ZemZem kijkt Movies That Matter: De nos frères blessés


ZemZem kijkt Movies That Matter: 'De nos frères blessés'

Gepubliceerd op 22 april 2021

" "

Foto: Movies that Matter

In 2016 werd de prestigieuze literaire Prix du Goncourt voor een eerste roman toegekend aan Joseph Andras, voor zijn roman De nos frères blessés. Andras weigerde de prijs, omdat hij het niet eens is met het competitieve systeem waarin schrijvers met elkaar concurreren en hij graag zijn onafhankelijkheid als schrijver wil bewaken. Goed mogelijk dat de hoofdpersoon van zijn boek hier waardering voor zou hebben gehad. Fernand Iveton was een communistische arbeider uit Algiers, die als enige Fransman tot de guillotine veroordeeld werd voor zijn deelname aan de gewapende strijd voor de bevrijding van Algerije. Hij heeft echt bestaan.

Algerije maakte van 1830 tot 1962 deel uit van Frankrijk, maar alleen Europeanen (en joden) konden de Franse nationaliteit krijgen. Europeanen, want hoewel het deel uitmaakte van l’empire français, huisvestte de kolonie veel Maltezen, Spanjaarden en Italianen, die de armoede in hun land waren ontvlucht en aan de zuidkant van de Middellandse Zee op zoek waren gegaan naar een beter bestaan. De strijd om de onafhankelijkheid van Algerije is dan ook vaak beschreven als een strijd tussen Europeanen en moslims. Dat dit soms net iets genuanceerder lag is waarschijnlijk een van de dingen die Andras heeft willen aantonen met zijn boek.

De film met de gelijknamige titel verscheen vorig jaar en werd geregisseerd door de Fransman Hélier Cisterne, die hiermee zijn tweede lange film maakte. Behalve voor Fernand Iveton is er een hoofdrol weggelegd voor zijn vrouw, Hélène Iveton-Kziasek. De nos frères blessés zou je kunnen vertalen als ‘Over onze gewonde broeders’, maar de Engelstalige titel van de film is My traitor my love, en die is misschien wel toepasselijker. De basis voor de film wordt namelijk gevormd door het liefdesverhaal van Hélène en Fernand, dat wordt afgewisseld met sprongen vooruit in de tijd naar grimmigere scenes waarin activisten discussiëren over de strijd die gevoerd moet worden, Fernand gewapende acties voorbereidt en vervolgens gevangengenomen, gemarteld en terechtgesteld wordt.

Hélène ontmoet Fernand als hij voor een poosje op het Franse vasteland verblijft. Ze wordt afgeschilderd als een vrolijke, frivole dame die de jongere Fernand versiert in een café. Hélène is van Poolse afkomst en moet niet veel hebben van het communisme, vanwege de problemen die haar vader in Polen heeft met de politieke politie. Fernand daarentegen komt uit een echt rood nest en is een overtuigd communist. Het zorgt voor enige frictie met Hélène en haar moeder. Desalniettemin gaat Hélène na een zalige zomer met dansen en zwemmen met haar geliefde mee naar Algerije, samen met haar tienerzoon.

In het Algiers van 1955 zijn politieke discussies niet voor salonsocialisten die in het café hangen, maar worden er aan de keukentafel zware gesprekken gevoerd over de noodzaak om wel of geen geweld te gebruiken. En het blijft niet bij gesprekken. Als overtuigd communist en voorstander van een onafhankelijk Algerije, waarin Arabieren niet langer als tweederangs burgers worden behandeld, voelt Fernand zich genoodzaakt in actie te komen. Hij sluit zich aan bij de FLN, het Front voor Nationale Bevrijding dat een sleutelrol speelde in de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog.

Terwijl Fernand met zijn kameraden acties voorbereidt maakt Hélène zich zorgen over de risico’s die zijn engagement met zich meebrengt. Het is spijtig dat zij wordt neergezet als een vrouw vol boosheid, verdriet en angst. Is het niet genoeg dat zij behoren tot de weinige Europeanen die Algerijnse vrienden hebben?, vraagt ze haar man. Moet Fernand echt meedoen aan de strijd van de FLN? Ze lijkt zijn politieke commitment niet te delen. En als haar man in de gevangenis zit is hij degene die háár moet opbeuren, in plaats van andersom. Vanachter de tralies vrijt hij met haar in woorden, een echo van de liefdesscène aan het begin van de film. Vol tranen kijken ze elkaar aan, waarschijnlijk voor de laatste keer. Ondanks het fantastische acteerwerk van hoofdrolspelers Victor Lacoste en Vicky Krieps ontroert het niet. De rolverdeling is te clichématig.

Waarschijnlijk is de structuur waarbij het liefdesverhaal wordt afgewisseld met de voorbereidingen voor politieke acties bedoeld om de film iets luchtiger te maken en bij de kijker empathie voor de hoofdpersonen op te wekken. Jammer genoeg mislukt dit, want juist door die afwisseling blijft de film op een heel middelmatig niveau hangen en wordt het zelden spannend.

Een van de weinige interessante scenes is die waarin Fernands advocaten overleggen met zijn vader en Hélène. Fernand is inmiddels veroordeeld voor het plaatsen van een bom. Ondanks dat er geen slachtoffers zijn gevallen en uit het proces naar voren kwam dat hij alleen de intentie had om materiële schade aan te richten is hij ter dood veroordeeld. Helaas is het geen gunstige tijd om aandacht te vragen voor Fernands zaak, stellen zijn verdedigers: Frankrijk probeert net op dat moment de banden met de Verenigde Staten weer aan te halen en doet dat door de anti-communistische kaart te spelen. De zaak tegen Fernand is koren op hun molen. Verder lijkt men zich in de métropole Parijs niet erg te interesseren voor wat zich in de Algerijnse provincies afspeelt. Het is een van de spaarzame momenten dat de politieke context van de onafhankelijkheidsoorlog überhaupt aan de orde komt.

Wat wel indruk maakt is de allerlaatste scène, waarin Fernand naar het schavot wordt geleid. Omdat je weet dat het allemaal echt gebeurd is. En dat de oorlog misschien voorbij is, maar de gevolgen ervan nog lang niet. Tahya al-Jaza’ir!