Als diplomaat in ruste vertelt Van Dam zijn kant van het verhaal (recensie)


Als diplomaat in ruste vertelt Van Dam zijn kant van het verhaal (recensie)

Nikolaos van Dam
Granaten en minaretten. Een diplomaat op zoek naar vrede in de Arabische en islamitische wereld
Prometheus, 2020
320 p. € 29,99

Gepubliceerd op 12 juni 2021

Granaten en minaretten - Nikolaos van Dam

In Granaten en minaretten doet Nikolaos van Dam verslag van zijn boeiende loopbaan als diplomaat. Het boek geeft een interessante inkijk in de diplomatieke keuken van Den Haag. Van Dam geeft inzicht in het Midden-Oostenbeleid en de interne strijd die dit soms bij hem, als diplomaat en wetenschapper, opleverde. Een diplomaat in actieve dienst moet dienstbaar zijn aan de Nederlandse regering. Het lijkt Van Dams opzet om als diplomaat in ruste met dit boek ook zijn kant van het verhaal te willen vertellen. 

In zijn voorwoord schrijft de auteur dat het weliswaar geen autobiografie is, maar dat het boek wel het karakter van memoires heeft. Het grootste gedeelte van het boek beslaat een chronologische verhandeling over de carrière van Van Dam, met persoonlijke memoires in de vorm van (soms wat eclectische) anekdotes. Pas in de laatste twee hoofdstukken schrijft hij ook analyses en betogen over onder meer het Nederlandse en Europese Midden-Oostenbeleid, het Syrische conflict en het Palestijns-Israëlisch conflict. 

Diplomatieke loopbaan
Na promotieonderzoek over het Syrische politieke systeem onder de Baath-partij van Hafez al-Assad aan de Universiteit van Amsterdam, ging de arabist en politicoloog Van Dam in 1975 aan de slag bij het ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag. Zijn tijd bij BZ omschrijft hij als een aantrekkelijke combinatie van wetenschap en ervaring in de praktijk, of een soort ‘diplomatiek veldwerk’. 

Na enige jaren in Den Haag bij het Bureau Midden-Oosten kreeg hij in 1980 zijn eerste buitenlandplaatsing in Libanon. Dit was destijds een echte hardship post vanwege de burgeroorlog die er al vijf jaar woedde en de Israëlische invasie van Libanon in 1982, waardoor niet alleen de ambassade in Beiroet werd gesloten maar ook Van Dams woning in Beiroet werd getroffen door Israëlische bombardementen. Na een korte periode op de ambassade in Libië, werd Van Dam in 1988 als ambassadeur aangesteld in Bagdad. Ook dit was een bewogen post: het waren de nadagen van de Irak-Iran-oorlog, de Iraakse bezetting van Koeweit en de daaropvolgende gijzeling van Nederlanders door Irak. Na Bagdad volgde in 1991 de ‘droompost voor iedere arabist’ (p. 11): Caïro, gevolgd door Ankara en Duitsland. 

Zijn laatste reguliere ambassadeurspost was in Jakarta (2005 tot 2010). Toen hij in 2008 - in het Indonesisch - excuses maakte voor de oorlogsmisdaden die waren begaan door Nederlandse militairen in de koloniale tijd, ondervond Van Dam sterke weerstand vanuit Den Haag (‘het porselein vloog tegen de muur’, p. 182). Dit, hoewel hij in Berlijn juist gewend was geraakt aan de Duitse excuses voor misdaden begaan in de Tweede Wereldoorlog. Na Indonesië ging Van Dam enige jaren met pensioen.

Speciale Gezant voor Syrië
Na het uitbreken van het Syrische conflict ging Van Dam in 2015 weer aan de slag als Nederlandse Speciale Gezant voor Syrië. Zijn wens om de ambassadeurspost in Damascus te bekleden is weliswaar nooit gerealiseerd, maar als Speciaal Gezant (vanuit Istanbul) kon hij zijn expertise over Syrië alsnog ruimschoots inzetten. Hij voerde niet alleen gesprekken met civiele oppositiegroepen, maar ook met leiders van een paar Syrische militaire oppositiegroepen. Deze gesprekken gingen over de later in opspraak geraakte ‘niet-lethale’ hulp: in de periode 2015-2018 verstrekte de Nederlandse regering niet-gewapende steun aan enkele van deze groepen, voor een belangrijk deel als onderdeel van de strijd tegen Islamitische Staat (IS) en Al Qaida. Felle debatten in de Tweede Kamer en ophef in de media leidden ertoe dat deze hulp in 2018 werd stopgezet. 

Van Dam stelt dat Nederlandse steun in een buitenlands conflict nooit zonder risico’s is, zeker niet in het Syrische conflict waar de vele strijdende partijen en allianties continu aan verandering onderhevig zijn. Het verslaan van IS en Al Qaida was volgens critici van niet-lethale hulp weliswaar een belangrijk politiek doel maar dan, aldus Van Dam, het liefst zonder dat Nederland vuile handen maakt. Dat wordt bij voorkeur aan haar bondgenoten overgelaten, concludeert Van Dam. 

De vergelijking met het huidige politieke standpunt over Nederlandse vrouwen en kinderen in voormalig IS-gebied dringt zich hier op: Nederland weigert deze Nederlandse burgers uit de door Koerden bewaakte kampen in Noord-Oost Syrië te halen. In dit geval zadelt Nederland de Koerden op met ‘ons’ probleem van de naar IS-gebied uitgereisde vrouwen en kinderen, die daar in erbarmelijke omstandigheden verkeren. De Koerden hebben Nederland en andere landen herhaaldelijk opgeroepen deze vrouwen en kinderen op te komen halen, maar het ontbrak Nederland lange tijd aan politieke wil om ze te repatriëren. Begin juni is dan toch een Syriëgangster met drie kinderen opgehaald – de vraag is of er meer zullen volgen. 

Dialoog
Van Dam laat zich kritisch uit over buitenlandse (of eigenlijk: westerse) interventies of bemoeienissen in het Midden-Oosten en pleit voor meer dialoog in plaats van militaire interventies. Volgens Van Dam is ‘een mislukte dialoog … beter dan een mislukte oorlog’ (p. 296). Door gebrek aan kennis of inzicht, of door wensdenken en de (binnenlandse) politieke waan van de dag, heeft het Westen te weinig oog voor de ‘harde realiteiten in de Arabische wereld’ (p. 297) en daarom ontbreekt het aan een weldoordachte, realistische langetermijnpolitiek. 

In relatie tot het Syrische conflict betoogt Van Dam dat Westerse overheden, maar ook de Syrische oppositie, een verkeerde keuze hebben gemaakt door een dialoog met president Assad vanaf het begin van het conflict pertinent uit te sluiten. De ethische, ‘politiek correcte’ benadering, in plaats van een meer pragmatische, resultaatgerichte houding, was volgens Van Dam een garantie voor mislukking, met als gevolg een half miljoen doden, vele miljoenen ontheemden en vluchtelingen en het land in puin. Van Dam is van mening dat, en helaas moet ik dat onderschrijven, de internationale gemeenschap volledig heeft gefaald ten aanzien van Syrië. 

Een duidelijke mening
Het is duidelijk dat Van Dam en Den Haag er, zeker ten aanzien van het Midden-Oostenbeleid, niet altijd dezelfde mening op nahielden. Over de Amerikaans-Britse bezetting van Irak zegt hij: ‘Een analyse van de situatie was niet toegestaan, naar ik aanneem omdat mijn inzichten nogal afweken van het kritiekloze pro-Amerikaanse beleid dat destijds werd gevolgd’ (p. 157). Vanwege de pro-Israëlische opstelling van de Nederlandse regering moest hij, vooral aan het begin van zijn carrière, regelmatig alle diplomatieke registers opentrekken om, ondanks de soms ijzige en stugge houding van zijn Arabische gesprekspartners, het gesprek goed te laten verlopen. 

Over het Palestijns-Israëlisch conflict heeft hij een duidelijke mening. Van Dam vraagt zich terecht af hoe enerzijds Nederland zich graag trots op de borst slaat met Den Haag als internationale stad van vrede en recht, maar anderzijds de door Israël gepleegde schendingen van het humanitair oorlogsrecht en mensenrechten blijft gedogen. 

In zijn epiloog maakt Van Dam de balans op van het recente Midden-Oostenbeleid. De balans is helaas weinig hoopgevend, maar toont wel dat experts als Van Dam met gedegen kennis van de geschiedenis, talen, gevoeligheden en complexiteiten van het Midden-Oosten, maar ook met passie en oprechte interesse voor de regio en haar inwoners, onmisbaar zijn.

Dr. mr. Esther van Eijk is zelfstandig onderzoeker en adviseur (Van Eijk Research & Consultancy). Haar expertise betreft de MENA-regio in het algemeen en Syrië in het bijzonder, familierecht, ‘legal identity and civil documentation’ en vermiste personen. Tot haar opdrachtgevers behoren organisaties als de Norwegian Refugee Council, de International Committee on Missing Persons, en het Ministerie van Buitenlandse Zaken.