13
min leestijd
A- A+

Donoragenda’s vs. autonomie: Over de impact van donors op organisaties die werken op het gebied van gender en seksualiteit in Libanon


Donoragenda’s vs. autonomie: Over de impact van donors op organisaties die werken op het gebied van gender en seksualiteit in Libanon

Read this article in English

Organisaties die zich bezighouden met gender en seksualiteit, of ze zichzelf nu als lhbt- of als feministische organisaties zien, verkeren vaak in een onzekere situatie als ze steunen op internationale financiering. Bovendien wordt hun politieke bewegingsruimte ingeperkt omdat ze door ngo-isering in dienstverleners veranderen. In dit artikel onderzoeken we de relaties tussen geldverstrekkers en -ontvangers en kijken we naar enkele gevolgen van de prioriteiten en agenda’s van donors voor de beweging die zich inzet voor queers in Libanon.

'' ''

Een protest tegen de detentie van lhbt-individuen op grond van artikel 534 in 2016, voor een detentie- centrum van de politie in Beiroet. Bron: Facebookpagina Helem

‘“Ngo-isering” is de term die wordt gebruikt door veel sociale bewegingen, activistennetwerken en academici voor de institutionalisering, professionalisering, depolitisering en demobilisatie van bewegingen die zich inzetten voor maatschappelijke en klimaatveranderingen,’ aldus onderzoekers Aziz Choudry en Dip Kapoor.[1] In Arabischtalige landen heeft de ngo-isering van queer activisme gedurende de afgelopen tien jaar geleid tot een toename van ngo’s (niet-gouvernmentele organisaties) die zich richten op lhbt’ers. Wij betogen hier dat het werk van deze organisaties ertoe heeft geleid dat het nu gangbaarder is om lhbt-identiteitscategorieën te gebruiken, die uit westerse landen zijn komen overwaaien. Daarnaast heeft het er soms toe geleid dat andersoortige grassrootsorganisaties, die feministisch zijn of die zich richten op één specifieke gemeenschap, buitenspel zijn gezet.[2]

Voor dit artikel benutten we onze ervaringen als feministische campagnevoerders en medewerkers van Kohl: a Journal for Body and Gender Research. We hebben ook de notulen geraadpleegd van een conferentie die we in de zomer van 2019 organiseerden, in het verlengde van ons nummer ‘Organizing Against The Tide: Alternative Economies And Gendered Labor’ (Tegen de stroom in organiseren: Alternatieve economieën en gegenderd werk).[3] Hier hadden we een panel gewijd aan grassrootsorganisatoren, om hun ervaringen over de duurzaamheid van financiering te delen. Ter aanvulling op onze gezamenlijke ervaringen hebben we semigestructureerde interviews gehouden met woordvoerders van twee vooraanstaande lhbt-ngo’s: Helem en Mosaic.

Helem werd in 2004 door een groep activisten opgericht in Beiroet en wordt gezien als de eerste lhbtq-organisatie in de regio.[4] Op dit moment bestaat haar werk uit dienstverlening, gemeenschapsvorming en beleidsbeïnvloeding, met het oog op afschaffing van artikel 534 van het Libanese strafrecht, dat stelt dat ‘onnatuurlijke geslachtsgemeenschap’ strafbaar is. De organisatie biedt juridische hulp aan lhbtq-individuen en documenteert mensenrechtenschendingen die door de Libanese staat zijn begaan. Ook verwelkomt ze mensen in een eigen centrum waar activiteiten en evenementen plaatsvinden die speciaal bedoeld zijn voor de gemeenschap. Net als Helem vecht Mosaic tegen mensenrechtenschendingen en bevordert ze vreedzame coëxistentie van gemarginaliseerde lhbtq-groepen in de samenleving.[5] De organisatie runt een holistisch programma van dienstverlening, beleidsbeïnvloeding, onderzoek en capaciteitsopbouw dat is gericht op lhbtq-groepen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. We hebben voor deze twee organisaties gekozen vanwege de positie die zij innemen ten opzichte van donoren en de civil society, vooral vanwege hun hybriditeit, die betekent dat ze voor hun werk niet per se volledig van donorgelden afhankelijk zijn. Mosaic en Helem hebben een flexibel werkmodel dat draait op betaalde medewerkers en vrijwilligers.

Seksueel burgerschap en reproductieve onrechtvaardigheid
De Libanese staat is gebaseerd op een confessioneel systeem en kan blijven voortbestaan dankzij een zogenaamd ‘confessioneel evenwicht’, dat steunt op het creëren en behouden van wat in het Engels ‘reproductive injustice’ genoemd wordt. Dit systeem bepaalt de grenzen van seksueel burgerschap, niet alleen door parameters als nationaliteit en het heteronormatieve huwelijk, zoals in andere landen het geval is, maar ook door de vraag tot welke van de zestien erkende geloofsgemeenschappen iemand behoort. Zo zijn vrouwen voor het overdragen van hun nationaliteit op hun kinderen, en voor de mogelijkheid om te trouwen, om te scheiden en zelfs om te stemmen, afhankelijk van een mannelijke tegenhanger, vader of echtgenoot.[6]

Libanon heeft een burgeroorlog doorgemaakt waarin verschillende religieus-georiënteerde partijen tegenover elkaar stonden. Om deze oorlog te beëindigen werd het Taif-akkoord gesloten, dat de staatsautoriteit verdeelde onder de verschillende geloofsgemeenschappen, afhankelijk van de demografische grootte van elk geloof. Omdat er sinds 1932 geen volkstelling plaats heeft gevonden, probeert de regering de demografische groei te controleren om het denkbeeldige confessionele evenwicht te behouden. Daarom neemt praten over rechtvaardigheid ten aanzien van gender en seksualiteit in Libanon meerdere vormen aan, die niet alleen maar zijn gericht op queer-zijn. Ze omvatten lobbyen voor een uniform familierecht, procederen voor het recht van vrouwen om hun nationaliteit aan hun kinderen over te dragen, het steunen van vluchtelingen bij het krijgen van toegang tot gezondheids- en kraamzorg, en in het algemeen, het land iets leefbaarder maken voor iedereen die geen Libanese heteroseksuele man is.

De vele groepen die in Libanon werken aan maatschappelijke thema’s rond gender en seksualiteit definiëren zichzelf door middel van hun aandachtsgebieden, en soms in tegenstelling tot elkaar. Grassrootscollectieven krijgen legitimiteit door hun informele status en door hun vermogen om zonder staatssteun en zonder financiële steun te werken. Kleine feministische organisaties, met en zonder officiële registratie, dragen bij aan het dichten van discursieve leemtes, het ontmantelen van mythes en kennisproductie. Zij hebben meestal beperkte toegang tot middelen, vanwege de monopolisering van de toegang tot financiële middelen, die zijn bestemd voor werk gerelateerd aan gender en seksualiteit door ngo’s die zichzelf als lhbt-gericht bestempelen, waarbij ze taal gebruiken die een directe verbinding maakt tussen genders, seksualiteiten en identiteiten.[7] Deze grotere ngo’s, die vaak geprivilegieerde toegang tot financiële middelen hebben, concentreren zich op hun beurt op dienstverlening en het voeren van campagnes. Ze werken aan het opzetten van toegangspunten tot gezondheids- en juridische diensten die lange tijd niet of beperkt toegankelijk waren voor queer individuen. Omdat allerlei organisatievormen samengepakt worden onder de noemer ‘civil society’ bestaan er spanningen in het operationele veld op verschillende niveaus. Er is geen eensgezindheid over wat de benaming ‘civil society’ behelst: een referentie aan maatschappelijke organen en individuen die niet hebben deelgenomen aan de burgeroorlog, aan niet-gouvernementele organisaties die werken aan hervormingsplannen, of aan een reeks niet-statelijke instanties van uiteenlopende aard.[8] Spanningen tussen deze verschillende groepen kunnen ontstaan door verschillende benaderingen van organisatie en kennisproductie, naast het ontbreken van eensgezindheid over manieren om verantwoording af te leggen binnen de beweging. Spanningen en diversiteit binnen de ngo-sector moeten echter niet te simpel worden weergegeven: verschillende complexe lokale en internationale factoren hebben invloed op de visie en de mogelijkheden van deze organisaties.

'' ''Aankondiging van een lezing in het gemeenschapscentrum van Helem. Bron: Facebookpagina Helem

Afhankelijk van de manier waarop organisaties die zich bezighouden met gender en seksualiteit zich opstellen, verwerven zij een specifiek aandachtsgebied. Sommige zetten zich in voor de afschaffing van artikel 534 van het Libanese strafrecht dat ‘onnatuurlijke seksuele handelingen’ strafbaar stelt en richten zich op mannen die seks hebben met mannen (msm). Andere organisaties concentreren zich op het bieden van gezondheidszorg en juridische steun aan vluchtelingen, en aan queer vluchtelingen in het bijzonder, en weer andere op ‘reproductieve rechtvaardigheid’ waarbij queer-zijn niet het enige kenteken is van exclusie door een inherent vijandig systeem. De term wordt gebruikt voor het aanduiden van een holistische benadering van seksuele, lichamelijke en reproductieve rechtvaardigheid. Hoewel ze een gegenderde focus hebben, richten organisaties die deze aanpak hanteren zich op meerdere gebieden die een rol spelen in het ontstaan van onrechtvaardigheid. In een Libanese context betekent dat net zozeer het strijden tegen sektarisme, xenofobie, racisme, nepotisme en validisme, als verzet tegen beperkende gendernormen. Wat verschillende organisaties mogelijk met elkaar gemeen hebben is de noodzaak om hun toekomst veilig te stellen, waarvoor ze vaak afhankelijk zijn van buitenlandse donoren. Omdat de stroom van ngo-financiering leidt tot ‘hedendaagse kapitalistische (her)kolonisatie’, is de relatie tussen geldverstrekkers en -ontvangers zodanig aan controle onderhevig dat de bekostiging van de maatschappelijke onderneming de voortgang en de koers van het werk beïnvloedt.[9]

Donoragenda’s
Om in aanmerking te komen voor financiering moeten Libanese lhbt-organisaties verantwoording kunnen afleggen aan donors. Voor Helem betekende dit dat zij moest professionaliseren, omdat ze in 2014 maar met moeite het hoofd boven water hield. Genwa Samhat, de voormalige directeur van Helem, kwam in 2014 bij de organisatie om haar weer te helpen opbouwen, zodat ze opnieuw het vertrouwen en de steun van internationale donoren en van de lokale gemeenschap kon krijgen. Deze donoren zijn grote internationale organisaties die hun hoofdkantoren in het Westen hebben en vanuit daar niet-westerse organisaties die zich richten op lhbt-rechten, zoals Helem en vele andere ngo’s in Libanon, voorzien van financiering.

'' ''Het logo van Mosaic. Bron: www.mosaicmena.org

Samhat sprak over de noodzaak om te herstructureren tijdens deze ‘transitiefase’, waarin men probeert aan de verwachtingen van donoren te voldoen: ‘De redenen waarom zij aarzelden om een relatie met ons op te bouwen, om die opnieuw aan te gaan, hadden te maken met de interne managementstructuur [van Helem]. (...) Op bepaalde momenten gaven ze aan dat Helem meer administratieve en structurele versterking nodig had.’[10] In de eerste zes maanden dat Samhat directeur was, sloot de organisatie haar gemeenschappelijke ruimte om er een administratieve plek van te maken.

Vanuit een klein kantoor leidde de oud-directeur de organisatie, voerde ze administratief werk uit en stuurde Helems beschermingsafdeling aan, die zich bezighoudt met juridische zaken waar lhbt’ers bij betrokken zijn. Gaandeweg introduceerden Samhat en enkele vrijwilligers open activiteiten. Helem ontwikkelde ook kortetermijnprojecten die functioneerden als pilots om de gebruiksklaarheid van de organisatie te testen. Als laatste werden een nieuwe strategie en een nieuwe managementstructuur voor Helem ingevoerd. Deze acties bleken de sleutel te zijn tot het opnieuw aantrekken van internationale financiering. Overeenkomsten die met donoren waren aangegaan voor kortetermijn- en pilotprojecten werden omgezet in langetermijnovereenkomsten, en de financiering om Helems gemeenschapscentrum weer te openen werd veiliggesteld.

Alle energie in de organisatie ging op aan de professionele en bureaucratische vereisten van internationale donoren, en, hoe belangrijk dat ook was, dat heeft zeker geleid tot de inperking van de politieke actieradius, omdat er geen geld was voor operationale kosten. Herstructurering – het intern op orde stellen van de organisatie om aan internationale donorcriteria te voldoen en opnieuw vertrouwen te winnen – leidde tot de volledige opheffing van politieke ruimte binnen Helem: een fysieke, veilige ruimte waar activisten en medestanders samenkomen om zich te organiseren ontbrak. Pas in 2017 was het gemeenschapscentrum van de organisatie weer helemaal ingericht en functioneel. Op dit moment beschouwt Helems voormalige directeur het als een ‘ruimte voor activisme’ en een ruimte voor ‘capaciteitsversterking’. Er is voortdurende bezorgdheid over het feit dat de financiering op elk moment gereduceerd kan worden, wat de sluiting van het gemeenschapscentrum zou betekenen en daarmee het verlies van politieke en maatschappelijke functies.

Veel organisaties zoals Helem zitten gevangen in een soortgelijk dilemma. Mosaic heeft ook te maken gehad met een periode waarin ze veel te weinig fondsen had, waardoor de organisatie genoodzaakt was consultancywerk te doen om haar diensten aan te kunnen blijven bieden. Hoewel de organisatie niet heeft beknibbeld op belangrijke diensten, verzwakten de pro-bonoactiviteiten haar vermogen om een groot aantal begunstigden te bedienen. Het gebrek aan financiële middelen werd veroorzaakt door een verschuiving in de aandachtsgebieden van de donororganisatie. Dit probleem wordt door meerdere ngo’s ervaren.

'' ''
Illustratie: Arjan Reinders

Om te kunnen voldoen aan de eisen voor financiële steun voelen veel organisaties zich genoodzaakt hun werk en focus opnieuw vorm te geven, in een taal die meer overeenkomt met die van de donor. Ontwikkelingstaal wordt vaak gekenmerkt door een teleologie van vooruitgang: landen en bevolkingen moeten snel moderniseren of zich aanpassen aan de organisatiemodellen die populair zijn in het Westen. Het doet denken aan de machtsdynamieken in de democratisering van niet-westerse landen, waarbij de soft power van donoren de civil society beïnvloedt. Dat is terug te lezen in rapporten. Sommige veranderingen bestaan alleen uit oppervlakkige herbenamingen die de kwaliteit van het werk niet schaden, maar andere vereisten van donoren zijn volledig in tegenspraak met de doelstelling van de ngo’s aan wie zij financiële steun willen bieden. Een van de mensen die we spraken vertelde bijvoorbeeld dat hun organisatie was gevraagd om een financieringsvoorstel dat oorspronkelijk ging over dienstverlening aan lbht’ers om te zetten naar een tekst over geestelijke gezondheid, omdat het aandachtsgebied van de financier was veranderd. De organisatie had lang samengewerkt met deze financier, maar weigerde om haar inspanningen opnieuw vorm te geven in het jargon van geestelijke gezondheidszorg, ook al zat er wel een component van geestelijke gezondheidszorgverlening in het oorspronkelijke voor- stel. Zij wilde niet het idee geven dat lhbt’ers inwisselbaar zijn met mensen met psychische problemen. De organisatie kreeg de financiering niet.

De humanitaire doelen van bepaalde fondsen veronderstellen dat de problematische situaties die de financiering moet zien te verhelpen volledig zullen verdwijnen. Dat verleent een fictieve tijdelijkheid aan veel inspanningen, onder het voorwendsel dat het niet nodig is om geld uit te geven aan de noden van vluchtelingen en migranten in Libanon als een conflict eenmaal is getemperd, omdat zij simpelweg niet meer in zulke grote getale in het land zouden zijn. Ngo’s die dienstverlening bieden hebben ook te maken met een probleem van benamingen en categorisering als hun werk wordt gezien als crisisverlichting in een humanitair kader. Een organisatie die werkt met transvluchtelingen die naar Libanon komen, en die van daaruit proberen elders asiel te krijgen, loopt het risico geen financiering te vinden voor het helpen van deze mensen en voor haar sociaal-juridische ondersteuning, met name door de geopolitieke druk voor de ‘wederopbouw van Syrië’. Een van onze respondenten vertelde hoe moeilijk het is om aan donoren uit te leggen dat, afgezien van het onethische aspect van het werken aan de ‘terugkeer van vluchtelingen naar hun thuislanden’, de aanwezigheid van personen die hun toevlucht zoeken in Libanon een langere geschiedenis kent dan de zogenaamde ‘migratiecrisis’ die internationale organisaties proberen te verlichten. Mensen met niet-normatieve gender- en seksuele uitingen en identiteiten komen al langer naar Libanon in de hoop op een beter leven en betere maatschappelijke omstandigheden, vanuit de verwachting dat men er minder vijandig tegenover dergelijke seksuele diversiteit staat dan in hun thuisomgeving.

Door de Syrische crisis worden donorgelden anders verdeeld en liggen de prioriteiten van internationale donoren in Libanon anders. Er is een vluchteling/gastland-ratio vastgesteld, waarbij er voor de hulp die in Libanon wordt verleend een bepaald percentage hulp aan vluchtelingen moet worden verleend. Deze ratio garandeert dat Mosaic diensten levert in een humanitair kader. Geld heeft nieuwe bestemmingen gekregen, in plaats van dat er hoognodige extra fondsen bij zijn gekomen voor het noodzakelijke werk aan beleid naast de dienstverlening, in een context die bemoeilijkt wordt door een beladen dynamiek tussen vluchtelingen en het gastland. Het karakter van de beleidsbeïn- vloeding van de organisatie is omgekeerd. Ribal, programmamanager van Mosaic, vertelt: ‘Onze huidige donor stelt dat wij nog in een humanitaire fase zitten. Daarom willen ze dat onze dienstverlening is gericht op humanitaire doeleinden of de crisis. We hebben geprobeerd om een beleidsbeïnvloedingscomponent in ons programma op te nemen, maar dat accepteerden ze niet. Ze vergeten dus dat we allereerst een lhbt-organisatie zijn en dat we aan beleidsbeïnvloeding moeten werken.’ Dit heeft een aantal problemen tot gevolg. Ten eerste wordt de beïnvloeding van beleid ten aanzien van lhbt’ers, wat door de organisatie als een prioriteit wordt gezien, gereduceerd tot een kwestie van secundair belang. Ten tweede ervaren cliënten van de gastgemeenschap de eis van donoren als een obstakel voor hun toegang tot diensten, omdat donoren bepalen wie kwetsbaar is en wie niet. Het onderscheid dat deze donoreisen creëren ondermijnt het vermogen van de organisatie om de twee gemeenschappen, vluchtelingen en gastgemeenschap, bij elkaar te brengen, stelt Ribal.

Kleine feministische ngo’s nemen een preventief standpunt in door geen financiering aan te vragen die beperkingen met zich meebrengt. We worstelen met het vinden van een manier om ons voortbestaan te garanderen zonder te veel op financiering te steunen, vooral met betrekking tot genderthema’s. Een beroep doen op fondsen van de Amerikaanse regering is bijvoorbeeld problematisch: niet alleen om imperialistische redenen, de weigering om te werken met fondsen die van een regering afkomstig zijn, en vanwege de implicaties van de Global Gag Rule (ggr), maar ook vanwege de visie op ouderschapsplanning en het beleid ten aanzien van sekswerk.[11] Op deze manier selecteren we dus een beperkte club van feministische donoren, die er net zo uitzien als wij, op dezelfde manier communiceren en een soortgelijk politiek kader hebben. Dit maakt het mogelijk om te onderhandelen en om problemen aan te kaarten. Omdat ze de intersectionaliteit van verschillende kwesties begrijpen, controleren feministische financiers niet aan wat voor thema’s er wordt gewerkt. Ze begrijpen de onmogelijkheid om je op één aspect te concentreren en het andere aspect links te laten liggen.

Desalniettemin lopen feministische organisaties tegen vergelijkbare beperkingen aan ten aanzien van financiering, omdat het vooral regeringen en overheden zijn die grote fondsen hebben. Een van onze respondenten deelde de frustratie over het feit zich aan de ontvangende kant te bevinden van trainingen over gender en aan seksualiteit gerelateerde thema’s van internationale organisaties en financiers, die weinig weten van de context waarin we werken, terwijl wij daar door onze aanwezigheid in het veld juist veel kennis over hebben. Omdat we werken vanuit specifieke lokale omstandigheden kunnen we baat hebben bij het vogelperspectief dat financiers hebben van de regionale situatie, maar alleen op het moment dat we dat overzicht nodig hebben. Als dat niet zo is, maakt het van hogerhand bepalen van de prioriteiten en aandachtsgebieden van ons werk in ruil voor een materiële bijdrage de maatschappelijke organisatie minder efficiënt en een handelsonderneming.

Als reactie op een verandering in de prioriteiten van de financier, van het gebrek aan fondsen en de competitie voor het verwerven ervan, werden lhbt-organisaties minder actief of afhankelijker van onbetaald werk. Met maar drie betaalde medewerkers die administratief werk doen, is Helem bijvoorbeeld nu meer dan ooit afhankelijk van individuele vrijwilligers. Helem heeft drie zelfgefinancierde commissies die het gros van het werk op het gebied van beleidsbeïnvloeding en gemeenschapsvorming voor hun rekening nemen. Voordat die er waren maakte Helem gebruik van een rotatiesysteem, waarbij een grote groep vrijwilligers werkzaamheden verrichtte volgens een schema. Maar dit is geen maatstaf voor veerkracht en voor het vermogen om de toekomst van de organisatie veilig te stellen. Zoals Samhat benadrukt is donorfinanciering uiteindelijk wat deze organisaties overeind houdt. Bij een tekort aan financiering steunen veel organisaties op vrijwilligers om de kosten te drukken. Mosaic heeft het personeelsbestand verkleind en tegelijkertijd de functieomschrijving van degenen die in de organisatie bleven uitgebreid om de verantwoordelijkheden opnieuw te verdelen.

Vrijwilligerswerk is een van de meest populaire manieren om deel te nemen aan politieke of maatschappelijke activiteiten in Libanon. Helaas vereist kapitalisme te allen tijde het aanbieden van gratis werk, of het nu gaat om huishoudelijk werk, het zorgen voor naasten en mantelzorg of om werk binnen ngo’s en in de humanitaire sector: een loon daarvoor verwachten wordt gezien als een uiting van een handelsmentaliteit. Om de kansen op fondsenwerving te vergroten moeten ngo’s de continuïteit van hun activiteiten kunnen waarborgen, ondanks het gebrek aan financiële middelen, wat leidt tot een vicieuze cirkel. Het is bijna alsof donoren een bijdrage leveren aan de kapitalistische druk door het opgebruiken van individuele energie tot een legitieme standaard te verheffen. Zo zeggen ze dat, in de woorden van Sarah Kaddoura, een feministische activist die sprak op Kohls conferentie over alternatieve economieën in juni 2019, ‘er een grote hoeveelheid gratis werk naar de organisatie gebracht moet worden voordat ze verkoopbaar worden of hun salaris waard zijn.’ Door al deze beperkingen wordt het werk in de civil society in hokjes opgedeeld. Financiering die voor één specifiek doel is bestemd laat sterk gevoelde leegtes achter, doordat aandachtsgebieden worden verlegd en alleen organisaties die zich op een enkel thema concentreren worden bediend. Vaak proberen activisten deze leegtes te vullen door fondsenwerving.

Bij spoedgevallen is echter vaak ondersteuning in natura nodig, omdat de staat niet voorziet in toegang tot dienstverlening aan mensen uit kwetsbare groepen, in het bijzonder als die betrekking heeft op seksualiteit. Donororganisaties die geld verstrekken voor noodsituaties beschouwen alleen gevallen die aan hun parameters voldoen als noodgevallen, zonder ze te linken aan de economische situaties die de autonomie over onze lichamen en onze keuzes onderdrukken. Omdat de meeste financiering die we ontvangen is bestemd voor activiteiten of van tevoren geplande projecten, is er niet genoeg aandacht voor urgente zaken die zich voordoen op crisismomenten, maar die buiten de parameters van de donor vallen. We moeten daarvoor terugvallen op de inzet van vrijwilligers en van fondsenwervers, wat ertoe leidt dat onze middelen worden uitgeput. De duurzame voortgang van ons werk hangt niet alleen samen met de consistentie van fondsen, maar ook met hun flexibiliteit.

Roula Seghaier is feministisch activist. Safa Hamzeh is de communitymanager van Kohl: a Journal for Body and Gender Research.

Uit het Engels vertaald door Ellen van de Bovenkamp.

Noten
[1] Aziz Choudry en Dip Kapoor, NGOization: Complicity, Contradictions and Prospects (Londen: Zed Books, 2013), 1.

[2] Nour Abu-Assab, Nof Nasser-Eddin en Roula Seghaier, “Activism and the Economy of Victimhood: A Close Look into NGO-ization in Arabic-Speaking Countries,” Interventions: International Journal of Postcolonial Studies (2020), te raadplegen via doi.org/10.1 080/1369801X.2020.1749704.

[3] Zie het themanummer getiteld “Organizing Against the Tide: Alternative Economies And Gendered Labor”. Kohl: a Journal for Body and Gender Research 5:2 (2019), via kohl- journal.press/issue-5-2.

[4] helem staat voor Himaya Lubnaniyya li-l-Mithliyyin wa-l-Mithliyyat, letterlijk ‘Libanese bescherming van homo’s and lesbiennes’. Voor een kort historisch overzicht van Helem, zie: Ghassan Makarem, “The Story of helem,” Journal of Middle East Women’s Studies 7:3 (2011): 98-112.

[5] Zie www.mosaicmena.org.

[6] Maya Mikdashi, “Sex and Sectarianism: The Legal Architecture of Lebanese Citizenship,” Comparative Studies of South Asia, Africa and the Middle East 34:2 (2014): 279- 293.

[7] Zie Abu-Assab, Nasser-Eddin en Seghaier, “Activism”.

[8] Joumana Talhouk, “Parliamentary Elections, Civil Society, and the Barriers to Political Change,” Kohl 4:1 (2018), via kohljournal.press/parliamentary-elections.

[9] Choudry en Kapoor, NGOization.

[10] Interview met Genwa Samhat, 27 januari 2020.

[11] 'The Global Gag Rule' is de naam die critici hebben gegeven aan de gevolgen de US Mexico City Policy (1984). Die wet verbiedt alle instanties die financiering voor gezondheidszorg ontvangen van de Amerikaanse federale overheid om cliënten de mogelijkheid tot abortus te bieden en om die mogelijkheid te bespreken. In eerste instantie betrof deze wet binnenlandse gezondheidszorginstellingen, maar onder het presidentschap van Donald J. Trump werd ze in 2017 ook van toepassing op gezondheidszorg elders ter wereld die gefinancierd wordt door de vs. Zie Arianne Shahvisi, “‘Women’s empowerment’, Imperialism, and the Global Gag Rule,” Kohl 4:2 (2018), via kohljournal.press/ womens-empowerment.