12
min leestijd
A- A+

Dubbelrecensie 'Het vervallen huis van de islam'


Dubbelrecensie 'Het vervallen huis van de islam'

In 2019 verscheen het boek Het vervallen huis van de islam van de socioloog Ruud Koopmans. Hierin betoogt Koopmans dat de islamitische wereld zich in een steeds diepere crisis bevindt. Middels een kwantitatieve methode ging Koopmans op zoek naar de wortels van het 'probleem', die hij vindt in religie en islamitisch fundamentalisme. Koopmans' conclusie dat de islam ten grondslag ligt aan veel huidige problemen in de islamitische wereld is niet onomstreden. Het boek is sinds het verschijnen in verschillende Nederlandstalige media besproken, maar grondige analyses van zijn methoden en conclusies bleven uit. Hoe kijken islamwetenschappers in Nederland tegen het boek aan? ZemZem publiceert twee uiteenlopende perspectieven op het boek van Corné Hanssen (Universiteit Utrecht) en Roel Meijer (Radboud Universiteit Nijmegen), beiden werkzaam op het gebied van islam en Midden-Oostenstudies. Middels deze dubbelrecensie beogen we de discussie over het boek van Koopmans van de nodige nuance te voorzien. 

'' ''

Ruud Koopmans
Het vervallen huis van de islam
Uitgeverij Prometheus
288 p. € 24,99

Toch een islamofoob boek? / Roel Meijer
Ruud Koopmans, hoogleraar sociologie en migratie in Berlijn, heeft een ambitieus boek geschreven. Zijn centrale stelling is dat de gehele islamitische wereld in een crisis verkeert en dat hij die kan verklaren vanuit de islam zelf. Als socioloog gaat hij niet in op islamitische theologische discussies. Maar net als bij het ideaal van het communisme en het destijds ‘reëel bestaande socialisme’ in het Oostblok, gaat hij uit van de ‘reëel bestaande islam’ en kijkt hij naar de houding van moslims ten opzichte van democratie, mensenrechten, politiek en religieus geweld, en de positie van de vrouw (p. 43). Om deze crisis te verklaren zet hij een aantal stappen. Ten eerste schrijft hij de crisis toe aan de opkomst van het fundamentalisme dat in 1979 met de Iraanse revolutie en de bezetting van de Grote Moskee in Mekka opkomt (p. 21-25). Ten tweede definieert hij het fundamentalisme, dat zowel onder christenen als moslims te vinden is, zo breed mogelijk. Het fundamentalisme bestaat volgens hem uit drie principes: a) ‘Christenen [moslims] moeten terug naar de wortels van het geloof’; b) er is maar één interpretatie van de Bijbel [Koran] waaraan alle christenen [moslims] zich moeten houden; c) de regels van de Bijbel [Koran] zijn voor mij belangrijker dan de wetten van Nederland [Duitsland, Frankrijk, enz.]’ (p. 34). Koopmans noemt dit een ‘gesloten fundamentalistisch geloofsbeeld’ dat aanmoedigt tot ‘vijandigheid ten opzichte van andere groepen’ (p. 37), zoals religieuze minderheden, homo’s en atheïsten. Discriminatie en geweld valt met name vrouwen ten deel omdat de islamitische wereld ‘de boot miste bij wat waarschijnlijk de belangrijkste sociale innovatie van de twintigste eeuw is geweest: de emancipatie van de vrouw’ (p. 159). Dit heeft allerlei nare gevolgen: het patriarchaat blijft in stand, veel vrouwen nemen niet deel aan onderwijs en het economische proces en de bevolkingsgroei in de islamitische wereld is veel hoger dan elders in de wereld.

Hij staaft zijn stellingen met uitgebreide kwantitatieve/statistische vergelijkingen tussen islamitische en niet-islamitische landen en groepen op het terrein van democratie, onderwijs, economische groei, wetenschappelijke prestaties en mensenrechten, waarbij steevast de eerste categorie slechter scoort dan de tweede. Daarentegen scoren islamitische groepen en landen in vergelijking met niet-islamitische landen juist veel hoger op het gebied van geweld, oorlogen en terrorisme. Zijn conclusie is dat ‘[I]n het algemeen geldt dat de problemen van onderdrukking, geweld en economische stagnatie des te groter zijn naarmate landen langer en dieper onder invloed van de islam hebben gestaan’. Hij voegt daar meteen aan toe dat de problemen het diepst zijn op het Arabisch Schiereiland ‘dat nog gedurende het leven van Mohammed geïslamiseerd werd’ (p. 46). 

Om zijn stellingen verder kracht bij te zetten, schuift hij alle niet-religieuze verklaringen voor de crisis van de islam een voor een terzijde. Het gevolg is dat de islamitische wereld een uitzondering is op wetenschappelijke theorieën. Zo zou volgens Koopmans de correlatie die bestaat tussen welvaart en democratie, niet gelden voor de islamitische wereld, want ook al zijn Arabische landen welvarend (de Golfstaten), dan nog zijn ze niet democratisch (p. 61-63). De correlatie tussen afhankelijkheid van grondstoffen en onvrijheid (‘oil curse’) zou evenmin opgaan voor de islamitische wereld. Ook de invloed van het kolonialisme acht Koopmans gering als verklaring voor de crisis van de islamitische wereld. Daarvoor zou de koloniale overheersing te kort hebben geduurd. Libië stond slechts van 1911 tot 1951 onder Italiaans/Brits bestuur; Irak werd in 1917 door de Britten veroverd ‘maar [zou] 15 jaar later alweer onafhankelijk zijn’. Hetzelfde geldt voor Syrië, dat slechts van 1923 tot 1946 een Frans mandaat was. Sowieso trekt hij het negatieve effect van het koloniale verleden in twijfel. ‘Als een paar decennia westers bestuur funest zou zijn voor de kansen op democratie, hoeveel erger zou het dan niet moeten zijn in landen die veel langer met westers kolonialisme te maken hadden’ (p. 70-71). De twee islamitische democratieën, Tunesië en Senegal, hebben respectievelijk van 1881 tot 1956 en vanaf de vijftiende eeuw onder Frans en Portugees koloniaal bestuur gestaan. Indonesië en Maleisië stonden veel langer onder Nederlands en Brits bestuur en hebben daar alleen baat bij gehad (p. 70-71). 

In andere hoofdstukken gaat hij in op de religieuze wortels van onvrijheid. Het ontbreken van de scheiding van kerk en staat en de centrale rol van de sharia vormen volgens hem de bronnen voor onvrijheid, discriminatie en onderdrukking (p. 154). Dit verklaart waarom Pakistan, in tegenstelling tot India, buitenechtelijke seks en godslastering strafbaar stelt en rechten van vrouwen, homo’s en religieuze minderheden onderdrukt (p. 78-90). Het zal niet verbazen dat Koopmans Samuel Huntington’s The Clash of Civilizations aanhaalt om zijn culturele betoog te schragen. In zijn verhaal over de religieuze oorzaak van het economische verval van de islamitische wereld verwijst hij naar het werk van de Turks-Amerikaanse econoom Timur Kuran, die in zijn onderzoek aantoont dat het verbod op rente en banken de economische ontwikkeling heeft tegengehouden (p. 149-151). Door het hele boek wijst hij op de rol van de islamitische geestelijkheid, die de scheiding van staat en kerk hebben geblokkeerd en daarmee de cruciale ontwikkeling naar moderniteit. Tenslotte heeft het fundamentalisme iedere wetenschappelijke houding tegengehouden die ‘niet van religieuze aard is en die niet op de Koran en de Profeet teruggaat’ (p. 177). Al deze factoren komen tenslotte samen in hoofdstuk 7, ‘De moeizame integratie van moslimmigranten’, waarin hij stelt dat ‘Het belang van culturele factoren verklaart waarom we, als we het integratiesucces van moslims met dat van andere migrantengroepen vergelijken, hetzelfde patroon zien: migranten uit islamitische landen zijn op vrijwel alle dimensies van integratie hekkensluiters’ (p. 184). Dat geldt voor hun schoolprestaties, arbeidsparticipatie, inkomen, taalbeheersing, seksrollen en tolerantie. Daarbij vergelijkt hij bijvoorbeeld christelijke Libanezen met Libanese moslims in Australië, hindoes met moslims in Groot-Brittannië en Marokkanen en Turken in Europa met andere migranten.

Koopmans boek staat of valt bij zijn vier basisstellingen: a) zijn definitie van het fundamentalisme; b) zijn bewering dat de meerderheid van de moslims fundamentalist zijn; c) dat het fundamentalisme na 1979 de boventoon voert in de islamitische wereld; en d) dat de crisis van de islamitische wereld alleen uit de islam verklaarbaar is en niet uit andere, niet-religieuze factoren (kolonialisme en economie). Daarnaast hangt veel af van zijn vergelijkende kwantitatieve methode.

Ik wil niet te lang stilstaan bij zijn eerste stelling, want die is makkelijk te weerleggen. Dat de meeste moslims in een enquête invullen dat de Koran als waarheid beschouwd moet worden en dat andere godsdiensten minderwaardig zijn, zegt niet zoveel. Mensen kunnen tegenstrijdige ideeën huldigen en dit is er een van. Een van de kritieken op Koopmans boek is dan ook dat hij de vele nuances, verschillen en tegenstrijdigheden bij moslims niet meeneemt. Zijn brede definitie van fundamentalisme sluit moslims op in één identiteit, terwijl iedere socioloog weet dat mensen meerdere identiteiten hebben die met elkaar om de voorrang strijden, zelfs ‘fundamentalisten’. Het is waar dat het in het Midden-Oosten moeilijk is te tornen aan dogma’s en de macht van religie, maar Koopmans heeft geen oog voor nieuwe trends zoals het oplevend atheïsme, het massale verzet tegen het sektarisme in Libanon en Irak (in Irak al vanaf 2015), de traditionele anti-mollah cultuur in Iran, die vergelijkbaar is met de antiklerikale cultuur in Frankrijk, en alle subculturen die er leven onder jongeren die niets moeten hebben van islamitisch dogmatisme. Dit laat onverlet dat als een enquêteur een moslim op de man afvraagt of hij de islam als de waarheid beschouwt, hij een bevestigend antwoord krijgt. Zijn methode laat geen ruimte voor het in beschouwing nemen van de diepgaande debatten in de islamitische wereld over gelijkheid, democratie en sociale rechtvaardigheid, of de secularisering van islamitische partijen, zoals de Tunesische Nahda-partij en zelfs de salafistische Nour-partij in Egypte (acceptatie van politiek is al een stap op weg naar secularisatie). Overigens is de laatste niet liberaal maar wel democratisch, wat misschien een belangrijker onderscheid is. Door zo ongenuanceerd moslims op één hoop te gooien, gaat er onwillekeurig een dreiging uit van de islam en wordt het boek toch islamofoob, wat Koopmans zegt niet te willen (p. 11). 

Wat kan je tegenover het eendimensionale boek van Koopmans inbrengen? Laat ik voorop stellen dat ik het eens ben met de stelling dat de islam een crisis doormaakt. Het salafisme is daar de beste uitdrukking van. Maar ik zou de oorzaken van de crisis aan de politiek toeschrijven niet aan religieuze factoren en ik zou een vergelijkende historische methode kiezen in plaats van een kwantitatief sociologische. Ik beperk me tot het Midden-Oosten en Noord-Afrika, waar ik het meest vanaf weet. In tegenstelling tot wat Koopmans beargumenteert, spelen politiek, economie en kolonialisme wel degelijk een grote rol. De analyse van de invloed van het Westen op de regio moet ook niet beperkt blijven tot het formele kolonialisme, zoals Koopmans doet, maar tot de economische, militaire en politieke invloed die in de achttiende eeuw begon. Omdat de regio aan Europa grenst, heeft het Midden-Oosten en Noord-Afrika meer dan elders in de wereld te lijden gehad onder het Westen - en nog steeds. De oorlogen en gewapende incidenten tussen de regio en Europa, of in de regio met Europa, zijn ontelbaar. Al in de negentiende eeuw was het Midden-Oosten een grondstoffenproducent en een afzet- en investeringsgebied van industriële producten. De reden waarom christenen het zoveel beter deden - een stelling waar Koopmans voortdurend op terugkomt - is niet omdat ze slimmer waren of het christendom een scheiding maakt tussen kerk en staat, maar omdat christenen betere relaties hadden met Europa, profiteerden van extraterritoriale rechten en missiescholen en gebruik konden maken van financiële voorzieningen die Franse en Britse consuls en handelaren aanboden, zoals de aangehaalde Timur Kuran onderstreept. Fransen en Britten hebben overal politieke instellingen geïntroduceerd, zoals grondwetten, die ze net zo makkelijk ondermijnden als het hun uitkwam. Bijna nergens hebben ze geholpen liberale waarden, die er wel degelijk waren, te ondersteunen. Onderwijs hebben ze systematisch verwaarloosd. Overal hebben ze grootgrondbezit geïnstitutionaliseerd. Van een korte koloniale periode is evenmin sprake. Van de vier ‘plagen’ die de regio trof en die elkaar in standhouden - de stichting van de staat Israël, oliewinning en de opkomst van de Golfstaten, dictatoriale regimes en een fundamentalistische islam - is het Westen voor een groot deel verantwoordelijk. De desastreuse ontwikkeling van het zionisme dat eerst Palestina en daarna de regio heeft ontwricht, doet Koopmans luchthartig af, maar is een etterende wond die een belangrijke verklaring is voor de radicalisering in het Midden-Oosten. Niet 1979, maar 1967 en de Zesdaagse Oorlog wordt gezien als het keerpunt, omdat toen seculiere regimes met behulp van het Westen verpletterend werden verslagen. Toen eenmaal de dictatoriale regimes in het kamp van het Westen waren beland, werd er alles aan gedaan die in het zadel te houden. Het is waar, zoals Koopmans stelt, dat het Syrische Baath-regime niet door het Westen werd gesteund, maar de rol van de alawieten gaat terug op de verdeel-en-heerspolitiek van de Fransen, die grotendeels nog nawerkt tot op de dag vandaag en die door veel onderzoekers de schuld krijgt van de verharding van de grenzen tussen sektes. De Amerikaanse inval in Irak 2003 is een niet geringe oorzaak van de verspreiding en verdieping van het jihadisme en het sektarisme. Het moment waarop de regio de verkeerde afslag heeft genomen, ligt eerder bij de overgang van het koloniale naar postkoloniale tijdperk, of de moeizame overgang van rijk naar natiestaat, dan in 1979, dat alleen voor Iran relevant is.  

Dit wil niet zeggen dat de islam helemaal geen rol speelt bij het gebrekkig respect voor wetenschappelijke kennis, autocratie, homofobie en de positie van de vrouw. Evenmin valt te ontkennen dat het idee van ‘de islam als een totaalsysteem’ - het basisidee van het islamisme als ideologie - niet funest is geweest voor politieke ontwikkelingen in de regio. Een secularisering van de politieke sfeer is onontbeerlijk voor het bedrijven van een kritische, rationele politiek en de opvoeding van bredere lagen van de bevolking. Maar de negatieve kanten van de islam zijn veelal een reflectie van andere ontwikkelingen in de regio. Door uitsluitend de islam de schuld te geven, geeft Koopmans geen verklaring van de crisis behalve een die is gebaseerd op een cirkelredenering: het fundamentalisme heeft geleid tot het fundamentalisme. 

Roel Meijer is als docent verbonden aan Islamstudies, Radboud Universiteit Nijmegen. Hij houdt zich de afgelopen jaren bezig met de geschiedenis van het concept en de praktijk van burgerschap in de Arabische wereld. 


Ruud Koopmans en het verdriet van de islamitische wereld / Corné Hanssen
Het is alweer een dik jaar geleden, februari 2019, dat Het vervallen huis van de islam van socioloog Ruud Koopmans, hoogleraar sociologie aan de Humboldtuniversiteit in Berlijn, verschenen is. Van het boek is ondertussen een aantal recensies verschenen en Koopmans heeft in verschillende media opgetreden om erover te praten. In zijn boek heeft Koopmans het over de belabberde situatie op gebieden als bestuur, mensenrechten, economie en onderwijs en wetenschap in veel landen, waarvan de meerderheid van de bevolking islamitisch is. Bijna al deze landen hebben autoritaire regimes, de corruptie tiert er welig, het is er slecht gesteld met de mensenrechten, en op het gebied van wetenschap brengen zij bijna niets voort. Hij laat zien dat niet sociaaleconomische of historische factoren de oorzaak van deze situatie zijn, maar dat het de islam is en de manier waarop moslims de islam als leidraad voor hun individuele en maatschappelijke moraal nemen.

Een deel van het Nederlandse publiek was al bekend met hem sinds 2015. In dat jaar verschenen in de Nederlandse media reacties op de presentatie door Koopmans van de resultaten van eerder onderzoek naar hoe sterk fundamentalisme en vijandschap jegens andersdenkenden in West-Europa leven onder enerzijds moslims en anderzijds christenen. Waar het om fundamentalisme ging was aan moslims en christenen in verschillende West-Europese landen gevraagd of gelovigen terug zouden moeten gaan naar de wortels van hun geloof, of er maar één interpretatie van Bijbel of Koran de juiste is, en of religieuze regels belangrijker zijn dan seculiere wetten. De mate van vijandigheid naar andersdenkenden werd bepaald door te vragen of gelovigen homoseksuelen als vriend wilden hebben, of joden te vertrouwen zijn, en -voor christenen- of moslims erop uit zijn de Westerse cultuur te vernietigen, en -voor moslims- of het Westen erop uit is de islam te vernietigen. Koopmans had de resultaten in 2013 op een conferentie in Amsterdam gepresenteerd onder de titel ‘Religious fundamentalism and out-group hostility among Muslims and Christians in Western Europe’. Hij concludeerde dat fundamentalisme en afwijzing van andersdenkenden onder moslims veel meer voorkomt dan onder christenen.

Het onderzoek van Koopmans werd op uiteenlopende manieren ontvangen. Aan de extreemrechtse kant van het politieke spectrum werd het gebruikt ter ondersteuning van de uit die hoek bekende retoriek tegen de islam als religie in het algemeen. Een aantal sociologen en islamologen in Nederland had moeite met de uitkomsten en conclusies van het onderzoek. Koopmans’ methode van onderzoek werd bekritiseerd om aan te tonen dat de uitkomsten ervan niet valide waren en dat zijn conclusies niet klopten. In Duitsland protesteerden studenten van de Fachschaft, de studentenvakbond in Berlijn waar Koopmans hoogleraar is, omdat hij blind zou zijn voor de discriminatie die moslims ondervinden. Noch de dubieuze steun van extreemrechts noch de kritiek van academische zijde heeft hem weerhouden Het vervallen huis van de islam te publiceren. Wellicht vormden beide zelfs een aansporing tot het schrijven van het boek.

Al in het ‘Woord vooraf’ aan het begin van het boek neemt Koopmans afstand van de opvatting die bij extreemrechts gepredikt wordt: dat de fundamentalistische interpretatie van de islam de enige correcte is, dat er sprake is van dé islam en dat die fundamentalistisch is. Koopmans zegt dat het er bij de islam, net zoals bij andere religies, om gaat hóe deze religie en de bronteksten ervan geïnterpreteerd worden. Hij verzet zich dus tegen een essentialistische benadering van religie in het algemeen, en de islam in het bijzonder. Het gaat er om wat moslims van de islam maken. In een radio-uitzending van Radio 1 in mei 2019 zegt hij dat zijn these over de islam de these van Wilders op zijn kop is. Waar Wilders de islam bekritiseert maar niet de moslims, bekritiseert Koopmans juist niet de islam maar wel de moslims. Dat wil zeggen: de moslims die hun religie op fundamentalistische wijze interpreteren en naleven.

Als het gaat om kritiek van vakgenoten kan Koopmans’ weerwoord in zijn boek onder twee kopjes worden ingedeeld. Het ene is dat van een verweer tegen de politieke correctheid die leeft onder een deel van zijn vakgenoten en andere academici. Men is overgevoelig voor het benoemen van negatieve kanten van de islam. Een overgevoeligheid die voortkomt uit het gegeven dat men moslims als migranten en als een onderdrukte groep beschouwt. Migranten die bovendien naar Nederland zijn gekomen om te ontsnappen aan dictatoriale regimes van islamitische landen die door het Westen aan de macht zijn gebracht of in het zadel worden gehouden. Als er iets mis is met de situatie van deze migranten dan is dat uiteindelijk de schuld van het Westen.

Bij het tweede kopje belanden we op het gebied van de filosofie van de sociologie, bij de vraag wat in principe geldige verklaringen kunnen zijn voor maatschappelijke verschijnselen en verhoudingen. Koopmans heeft in de jaren tachtig aan de Universiteit van Amsterdam politicologie gestudeerd. De achterliggende filosofie, of om de term van wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn te gebruiken, het paradigma, waarbinnen de maatschappij bestudeerd en uitgelegd werd was daar destijds historisch materialistisch. Maatschappelijke verschijnselen, conflicten en tegenststellingen zijn daarin terug te voeren op een sociaaleconomische basis. Cultuur en religie zijn bijverschijnselen van sociaaleconomische factoren. Om concreet te zijn: als er problemen zijn in de islam kunnen die per definitie niet te herleiden zijn op de islam als religie.

Een deel van het boek wijdt Koopmans aan het ontkrachten van deze tweede aanname. In de verschillende hoofdstukken vergelijkt hij wereldwijd, voor landen onderling, wat de situatie is op het gebied van discriminatie, vrouwenrechten, economie, wetenschap en onderwijs, democratie en terreur. In de ranglijsten van landen die slecht scoren op deze punten staan landen waarin de islam de grootste religie is steevast aan de top. Als hij mogelijke historische, economische of politieke oorzaken voor die slechte positie probeert te vinden, vallen die in een vergelijking met andere landen af. De factor die telkens overblijft is die van de islam. Zo vallen bijvoorbeeld een koloniaal verleden, slavernij, economie of een historie van dictatuur af als verklaringen. Koopmans valt zo buiten het paradigma waarin hij in de jaren tachtig onderwezen is. 

De sociologie kent verschillende denkrichtingen of scholen en verschillende methodologieën. Wetenschappers van de ene school hebben het vaak niet zo op met de zienswijzen en methoden van hun collega’s van andere scholen. Als wetenschappers van een bepaalde school binnen de sociologie het onderzoek van Koopmans niet kunnen velen, wil dat niet per se zeggen dat zijn werk niet valide is. Het is goed mogelijk dat het alleen niet in de denkwijze van de betreffende school past. 

Tegen de overgevoeligheid voor het benoemen van negatieve kanten van de islam brengt Koopmans twee argumenten in. Ten eerste wijst hij erop dat het een aantal decennia geleden in Nederland gangbaar was het christelijke geloof op satirische en sarcastische wijze hard aan te pakken. Er was toen geen sprake van angstgevoelens om gelovigen te kwetsen. Ten tweede, en dat is voor hem het belangrijkste, wijst hij op de grote desinteresse of soms zelfs het ontkennen van de onderdrukking van religieuze minderheden, geloofsafvalligen, vrouwen en homoseksuelen in de islamitische wereld.

Koopmans’ boek en eerdere onderzoek heeft ondertussen de nodige kritiek gekregen. Daarbij werd zelfs zijn deskundigheid als wetenschapper in twijfel getrokken. Zelf is hij daar niet erg van onder de indruk. In de eerdergenoemde radio-uitzending zegt hij daarover dat zijn discussies met moslims vaak zinvoller zijn dan die met mensen die menen voor moslims te moeten opkomen.

Corné Hanssen is universitair docent bij de opleiding Islam en Arabisch van de Universiteit Utrecht. Hij doceert de Arabische taal en geschiedenis van de islamitische wereld. Zijn onderzoek betreft de varianten van de sjiitische islam, de vroege islam en het Tarifit of Rifberber. Van zijn hand verscheen de Leergrammatica Arabisch. Daarnaast is hij lid van de redactie van het blad ChinaNu, waarvoor hij regelmatig artikelen schrijft.