1929.
[13] Het Vaderland, 9 november 1928.
[14] De Telegraaf, 17 december 1928; Algemeen handelsblad voor Nederlandsch-Indië, 16 januari 1929.
[15] De Tijd, 23 november 1928.
[16] Bataviaasch nieuwsblad, 30 oktober 1929.
[17] Het Vaderland, 28 februari 1931.
[18] Na Krugers’ dood vond zijn toenmalige vrouw Elisabeth Schut de nitraatrollen terug en deed deze over aan het Historisch Filmarchief, ondertussen bekend als EYE Filmmuseum, waar de originele filmrollen onder het identificatienummer FLM26102 geconserveerd worden. Gedigitaliseerde versies van de film zijn online beschikbaar. Dr. Jan Krugers beschikt over de auteursrechten van de film.