9
min leestijd
A- A+

Liefde tussen vrouwen in middeleeuwse Arabische literatuur


Liefde tussen vrouwen in middeleeuwse Arabische literatuur

Read this article in English

We horen vaak dat de islamitische wetgeving (sharia) harde straffen oplegt voor seksuele handelingen met hetzelfde geslacht. Deze straffen worden inderdaad voorgeschreven in juridische teksten, maar in de praktijk werden deze nauwelijks toegepast. Als we daarentegen andere teksten lezen, dan blijkt daaruit dat liefde voor hetzelfde geslacht vaak getolereerd, soms zelfs gekoesterd werd, in het bijzonder in poëzie van mannelijke dichters die hun liefde betuigen aan jonge mannen of pubers. Bij nadere bestudering vinden we in deze teksten echter ook beschrijvingen van liefde tussen vrouwen.

" "

Afb. 1: Voorkant van Pernilla Myrnes meest recente boek, met daarop een twaalfde-eeuwse schaal uit Fatimidisch Egypte waarop een danseres staat afgebeeld

Volgens de negende-eeuwse Arabische historicus Ibn al-Kalbi was Hind bint al-Nu‘man, een pre-islamitische prinses, de eerste Arabische vrouw die verliefd werd op een andere vrouw. Haar geliefde was de legendarische Zarqa al-Yamana, een vrouw met een wonderbaarlijk zicht. De naam Zarqa betekent ‘blauwogig’, maar haar ogen waren meer dan dat: ze kon vanaf een zeer grote afstand zien. Op een dag merkte zij een vijandige stam op die het paleis in Al-Yamama, waar zij woonde, naderde en zij waarschuwde de anderen. Niemand geloofde haar, en haar volk werd afgeslacht. Zelf werd ze gevangen genomen door de plunderaars, die een van haar ogen uitstaken en erachter kwamen dat de aderen daarvan zwart waren. Een aantal dagen na deze gewelddadige behandeling stierf ze. Toen dit nieuws Hind bereikte, trok zij zich terug in een klooster, waar ze bleef tot aan haar dood.

Het verhaal over Hind is uiteraard fictief: tragische liefde was een populair thema in de middeleeuwse islamitische wereld en er waren veel verhalen in omloop over liefde met een fatale, zelfs catastrofale, afloop. De namen van de liefdesparen waren alom bekend: Majnun en Layla, Jamil en Buthayna, Urwa en Afra, Qays en Lubna, Kuthayyir en Azza, en vele anderen. Ibn al-Nadim, een tiende-eeuwse bibliograaf uit Bagdad, noemt de namen van elf, inmiddels verloren gegane, liefdesverhalen met vrouwelijke liefdeskoppels met namen als Ruqayya en Khadija, Sukayna en Al-Rabbab, Salma en Su‘ad. Hoewel deze verhalen fictief waren, werd liefde tussen twee vrouwen blijkbaar niet gezien als anders dan liefde tussen een man en een vrouw. Dit wordt geïllustreerd door een tragisch verhaal dat wordt geciteerd in de etiquettehandleiding Al-Muwashsha, geschreven in Bagdad in de vroege tiende eeuw. De auteur, Al-Washsha (gest. 936), noemt het verhaal als voorbeeld van onvervulde liefde en lijden resulterend in de dood – een van zijn favoriete thema’s. Maar opmerkelijk genoeg is juist dit verhaal een driehoeksverhouding: een jonge vrouw houdt van een jonge man, maar de jonge man houdt van een jonge zangeres, die op haar beurt weer verliefd is op de jonge vrouw. De vader van de jonge vrouw, die de verteller van het verhaal is, was samen met de jonge man aanwezig toen de zangeres een lied ten gehore bracht over liefdesleed. Het trieste lied brak het hart van de jonge man en leidde tot zijn onmiddellijke dood. Toen de jonge vrouw, de dochter van de verteller, dit hoorde, stierf zij en zo ook de zangeres toen zij over het lot van haar geliefde hoorde. Drie mensen stierven dus door liefdesverdriet, een tragisch einde dat de kracht van liefde bewees, ongeacht het geslacht van de geliefden.  

Tussen wet en sociale normen
Betekent dit dat liefde voor hetzelfde geslacht als onproblematisch werd beschouwd? De middeleeuwse islamitische wet beschouwde homoseksuele handelingen als ontucht en daarmee als misdadig. De opgelegde straffen waren streng, in het bijzonder voor handelingen tussen mannen, die als halsmisdaden werden beschouwd als de daders getrouwd waren of waren geweest. Vrouwelijke seksuele handelingen met hetzelfde geslacht werden door de meeste juristen als minder ernstige misdaden beschouwd en werden bestraft met zweepslagen in plaats van steniging. Hierin schuilt een paradox, aangezien voorstellingen van homoseksuele handelingen vrij gebruikelijk waren en, zoals hierboven vermeld, niet noodzakelijk op negatieve wijze. Verschillende historici hebben gewezen op de inconsistenties tussen de harde opstelling jegens homoseksuele handelingen in het islamitisch recht en het feit dat homo-erotisch verlangen, in het bijzonder tussen mannen, een gebruikelijk literair motief was in de islamitische wereld, niet in het minst in poëzie. Wat we echter niet weten, is of deze harde straffen ook daadwerkelijk werden uitgevoerd, als deze al werden opgelegd, in middeleeuwse islamitische samenlevingen. Deze straffen vereisten een getuigenis van vier personen die de seksuele handeling gezien moesten hebben, terwijl valse beschuldigingen als een misdaad golden. Hoewel er maar weinig documenten uit deze periode zijn overgeleverd, laten rechtbankverslagen uit de Osmaanse periode zien dat de uitvoering van strenge straffen voor ontucht buitengewoon zeldzaam waren, als ze al opgelegd werden, en dat ontucht zelden gestraft werd.

Er lijkt inderdaad een discrepantie te zijn geweest tussen de wet en sociale normen als het op homoseksuele relaties aankomt. In Arabische sekshandleidingen, een bloeiend genre vanaf de tiende eeuw tot de moderne tijd, waren er zelfs speciale delen over homoseksuele relaties. De vroegste sekshandleiding, de laat tiende-eeuwse Encyclopedie van genot, bevat enkele hoofdstukken over verschillende soorten liefde en intieme relaties. Van de auteur kennen we enkel zijn naam, Ali ibn Nasr al-Katib. In zijn bespreking van verschillende soorten liefdesrelaties onderscheidt hij liefde tussen man en vrouw, man en man, en vrouw en vrouw, en wijdt vervolgens een hoofdstuk aan ieder type relatie. Hij leidt de hoofdstukken in door de vertegenwoordigers van de drie categorieën zelf hun positie te laten verdedigen in een gedeelte met korte gedichten. Hun uitgangspunt is dat de lezer wellicht wil weten wie het gelukkigst is, ‘een man die een vrouw veroverd heeft, een jonge man die een gazelle veroverd heeft, of een vrouw met een andere vrouw, die geen man verlangen’. De eerste die antwoord geeft is een vrouw, die haar verlangen naar vrouwen verdedigt:

Wij zijn twee vrouwen en zussen, gelijk in onze hereniging
Een voor een bereiken we genot, wanneer we samen zijn
Laat bespotters ons met rust laten, wij staan boven mannen

Het tweede antwoord komt van een mannelijke dichter die zijn liefde voor een jongen verdedigt, die volgens hem de schoonheid heeft van een gazelle. De derde dichter, opnieuw een man, verdedigt de liefde tussen mannen en vrouwen, en beweert dat mensen die zich aangetrokken voelen tot de andere sekse het voordeel hebben om zowel rechtmatige als onrechtmatige seksuele relaties te kunnen genieten. Met deze uitspraak zinspeelt hij op het feit dat de andere dichters zich beperken tot onwettige seks. De mannelijke dichter legt zijn voorkeur voor jongens uit door te verwijzen naar de ongekende schoonheid van zijn geliefde en diens sociale competenties. Het is opmerkelijk dat de dichteres daarentegen verklaart dat zij en haar geliefde (‘zus’) gelijken zijn en elkaar om de beurt bevredigen.

" "Afb. 2: Fragment uit het oudste overlevende manuscript van de Encyclopedie van genot (Ayasofya 3836). De titel van dit gedeelte luidt 'Manieren van minnaars om gemeenschap te hebben'. Daaronder staat een diagram van de drie belangrijkste categorieën, van links naar rechts 'man en vrouw', 'man en knaap', en 'vrouw en vrouw'. Bron: auteur.

Seksueel genot
Het woord sahq, dat ‘wrijven’ of ‘malen’ betekent, is een term voor een seksuele handeling door twee vrouwen. Ook andere woorden die afkomstig zijn van dezelfde wortel worden gebruikt, namelijk sihaq en musahaqa. De vrouw die deze handeling prefereert wordt sahhaqa genoemd, wat ‘iemand die wrijft’ betekent. De hierboven geciteerde dichteres noemt zichzelf een sahhaqa. Ook is zij een dame (mutazarrifa), een woord dat zowel lijkt te verwijzen naar de sociale status van een vrouw, behorend tot de hogere klasse, als naar haar gedrag, dat stijlvol en geraffineerd is. Het meervoud, dames (mutazarrifat), lijkt te verwijzen naar een subgroep in de samenleving, wier leden om verschillende redenen mannelijk gezelschap hebben afgewezen, in ieder geval voorlopig. In de Encyclopedie van genot is een heel hoofdstuk gewijd aan deze vrouwen. In diverse, vaak schunnige gedichten en dialogen verdedigen vrouwen hun keuze voor seks met vrouwen tegen het argument dat heteroseksuele seks beter is, en leggen uit waarom zij hiervoor kiezen.

De auteur citeert ook verschillende verklaringen voor deze voorkeur. De Arabische arts Ibn Masawayh (777-857) zou gezegd hebben dat de voorkeur voor ‘wrijven’ veroorzaakt wordt door bepaalde groenten en kruiden die gegeten worden door de moeder of de min tijdens de borstvoeding. Hij noemde in het bijzonder selderij en rucola. De filosoof en wetenschapper Al-Kindi, eveneens uit de negende eeuw, zou beweerd hebben dat deze voorkeur een natuurlijk verlangen behelst dat afkomstig is van een ontsteking in de schaamlippen, die wasemen genereert die op hun beurt hitte creëren en een jeukende sensatie veroorzaken. De enige manier om van hiervan te genezen, de ontsteking te verzachten en de hitte te verminderen, is door krabben en ejaculatie. Het vrouwelijke sperma (artsen gingen ervan uit dat zowel mannen als vrouwen sperma hebben) dat wordt opgewekt door lesbisch seksueel contact is zeer koud, in tegenstelling tot het sperma dat wordt opgewekt door heteroseksuele gemeenschap, dat warm is. Daarom is wrijven de enige manier die voor herstel van deze aandoening kan zorgen, omdat enkel koud sperma de warmte kan laten afnemen. Een andere arts, Qusta ibn Luqa (820-912), stelde dat verlangen naar seks met hetzelfde geslacht een natuurlijk fenomeen is dat te maken heeft met variaties in het menselijk temperament. De auteur van de encyclopedie, Ali ibn Nasr, geeft ook een sociologische verklaring. Sommige vrouwen kiezen voor wrijven uit angst om hun maagdelijkheid te verliezen voor het huwelijk, en daarmee hun goede reputatie, of uit vrees voor een zwangerschap. Deze claim wordt geïllustreerd aan de hand van enkele anekdotes en drie gedichten die zijn toegeschreven aan vrouwen. Het eerste gedicht is gericht aan een vrouwelijke geliefde, aangesproken als ‘zuster’: 

Hoe vaak hebben we niet het wrijven beoefend, mijn zuster! Al sinds lange tijd, en het is nog steeds plezieriger en meer verborgen dan het insteken van penissen en zwangerschap, waar de vijand graag kennis van zou nemen en, erger dan dat, de censuur van de betichters. Wij krijgen geen hadd-bestraffing opgelegd voor wrijven, zoals bij ontucht, ook al is het wenselijker voor vrouwen die de actieve rol aannemen.

Dit is eigenlijk het enige voorbeeld uit het hoofdstuk dat lesbische seksuele gemeenschap beschrijft in termen van een dichotomie tussen actief en passief. De dichter refereert aan vrouwen ‘die een actieve rol aannemen’, wat betekent dat sommigen passief zijn. Dit spreekt de verklaring uit het hierboven genoemde gedicht tegen, dat vrouwen beurten wisselen wanneer zij seks met elkaar hebben en ‘gelijken zijn in hun hereniging’. De dichter is echter een groot voorstander van lesbische gemeenschap: het leidt niet tot ongeplande zwangerschap, wat weer roddel en censuur van ongetrouwde vrouwen zou opleveren. Zwangerschap is ook het ultieme bewijs van ontucht, waar zware straffen op staan volgens het islamitische recht. Veel rechtsgeleerden ondersteunden de claim dat vrouwen die seks hebben met vrouwen geen hadd-bestraffing opgelegd kunnen krijgen, die staan op misdaden tegen God. Opvallend genoeg heeft het poëtisch personage niet alleen gekozen voor wrijven omdat dit veilig is, maar zij beweert eveneens dat dit voor meer genot zorgt, in het bijzonder voor een speciale categorie vrouwen: zij die de actieve rol aannemen. Het voorkomen van zwangerschap vormt het excuus voor het aan wrijven doen in het volgende gedicht, die de ernstige gevolgen voor meisjes die hun maagdelijkheid verliezen onderstreept:

Ik was tevreden met mijn geliefde vrouw en weigerde iets waarvan de consequenties een nobele vrouw tot een gewezene maken,
wanneer zij zeggen, ‘Ze is zwanger!’ Mogen bastaarden, die me ongelukkig maken, ver weg blijven!
Welk excuus zou ik voor mijn ouders hebben als ontucht de koorden van mijn maagdelijkheid had doorgesneden?

In een ander gedicht bekent het poëtisch personage dat zij het wrijven begon te beoefenen om zwangerschap te voorkomen, maar dat zij het plezierig vond en er daarom mee doorging. Het suggereert ook dat lesbianisme als meer dan alleen een praktijk werd gezien. Het is een levensstijl die haar onderdeel maakt van een gemeenschap van vrouwen:

Ik dronk wijn uit liefde voor romantiek en begon met wrijven uit angst voor zwangerschap.
Ik sliep met mijn geliefde in afzondering en overtrof mannen in mijn prestaties.
Zolang wrijven mij bevredigt, ben ik er tevreden mee en wijs ik mannen af. 

Andere dichters in het hoofdstuk over verlangen naar hetzelfde geslacht verdedigen wrijven om de simpele reden dat het plezieriger is, ongeacht of het veiliger is of niet. Zij sluiten mannen niet alleen uit als object van verlangen, maar ook als actieve deelnemers. De gelukkige belofte van wrijven ligt buiten het bereik van mannen, die van deelname uitgesloten zijn. Volgens het volgende vers is het echter aannemelijk dat baardloze mannen – jongens en eunuchen – wel naar dit soort seksueel verkeer verlangen:

Moge het levensgenot toebedeeld zijn aan hen die het wrijven beoefenen tot aan de Dag des Oordeels.
Indien mannen het proefden, zouden ze zich er niet van onthouden, maar nog nooit had degene naar wrijven verlangt een baard. 

Volgens het volgende gedicht betekent de praktijk van het wrijven dat je tot een zusterschap behoort, waarin wrijven positief wordt vergeleken met penetratieseks, dat ‘neuken’ (nayk) wordt genoemd:

Bij God, wrijven is waar we naar verlangen, mijn zuster; neuken is slechts een futiliteit.
Wrijven is wat wij witte, eloquente, lachende vrouwen prefereren,
Dus zie af van het neuken en vergelijkbare dingen, want neuken is onjuist.

Wie waren de ‘witte, eloquente en lachende vrouwen’, de groep waar het poëtisch personage toe behoorde? Het epitheton ‘wit’ impliceert dat de dichter tot een groep vrouwen behoort die overdag niet de deur uit hoeven te gaan, om te werken zoals vrouwen uit de lagere klassen of voor boodschappen zoals een eenvoudige slavin. Dit zijn dames, eloquent en lachend, wat betekent dat zij bekwaam zijn in het improviseren van poëzie en de taal tot in de puntjes beheersen, terwijl zij tegelijkertijd van schunnige poëzie en andere geneugten genieten. Hun mannelijke equivalenten, beroemde dichters zoals Abu Nuwas, schreven gedichten over hun drankgelagen, niet in het minst in taveernes. De vrouwen in hun gezelschap zijn doorgaans, zo wordt verondersteld, courtisanes en prostituees, vrouwen die afhankelijk zijn van mannen voor hun inkomen. Wanneer het poëtische personage daarentegen, zij het met humor, haar gezellige vrouwelijke vrienden oproept om af te zien van seksuele relaties met mannen, roept zij ook de wereld van de taveerne op, waar mannen en vrouwen klaarblijkelijk vrijelijk met elkaar omgaan, maar waar vrouwen die afhankelijk zijn van mannen voor hun inkomen hun gevoelens en voorkeuren moeten aanpassen.

Uiteindelijk kunnen relaties met hetzelfde geslacht, volgens de Encyclopedie van genot, een toevluchtsoord zijn, weg van mannelijke dominantie, maar ook een genot, een voorkeur en een vorm van zusterschap, en ten slotte is het ook natuurlijke variatie. We weten niet wie de gedichten schreef die in de encyclopedie worden geciteerd en of deze ontleend zijn aan werkelijk bestaande situaties. Maar er bestaan vergelijkbare beschrijvingen in andere premoderne Arabische boeken, zij het niet zoveel als van mannelijke seksuele relaties met hetzelfde geslacht. Over het geheel genomen is het aannemelijk dat seksuele relaties met hetzelfde geslacht, zowel vrouwelijk als mannelijk, getolereerd werden in bepaalde tijden en bepaalde milieus.

Pernilla Myrne werkt aan de Universiteit van Göteborg. In haar onderzoek richt zij zich op vrouwengeschiedenis en seksualiteit in de premoderne islamitische wereld. Momenteel analyseert zij in het Arabisch geschreven sekshandleidingen.

Uit het Engels vertaald door Lucia Admiraal.