4
min leestijd
A- A+

Jemen: een revolutie van gewichtloze dromen


Jemen: een revolutie van gewichtloze dromen

" "

Huda al-Attas. Illustratie: Arjan Reinders

De schrijfster Huda al-Attas komt uit het zuiden van Jemen. Zij deed mee aan de protesten in de Jemenitische hoofdstad Sanaa in 2011. Voor ZemZem schreef zij haar herinneringen op aan de gebeurtenissen in 2011.

Dit stuk is geen oordeel over de protesten van 2011, de ‘revolutie’, het breekpunt waarop we onze angst achter ons lieten en onze vrije wil doorbrak. Het is slechts een blik achterom, naar een droom die even heel dichtbij leek maar al snel onbereikbaar werd. Het is een terugblik op een dag waarvan we dachten dat hij glinsterde, maar die een luchtspiegeling bleek die zijn dorstige tong naar ons uitstak.

Misschien moeten we opnieuw een blik werpen op het moment waarop de revolutie op haar hoogtepunt was, of misschien moeten we nog eens kritisch luisteren naar de echo van mijn
schreeuw, destijds: ‘Het hele corrupte regime moet aftreden!’ Dit ging verder dan de eis van mijn revolutionaire kameraden, die enkel riepen: ‘Ali Abdullah Saleh moet aftreden!’

Enkele dagen later schreeuwde ik weer, maar dit keer van de pijn. Die pijn werd veroorzaakt door de geweerkolf van een militielid, een volgeling van een islamistische generaal met een bloedige geschiedenis die geweld in de revolutie introduceerde, zogenaamd om de revolutie te ‘beschermen’. Nu Jemen diep is weggezonken in geweld en we niet weten waar het zal eindigen, luidt de vraag: Waren we misleid of dromers?

We zaten aan de televisie gekluisterd, met daarop beelden uit Tunesië en Egypte, en lieten die alleen los voor wat onderbroken slaap, om snel weer wakker te worden vol enthousiasme, angst en verwachting. Het waren momenten van trots, die onze borst vulden met de lucht van algehele verlossing. Jemen zelf stond echter op het punt om over te koken. In de zuidelijke regio’s van Aden en de Hadramaut werden al jaren protesten georganiseerd onder de naam ‘De Zuidelijke Vreedzame Beweging’ (de Hirak-beweging) tegen het regime in Sanaa, dat na de eenwording van Jemen discriminerende en onderdrukkende maatregelen oplegde aan de burgers in het Zuiden.

President Saleh hield niet op zijn tegenstanders uit te dagen en te bedreigen. Hij hintte erop dat Jemen zou veranderen in een nieuw Somalië, verwijzend naar de strijd tussen Somalische facties. Maar de uitbraak van de Tunesische revolutie, die zich uitbreidde over de Arabische landen, deed onze monden de volgende beroemde slogan vormen: ‘Als jij ons bedreigt met Somalië, bedreigen we jou met Tunesië!’

Op een februarinacht, die warm noch koud was, kwamen we samen op een van de centrale pleinen in Sanaa. Toen ik arriveerde, trof ik een groep collega’s. Zij waren aan het schreeuwen, er was herrie, en de veiligheidspolitie schoot van dichtbij kogels af om hen uit elkaar te drijven. Mijn collega’s leidden me naar het podium. Omdat ik uit Aden kom, werd ik beschouwd als een zuidelijke stem die de demonstraties in Sanaa steunde. Ik herinner me het moment dat ik de microfoon greep en een geïmproviseerde slogan riep: ‘Het systeem verdeelt ons, maar de strijd verenigt ons.’ De menigte herhaalde het en de media namen het de volgende dag over, toen de activisten besloten om op het plein te blijven en tenten op te zetten.

Na een paar dagen vermenigvuldigden de tenten zich. We waren dromers, ongewapend, we hadden alleen onze stemmen waarmee we de val van het regime afsmeekten. Dat was onze rampspoed: we hadden geen visie, geen idee en geen praktische voorbereiding voor de toekomst.

Op een van deze roerige revolutionaire dagen had ik een afspraak met een Jemenitische regisseur om een film op te nemen over vrouwen en de revolutie. Zij wilde filmen bij de tent die de demonstranten hadden opgezet voor de martelaren die hun leven hadden gegeven op het plein. Ik was met een paar van hen bevriend, en tijdens het filmen barstte ik in tranen uit.

Op de terugweg door het tentenkamp zag ik op een van de tenten de gele glimlach van generaal Ali Mohsen, berucht om zijn bloedvergieten. Hij stond bekend als handlanger van president Saleh, niet alleen wat corruptie betreft maar ook bij moorden, vooral in het Zuiden. Onder de foto van Ali Mohsen stond ‘Beschermer van de revolutie’. Ik liep door, furieus. Tot mijn verbazing zag ik vervolgens dat zijn afbeelding was verwijderd van de posters die de demonstranten tegen het corrupte regime hadden opgehangen. Activisten van de islamistische partij, die de controle hadden over het grootste stuk van het plein, legden me uit dat ‘de revolutie bescherming nodig heeft’. Deze overtuiging werd stilzwijgend gedeeld door de activisten van andere partijen.

Dit alles gebeurde op wat ik ‘de laatste vrijdag van de onbezonnen droom’ zou noemen. Het plein werd verrast door een takfiri sjeik, die bekendstond om zijn steun aan terrorisme en een universiteit had opgericht om mensen op te leiden van wie de betrokkenheid bij moordaanslagen op intellectuelen en opiniemakers vaststaat.[1] Hij werd omringd door bewapende mannen en besteeg het podium om daar een preek af te steken. Ik stond op dat moment zelf op dat podium, en werd plotseling hard geduwd door zijn begeleiders. Ik verloor mijn evenwicht en viel. Een aantal demonstranten verdedigde mij en er volgde een schermutseling.

De volgende dag hadden we een protestmars georganiseerd. Toen we begonnen te lopen, met een groep van mijn jonge collega’s voorop, stond ik plot- seling oog in oog met de zogenaamde ‘organisatiecomités’. Zij waren overwegend leden van diezelfde islamistische partij. Ze gaven me een uitbrander en eisten dat ik me aansloot bij het vrouwengedeelte, gescheiden van de mannen. Toen ik weigerde, schold een van hen mij uit en een ander stak zijn hand uit om mij op ruwe wijze weg te trekken. Toen een paar vrouwelijke collega’s zich bij mij aansloten, stond er in een mum van tijd een groep fronsende, bebaarde mannen in Afghaanse kleding voor ons. Zij werden vergezeld door soldaten uit een kazerne in de buurt, die lid waren van de zogenaamde ‘eerste gepantserde eenheid’ van de voornoemde generaal! Ze sloten ons in, en steeds als we probeerden uit te breken, hielden ze ons tegen met hun geweerkolven. Toen ik probeerde om mezelf te bevrijden door een gaatje te forceren tussen hun ingehaakte onderarmen, stootte een van de soldaten met zijn geweerkolf tegen mijn tenen om mij terug in de kring te duwen. Ik gilde van de pijn. Anderen gooiden lege flessen naar ons. Ze riepen dat we verdorven waren, dat we vrouwen aanmoedigden om zich onder de mannen te begeven en dat we immoreel waren, en ze schreeuwden om de rest van de demonstranten tegen ons op te zetten.

De gebeurtenissen volgden elkaar op en de islamisten, die de volledige controle over het plein kregen, lieten hun tirannieke aard zien. Ze gingen zo ver dat ze een ijzeren hek neerzetten dat de vrouwen van de mannen scheidde. Ik draaide me om, verliet Sanaa en keerde terug naar het Zuiden.

Huda al-Attas is schrijver en onderzoeker, en is politiek en mensenrechtenactivist.

Uit het Arabisch vertaald door de Amsterdamse Arabische Leesclub

[1] Een religieuze voorman die aanhanger is van een extreme vorm van de islam die leert dat andersdenkenden ongelovigen zijn die men gerechtigd is te doden.