11
min leestijd
A- A+

Islamisme en de Arabische lente


Islamisme en de Arabische Lente

" "

Op 23 september 2014 presenteerde Ennahda haar nieuwe partijprogramma. Foto: Ennahda, bron: Wikimedia Commons

De Arabische lente was een massale beweging tegen de dictaturen in het Midden-Oosten. Islamisten speelden hierin een prominente en soms zelfs beslissende rol. Zij hebben hiermee echter niet alleen de Arabische lente beïnvloed, maar tien jaar na het begin van de opstanden is duidelijk dat dit fenomeen hen ook heeft veranderd.

Hoe is het met de politieke islam gesteld tien jaar na de Arabisch lente? Om deze vraag te beantwoorden, zal ik eerst ingaan op de vraag wat politieke islam eigenlijk is. Want islamisme, of politieke islam, is eigenlijk een verkeerde term. De hamvraag is wat nou politiek is aan de politieke islam? Is de islam niet in de eerste plaats een normen- en waardensysteem en niet zozeer een politieke orde?[1] Een beetje kort door de bocht komt de politieke filosofie van de islam erop neer dat als iedereen zich braaf houdt aan de sharia, moslims eigenlijk helemaal geen staat nodig hebben. Het is natuurlijk waar dat sinds de zevende eeuw islamitische rijken hebben bestaan en dat er een rechtssysteem is ontstaan op basis van de sharia. Maar de sultans hadden een grote speelruimte buiten de sharia via qanuns (decreten) en de meeste oelama’s wantrouwden de politiek en hielden zich er verre van omdat die de religie corrumpeerde.

Het islamisme als moderne ideologie bracht daar in één keer verandering in door te stellen dat het islamisme een ‘compleet systeem’ (nizam kamil) vormt en ‘allesomvattend’ is. Zo bezien kent de islam geen scheiding tussen religie en staat (al-islam din wa-dawla). Deze ‘alomvattendheid’, die met de term shumuliyya wordt aangeduid, steekt sinds de oprichting van de Egyptische Moslimbroederschap in 1928 als een visgraat in de keel van het islamisme en leidt tot grote ergernis bij seculiere partijen en woede bij autoritaire machthebbers in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Links vergelijkt de vaak gebruikte islamistische leuze — ‘de islam is de oplossing’ — met rechts populisme, terwijl seculier rechts graag met het islamisme wil samenwerken maar niet houdt van de cultuurpolitieke veranderingen in de persoonlijke sfeer — sluiers, gendersegregatie, symbolische islamisering. Een vaak gehoord verwijt is dat het islamisme zelf niet weet wat het vertegenwoordigt. Is het een da‘wa-organisatie (organisatie die zich richt op de prediking van de islam) die de ware islam verspreidt, een politieke partij die macht nastreeft, of een gewelddadige organisatie die oproept tot de jihad? Voor de regio als geheel heeft deze verwarring desastreuze consequenties gehad omdat de seculier-islamitische tweedeling een belangrijke hindernis is voor het terugdringen van de Arabische autoritaire regimes. In algemene zin kan je stellen dat verandering voor een groot deel afhangt van het vermogen van het islamisme om een definitieve keuze te maken om echte politiek te gaan bedrijven. Het paradoxale is dat hoe politieker de politieke islam wordt, hoe seculierder die wordt, want de meeste politiek heeft weinig met religie te maken. Uiteindelijk betekent deze politisering van het islamisme een vervanging van Gods soevereiniteit door volkssoevereiniteit.

" "De PJD viert haar overwinning na de parlementsverkiezingen in 2011. Foto: Hassan Benmehdi (Maghrebia), bron: Wikimedia Commons

Vijfstappenplan
Het succes van het islamisme hangt tijdens de Arabische lente en daarna in grote mate af van de centrale kwestie of de beweging de aanspraken op ‘alomvattendheid’ (shumuliyya) kon afzweren. Uit de recente hausse aan boeken over de politieke islam — de Moslimbroederschap en aanverwante organisaties — is het mogelijk een vijfstappenplan te destilleren dat tot een succesvolle politisering kan leiden.[2]

De eerste stap is het aanleren van een politieke analyse en het ontwikkelen van politieke ideeën in plaats van alleen aanspraken te maken op de Waarheid en een monopolie over de islam te claimen. Dit betekent dat islamitische bewegingen een realistische politieke analyse moeten ontwikkelen van hun politieke omgeving en machtsverhoudingen. Het idee dat de invoering van een islamitische staat en de sharia een oplossing vormt, kan niet langer volstaan. Veel van de politieke ideeën die worden gebruikt komen uit het Westen, dat betekent dat de islamisten die de invoering van een islamitische staat en de sharia bepleiten open moeten staan voor niet-islamitische ideeën. Een dergelijke incorporatie van vreemde concepten kan alleen wanneer deze bewegingen uitgaan van de ‘principes van de sharia’, waarmee de islam een ethiek wordt in plaats een ‘systeem’ dat letterlijk opgevolgd moet worden.[3] Op deze manier kan een discours van gelijke rechten, gelijk burgerschap, scheiding van rechten en een rechtsstaat worden ontwikkeld en kunnen brede coalities tot stand komen.

Met de geleidelijke liberalisering van de politiek in het Midden-Oosten in de jaren tachtig gaan er steeds meer stemmen op die ervoor pleiten de beweging in deze richting te duwen. Van alle bewegingen is de Tunesische Ennahda het snelst en de Egyptische Moslimbroederschap het langzaamst. Dat de Maghrebijnse bewegingen een voorsprong hebben, komt doordat zij een sterkere modernistische traditie hebben via de leider van de Marokkaanse nationalistische Istiqlal-partij Allal al-Fassi en de Tunesische geleerde Tahar Ben Achour.[4] Nadat de islamistische, totaliserende ideologie van de Egyptische Moslimbroederschap als niet-authentiek Tunesisch was verworpen, konden hervormingen versneld worden voortgezet. 

De tweede stap is deelname aan formele politiek. Dit is een enorme stap. Hassan al-Banna (1906-1949), ideoloog en leider van de Egyptische Moslimbroederschap, had politieke participatie  afgewezen als hizbiyya (partijpolitieke spelletjes) en fitna (verdeeldheid), die hij associeerde met het parlementaire stelsel onder de Egyptische monarchie. Maar dit was niet het belangrijkste. De Syrische Moslimbroederschap nam in de periode vóór de Baath-staatsgreep van 1963 wel actief deel aan verkiezingen en leverde zelfs ministers aan coalitieregeringen. Belangrijker was dat door openlijke deelname aan parlementaire verkiezingen de bewegingen zich blootgaven en makkelijker te onderdrukken waren. Als oplossing schoven islamistische bewegingen leden naar voren die als onafhankelijke kandidaten deelnamen aan verkiezingen. In Egypte gebeurde dit bij de algemene verkiezingen in 1984 en 1987. In Jordanië deed de Moslimbroederschap al openlijk mee aan de verkiezingen van 1989.

De ervaringen waren niet bemoedigend. Juist door hun succes waren regimes niet geneigd het experiment uit te breiden en de bewegingen meer ruimte te geven. In Egypte werd tussen 1990 en 2005 de deelname van de Moslimbroederschap aan verkiezingen bijvoorbeeld op alle mogelijke manieren dwars gezeten. Pas toen de Verenigde Staten tijdelijk de democratie bepleitten, wonnen onafhankelijke kandidaten van de Egyptische Moslimbroederschap in 2005 een spectaculaire 88 van de 508 zetels, wat onmiddellijk tot grotere repressie leidde.

De overwinning van Hamas in 2006 deed het enthousiasme voor democratisering in het Westen afnemen. Hierdoor heeft de Egyptische Moslimbroederschap nooit de kans gekregen een partij op te richten. In Jordanië en Tunesië, waar het politieke klimaat (tijdelijk) opener was, werden wel partijen opgericht; de Tunesische Ennahda partij in 1991 en het Jordaanse Islamitische Actiefront (IAF) een jaar later. De meest succesvolle partij is de Marokkaanse Parti de la Justice et du Développement (PJD), die in 1998 werd opgericht en zonder onderbreking tot aan de Arabische lente aan verkiezingen meedeed, ook al behaalde die steeds meer zetels. Want over het algemeen gold: hoe meer zetels de islamisten behaalden, hoe groter de bedreiging voor de regimes en hoe groter de repressie.

De derde stap is het opstellen van politieke programma’s. Het klinkt logisch dat als bewegingen meedoen aan de politiek, zij ook politieke programma’s opstellen die in detail ingaan op economische problemen, het verbeteren van onderwijs en de gezondheidszorg, veiligheid en buitenlandse relaties. Toch is dit is niet zo. De meeste bewegingen zagen in het begin verkiezingen en het parlement vooral als een platform dat hun een kans gaf da‘wa te verrichten, dat vaak nog hun kerntaak was. Ook omdat het verkrijgen van politieke macht binnen de repressieve context uitgesloten was, werd het parlement voornamelijk gebruikt voor het bepleiten van de invoering van de typische islamitische stokpaardjes: de invoering van de sharia en het verbod op alcohol.

Pas toen steeds vaker ook de islamitische bewegingen aan den lijve repressie ondervonden, werd een discours van rechten omarmd en werd er echte oppositie gevoerd. Het opstellen van uitgebreide politieke programma’s dateert echter van de late jaren negentig en de eerste helft van de jaren nul van de eenentwintigste eeuw. Die van de Egyptische Moslimbroederschap dateren uit 2004 en 2007, die van de Syrische Moslimbroederschap uit 2004. Deze programma’s waren zo belangrijk omdat ze inzage gaven in de ontwikkeling van het politieke denken van het islamisme. Opvallend is dat ze steeds meer het concept van gelijk burgerschap aanvaardden. Dit was belangrijk voor vrouwen en minderheden, zoals kopten in Egypte en leden van de Syrisch-orthodoxe kerk in Syrië. Voor het eerst konden er ook concrete debatten plaatsvinden tussen seculiere stromingen en deze bewegingen. Zo was een belangrijk seculier kritiekpunt op het programma van de Egyptische Moslimbroederschap dat laatstgenoemde alle wetten wilde laten toetsen door een commissie van de islamitische al-Azhar-universiteit en daarmee het principe van Gods soevereiniteit stelde boven volkssoevereiniteit.

Niet onbelangrijk was dat deze hervormingen tot stand kwamen onder invloed van de generatie die in de jaren zeventig de universiteit had bezocht. Deze generatie kon zich makkelijker losmaken van de oudere generatie van de Moslimbroederschap in Egypte, Syrië, en Jordanië, die veel conservatiever was, hiërarchischer dacht en ambivalenter stond ten opzichte van de politieke richting. Waar dat lukte, of waar er helemaal geen oudere generatie was, zoals in Marokko en Tunesië, ging het hervormingsproces veel sneller. Uit onvermogen om de Egyptische Moslimbroederschap te hervormen splitste een groep zich af en richtte de Wasat-partij op, die het niet meer had over de islamitische staat maar over een civiele staat. Christenen hadden daarin gelijke rechten omdat ze lid waren van de islamitische beschaving.[5]

De vierde stap en proef op de som van deze hervormingen is het vermogen van deze bewegingen om politieke allianties te sluiten met seculiere stromingen. Er is veel onderzoek gedaan naar deze zogenaamde ‘inter-ideologische coalities’ (cross-ideological alliances).[6] Daaruit blijkt dat zij in toenemende mate tot stand kwamen in het decennium voorafgaande aan de Arabische lente. Hun zwakte was dat ze meestal alleen tactisch van aard waren. Ondanks de toenadering bleken de  ideologische verschillen te groot. Langlopende ideologisch onderbouwde acties gebaseerd op gedeelde programma’s bleven beperkt, ook al zien we dat burgerschap, gelijke rechten en democratische verkiezingen in toenemende mate gedeeld werden. De belangrijkste uitzondering was Ennahda. In 2005 kwamen de Ennahda-leider Rached Ghannouchi en de mensenrechtenactivist Moncef Marzouki in Parijs bij elkaar om een coalitie te vormen voor het geval president Ben Ali ten val zou komen. In Tunesië werd de samenwerking ondersteund door een hongerstaking, die bekend werd als le collectif.[7]

Vanaf 2000 sloot de Egyptische Moslimbroederschap zich steeds vaker aan bij de reeks gezamenlijke fronten met links, die eerst voor solidariteit met Palestijnen opkwamen, maar steeds meer een prodemocratisch karakter kregen, zoals Kifaya, de beweging tegen de herverkiezing van president Mubarak. Het initiatief ging echter nooit uit van de leiding en meestal waren het jongeren en een liberale minderheid die eraan deelnamen. Ook de Syrische Moslimbroederschap ondersteunde dergelijke gemeenschappelijke initiatieven door de Damascusverklaring van 2005 te ondertekenen, maar bleek later samen te werken met Abd al-Halim Khaddam, vicepresident en minister van Buitenlandse Zaken onder Hafez al-Assad (1971-2000) die ruzie kreeg met zijn zoon en opvolger Bashar.  

Als vijfde stap is het belangrijk dat politieke partijen onafhankelijk worden van de religieuze bewegingen waar ze uit voortkomen. De gedachte hierachter is dat de politiek zijn eigen logica heeft en dat bewegingen hun partijen in een knellende omarming houden en ze alleen zien als hun politieke arm. Dit beperkt hun vrijheid van handelen en de mogelijkheid coalities en compromissen te sluiten. Het duidt op een zekere professionalisering van politici als zij zich niet langer laten ringeloren door de religieuze sjeiks en als zij erkennen dat politiek en religie gescheiden zijn. Dit is een ontwikkeling die vaak in het politieke domein voorkomt; zo heeft zich in Europa een soortgelijk proces afgespeeld na de Tweede Wereldoorlog toen de christendemocratie zich losmaakte van de kerk. Het is ook makkelijker om de interne structuur te democratiseren als de partij onafhankelijk is. De enige partij die in het decennium vóór de Arabische lente deze stap met succes gemaakt heeft, is de Marokkaanse Parti de la Justice et du Développement (PJD).[8]

Ten slotte is er een voorwaarde voor een transitie van islamisme naar een democratische islam: voorkomen dat de partij gecoöpteerd wordt door de staat. Deze vrees bestaat vooral in Marokko, waar de monarchie een meester is in het tegen elkaar uitspelen van partijen en coöptatie als middel gebruikt om bedreigingen onschadelijk te maken.

Islamisme en de Arabische lente
Hoe de islamistische partijen het gedaan hebben tijdens de Arabische lente en de volgende tien jaar hangt voor een groot deel af van de vraag of ze deze vijf stappen hebben doorlopen. Niet verwonderlijk is dat de Egyptische Moslimbroederschap het er het slechtst vanaf heeft gebracht. Al snel besloot ze het op een akkoordje te gooien met de militairen. Vlak voor Mubarak werd afgezet, had de conservatieve leiding van de Moslimbroederschap de liberale stroming onder leiding van Abd al-Mon‘im Abu al-Futuh, Mohammed Habib en Ibrahim Zafarani uit de beweging gegooid. De partij die de Moslimbroederschap oprichtte, de Partij voor Vrijheid en Rechtvaardigheid, werd de politieke arm van de beweging, wat de weg naar een onafhankelijke, brede, open, conservatieve religieuze partij afsneed.

De Moslimbroederschap domineerde de coalitie waarmee ze de verkiezingen in december 2011 - januari 2012 inging. Daarnaast schond de partij de belofte om geen meerderheid in het parlement te verwerven en om niet deel te nemen aan de presidentsverkiezingen, op basis van de leus ‘participatie, geen overheersing’ (musharaka la mughalaba).[9] Ze behaalde 44,9 procent van de stemmen en vormde met de islamitisch-salafistische Nour-partij (25 procent) een absolute meerderheid, schoof Mohamed Morsi als presidentskandidaat naar voren en probeerde de grondwet naar haar hand te zetten. Deze fouten waren des te pijnlijker omdat toen al duidelijk was dat ze de militairen en de rechterlijke macht tegen zich in het harnas had gejaagd. Die ontbonden het parlement en keurden de grondwet af. Na een jaar incompetent bestuur, dat nu geheel op conto van Morsi werd geschreven, werd een tweede golf van protesten haar fataal en greep het leger onder leiding van Sisi, later president van Egypte, op 3 juli in. Sindsdien zit haar leiderschap in de gevangenis en is de beweging verboden. Hoewel kenners er zeker van zijn dat de Moslimbroederschap nooit helemaal kan worden onderdrukt, is de beweging terug bij af.

 De Syrische Moslimbroederschap heeft het niet veel beter gedaan. Ook al had de beweging zich veel sterker hervormd dan de Egyptische, zoals blijkt uit de manifesten van 2004 en 2007, toch vertrouwden potentiële coalitiegenoten haar niet omdat het voor de Arabische lente nog met het Assad-regime had onderhandeld over haar legalisering. Daarnaast probeerde ook zij de overlegorganen als het Syrisch Nationale Congres te overheersen. Hoewel zij ondersteund werd door de Turkse premier en latere president Erdogan, speelde ze geen rol tijdens de militarisering van het conflict dat steeds meer in handen kwam van het jihadi-salafisme.[10]

In Jordanië kwam de Moslimbroederschap eveneens ernstig verzwakt uit de strijd tevoorschijn. Net als de Egyptische Moslimbroederschap was de leiding te oud, te conservatief en te weinig innovatief. Ze werd uiteindelijk overvleugeld door een hervormingsbeweging zich jaren eerder al had afgesplitst van de Moslimbroederschap en die veel liberaler, opener en moderner was en zelfs tijdens de verkiezingen van 2013 16 van de 150 zetels won op basis van een liberaal programma. Dit gebeurde terwijl het Islamitisch Actiefront (IAF), dat gelieerd is aan de Moslimbroederschap, dezelfde verkiezingen had geboycot.[11]  

Ennahda wordt in het algemeen gezien als de meest succesvolle beweging. Haar programma was gebaseerd op burgerschap, de rechtsstaat en mensenrechten, en was veel beter uitgewerkt. De coalitie die in Parijs tot stand was gekomen vormde de basis voor de regering die in 2011 werd gevormd. Uiteindelijk was ze ook bereid concessies te doen bij de opstelling van de grondwet op het gebied van vrouwenrechten en de sharia. Ondanks de vele strubbelingen bleek ze democratie boven de sharia te plaatsen. Bij de diepe politieke crisis van 2013 deed ze een stap terug. Tenslotte kwam in 2016 een scheiding tot stand tussen de beweging en de partij, die helemaal los kwam te staan.[12]

De Marokkaanse PJD is in dit opzicht de meest succesvolle partij. Ze werd de grootste partij bij de verkiezingen van 2011 met 107 zetels, en opnieuw in die van 2016, met 125 zetels (31 procent van het totaal). In beide gevallen mocht ze de premier leveren. Zij heeft verreweg de meeste ervaring opgedaan met de verkiezingen en het parlementaire politieke spel en de moeilijke relatie met de koning. Hoewel het vormen van coalities op nationaal niveau moeizaam tot stand kwam, lukte dit veel beter op gemeentelijk niveau.[13]

Conclusie
Tien jaar na de Arabische lente is het islamisme in zijn oorspronkelijke vorm dood. Het is ofwel hervormd in de richting van politieke partijen, ofwel overgenomen door het quietistische salafisme dat zich niet met politiek bezighoudt, of ze heeft haar aanhang verloren aan het jihadisme. Aangezien steeds meer het besef doordringt dat identiteitspolitiek geen antwoord geeft op brandende kwesties als gelijke rechten, het creëren van banen, sociale rechtvaardigheid, het bestrijden van corruptie, persoonlijke vrijheid en politieke participatie, en het dwingen van regeringen om rekenschap af te leggen, speelt religie bij veel van de huidige sociale bewegingen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika een geringe rol. Vaak zijn ze zelfs antireligieus.[14] Dit blijkt uit de opstanden in Soedan, Libanon, de Rif in Marokko en de sjiitische milities in Irak die zich verzetten tegen de tujjar al-din (handelaren in religie). Met name de jeugd ziet het islamisme als deel van het probleem, niet als een oplossing. Als deze bewegingen wel aan een oplossing meehelpen zijn ze niet langer islamistisch, maar democratisch.

Roel Meijer is docent moderne geschiedenis van het Midden-Oosten en Noord-Afrika aan de Radboud Universiteit. De laatste tien jaar heeft hij zich gespecialiseerd in de geschiedenis van het concept burgerschap in het Midden-Oosten.  

[1] Wael B. Hallaq, Shari‘a: Theory, Practice, Transformations (Cambridge: Cambridge University Press, 2009).

[2] Deze boeken zijn: Hazem Kandil, Inside the Muslim Brotherhood (Cambridge: Polity Press, 2015); Khalil Al-Anani, Inside the Muslim Brotherhood: Religion, Identity, and Politics (Oxford: Oxford University Press, 2016);  Dara Conduit, The Muslim Brotherhood in Syria (Cambridge: Cambridge University Press, 2019); Beverley Milton-Edwards, The Muslim Brotherhood: The Arab Spring and its Future Face (Londen: Routledge, 2016); Rory McCarthy, Inside Tunisia’s al-Nahda: Between Politics and Preaching (Cambridge: Cambridge University Press, 2018); Joas Wagemakers, The Muslim Brotherhood in Jordan (Cambridge: Cambridge University Press, 2020).

[3] Ahmad Raysuni, Imam Shatibi’s Theory of the Higher Objectives and Intents of Islamic Law (Londen: The International Institute of Islamic Thought, 2005).

[4] Francesco Cavatorta en Fabio Merone, “Post-Islamism, Ideological Revolution and ‘la tunisianité’ of the Tunisian Islamist Party,” Journal of Political Ideologies 20 (2015): 27-42.

[5] Carrie Rosefsky-Wickham, The Muslim Brotherhood: Evolution of an Islamist Movement (Princeton: Princeton University Press, 2013), 81-9.

[6] Zie bijvoorbeeld Dina Shehata, Islamists and Secularists in Egypt: Opposition, Conflict, and Cooperation (Londen: Routledge, 2010).

[7] Anne Wolf, Political Islam in Tunisia: The History of Ennahda (Londen: Hurst, 2017), 100-103.

[8] Eva Wegner, Islamist Opposition in Authoritarian Regimes: The Party of Justice and Development in Morocco (New York: Syracuse University Press, 2011), 32-71.

[9] Roel Meijer, “The Majority Strategy of the Muslim Brotherhood,” Orient 54 (2013): 22-30.

[10] Conduit, The Muslim Brotherhood, 155-172.

[11] Milton-Edwards, The Muslim Brotherhood, 99-105.

[12] Monica L. Marks, "Convince, Coerce, or Compromise? Ennahda’s Approach to Tunisia’s Constitution,” Brooking’s Doha Center Analysis Paper, No. 10, February 2014. 

[13] Mohamed Daadawi, “Of Monarchs and Islamists: The ‘Refo-lutionary’ Promise of the PJD Islamists and Regime Control in Morocco,” Middle East Critique 26 (2017): 355-371.

[14] Roel Meijer, “Economic Deprivation, Political Corruption the Rise of New Citizenship Movements in the MENA Region, Orient 59 (2018): 49-57.