7
min leestijd
A- A+

Net als over het islamdebat valt er over deze bundel weinig positiefs te melden


Net als over het islamdebat valt er over deze bundel weinig positiefs te melden

Gert Jan Geling en Jan Jaap de Ruiter 
Wordt het nog wat met het islamdebat?
Parthenon 
345 p. € 25,-

Omdat de eerstvolgende ZemZem volledig over gender gaat, inclusief de boekrecensies, wordt deze recensie niet daarin gepubliceerd, maar hier op de website. Dat blijkt in dit geval uitermate terecht, want in deze essaybundel is slechts een van de vijftien auteurs een vrouw, een buitengewoon treurige score qua genderbalans. Was er echt niemand anders dan Ayaan Hirsi Ali bereid om een bijdrage te leveren aan dit boek, waarin de balans wordt opgemaakt van drie decennia islamdebat in Nederland?[1] Zeker zo verontrustend is dat het perspectief van de belangrijkste belanghebbenden, namelijk moslims, grotendeels ontbreekt. Youssef Azghari is de enige die vanuit een islamitisch perspectief schrijft over het islamdebat. Ook qua leeftijd is de diversiteit ver te zoeken. Enerzijds is dat te begrijpen, omdat er in dit boek vooral wordt teruggeblikt op drie decennia islamdebat in Nederland; anderzijds zou je juist van iemand die jonger is dan 40 willen horen of ‘het nog wat wordt met het islamdebat’.

'' ''

Wat ook meteen opvalt is dat veel van de auteurs in het publieke debat (extreem)rechtse standpunten innemen. Niet in de laatste plaats de twee initiatiefnemers, Jan Jaap de Ruiter, als arabist verbonden aan Tilburg University, en Gert Jan Geling, hogeschooldocent Integrale Veiligheidskunde. Zij stippen dit punt zelf aan in het voorwoord: ze hadden gehoopt om een breed palet van standpunten in de bundel op te nemen, maar met name linksgeoriënteerde en islamitische intellectuelen wensten niet met rechtse islamkritische denkers in een boek te verschijnen. Dat is jammer, maar ook begrijpelijk, vooral na het lezen van de bijdrage van oud-journalist Carel Brendel, auteur van Het verraad van links en De onzichtbare ayatollah, die hier de gelegenheid krijgt om zijn onversneden racistische ideologie te etaleren. Brendel is opgelucht dat demografische statistieken laten zien dat de groei van het aantal moslims in Nederland minder sterk is dan in ‘meer “sombere” voorspellingen’ (sic) verwacht werd. Hij ‘nuanceert’ dit door de hoop uit te spreken dat sommige van de moslims uit de statistieken misschien nog seculier zullen worden. Het dragen van een hoofddoek, vasten tijdens de ramadan, moskeebezoek en het nuttigen van halal eten ziet hij als uitingen van de politieke islam, wat zijn angst versterkt dat de islamisten het in Nederland voor het zeggen krijgen.

Naast Azghari, Hirsi Ali en Brendel geven Frits Bolkestein, oud-VVD’er Oussama Cherribi, Afshin Ellian, oud-Kamerlid voor D66 en voorzitter van het Humanistisch Verbond Boris van der Ham, voormalig PVV-Kamerlid Joram van Klaveren, opiniemaker Ewout Klei, Halim El Madkouri, Han Entzinger en Walter Palm hun mening, in de vorm van een essay of interview met Geling of De Ruiter. De keuze voor deze auteurs maakt dat Wordt het nog wat met het islamdebat? vooral interessant is als een historisch overzicht van het islamdebat dat achter ons ligt. Bij het opmaken van de balans van dertig jaar debatteren klinkt vaak vermoeidheid door, en er is weinig ruimte voor toekomstperspectieven. Omdat het te ver voert om elke bijdrage te behandelen in deze recensie, pik ik er een paar uit die er voor mij uitsprongen.

De bijdrage van Bolkestein laat goed zien hoe uitspraken die dertig jaar geleden voor opschudding zorgden nu gemeengoed zijn geworden. Grappig genoeg hanteert hij een salafistische benadering als hij de tijd van de kaliefen ophemelt, ‘verlichter dan wij toen waren’. Ook Hirsi Ali kijkt met enige weemoed terug op de jaren negentig, toen zij het debat kwalitatief veel hoger vond dan nu. Het baart haar zorgen dat de radicalisering in Nederland niet is gestopt (voor de goede orde: zij heeft het hier niet over de rechtse radicalisering, maar over islamitische radicalisering), doordat Nederland te veel hecht aan dialoog en alleen islamitisch terrorisme bestrijdt, in plaats van ook de groei van de politieke islam te stoppen. Net als Brendel lijkt Hirsi Ali te worden geïnspireerd door de zogenaamde ‘vervangingstheorie’, die gebaseerd is op de vrees dat het aantal moslims in westerse landen dusdanig groeit dat zij het er straks voor het zeggen hebben.

Walter Palm, jarenlang verantwoordelijk voor het integratiebeleid op rijksniveau, zoekt de oorzaken van het islamdebat wel erg ver weg en betrekt de Tachtigjarige Oorlog erbij. Hij schakelt van een uitstapje naar de tulpenrage (ja, die van de zeventiende eeuw) over naar de film Fitna, om tot de conclusie te komen dat religieuze tolerantie als hart van de Nederlandse identiteit ter discussie is komen te staan door de opkomst van de PVV. Knap hoe hij tegelijkertijd te kort door de bocht is én uit de bocht vliegt. Hoewel hij op meerdere punten te ver uitweidt (dat het woord mokka zijn oorsprong vindt in een Jemenitische stad bij de argumentatie dat de Nederlandse identiteit niet gelijkstaat aan de Nederlandse taal), ontbreken er ook basale stappen in zijn analyse. Alleen in de slotzin slaat hij de spijker op zijn kop: ‘Hoog tijd dus om Nederlandse moslims te accepteren als Nederlanders en hen te betrekken bij het islamdebat.’

Want dat is natuurlijk waar het volledig misgaat, en wat dit boek eens te meer overduidelijk maakt: er wordt voortdurend over de hoofden van moslims heen gepraat, in plaats van met hen – of, nog veel beter: door hen. En over welke discussie hebben we het eigenlijk als we het over ‘islamdebat’ hebben? Azghari, docent-onderzoeker aan Avans Hogeschool en auteur van meerdere boeken over diversiteit, is de enige in deze bundel die deze term letterlijk heeft geïnterpreteerd. Hij gaat niet in op de integratie of assimilatie van Nederlanders met een moslimachtergrond, maar schetst welke stromingen binnen de islam met elkaar in conflict zijn. Daarbij gaat hij overigens mee in door Nederlandse islamcritici geagendeerde thema’s, door het begrip jihad toe te lichten en een vergelijking tussen Mohammed en Jezus te maken.

Hoogleraar rechten en oud-NRC-columnist Afshin Ellian komt met een academische verhandeling, waarin hij allereerst keurig refereert aan Michel Foucault om de non-kritische benadering, die volgens hem gemeengoed is in de Europese academische wereld, aan de kaak te stellen. Na dertig bladzijdes intellectueel onanisme, waarbij onder anderen Popper, Plato, Aristoteles, Wittgenstein, Khansari, Nussbaum, Kant en Hobbes voorbijkomen, keert hij eventjes terug naar de thematiek van het islamdebat om ‘de desastreuze effecten’ te bespreken van het ‘hedendaags modieus anti-essentialisme’ dat ervoor zorgt dat cultuurrelativisten islamkritiek pareren met het argument dat ‘de islam’ niet bestaat. Vervolgens trekt hij opnieuw een boekenkast omver (waarbij de lezer wordt bedolven onder de Koran, Rousseau, Hegel, Wael Hallaq, Soroush, Crone, Roy, en nog een aantal andere fameuze geschriften) om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat ‘de islam’ wel degelijk bestaat.

Gert Jan Geling ziet linkse intellectuelen die de islam verdedigen als islamofielen en introduceert het begrip jihadsplaining, ‘de term die staat voor het, wellicht soms goed bedoelde, uitleggen van motieven van jihadisten door niet-jihadisten’. Vervolgens maakt hij zich zelf echter ook schuldig aan ‘splaining’ als hij voor niet-religieuzen met een islamitische achtergrond hun positionering invult.

De dominantie van niet-moslims in het islamdebat is een van de problemen die ter sprake worden gebracht door Ewoud Butter, oprichter van de website Republiek Allochtonië, die voor deze bundel werd geïnterviewd door De Ruiter. Net als veel andere auteurs en geïnterviewden in dit boek, kijkt hij gematigd positief terug op de beginperiode van ‘het islamdebat’: ‘Diverse heikele onderwerpen, waaronder Nederlandse imamopleidingen, de positie van vrouwen en lhbt’ers, radicalisering en dergelijke werden in de collegezaal en in bijeenkomsten bij islamitische organisaties geagendeerd. Dat ging in goed overleg en leidde tot levendige discussies onder leiding van een islamitische intellectueel die bij alle toehoorders gezag genoot.’ Butter benadrukt dat dit nu niet meer het geval is en dat niet-moslims de agenda bepalen, wat zowel voor gelovige als voor seculiere moslims negatief uitpakt. Helaas is zijn bijdrage de uitzondering die de regel bevestigt. 

Een ander lichtpuntje in Wordt het nog wat met de islam? is de bijdrage van socioloog Han Entzinger, die veel onderzoek heeft gedaan naar de leefwereld van Nederlandse moslimjongeren. Hij geeft een heldere, gestructureerde analyse van de pijnpunten in het islamdebat: allerlei globale ontwikkelingen zorgen ervoor dat de islam voortdurend negatief in het nieuws komt; de zogenaamde tweede generatie is een stuk mondiger dan de eerste generatie en komt op voor haar rechten; en de multiculturele tolerantie van de autochtone bevolking is omgeslagen in assimilatiedruk. 

Het meest verfrissende standpunt komt wat mij betreft van PvdA-lid en voormalig FORUM-medewerker Halim El Madkouri, die geen blad voor de mond neemt. Ondanks de irritante manier waarop De Ruiter dit interview heeft opgetekend – ‘“Wel”, zo reageert hij’ en ‘Ik reageer met de volgende vaststelling’ – is dit een van de meest leesbare hoofdstukken van de bundel. El Madkouri geeft een korte analyse van de linkse politiek, die niet goed wist wat ze aan moest met de moslimkwestie in Europa. Verder stelt hij, verwijzend naar de christelijke gemeenschappen in Nederland, dat orthodoxie in principe geen probleem is, maar dat het dat wel kan worden als het versterkt wordt door politieke verongelijktheid. Over populistische, extreemrechtse partijen zegt hij: ‘De agenda van die partijen is dat ze zich verzetten tegen “een islam-ideologie in Europa” en vergelijkbare grote slogans, maar dat zijn allemaal loze kreten, want ik heb zelf nooit een islam zien wandelen op straat. Het zijn moslims. En als je iets tegen de islam hebt, dan heb je ook iets tegen moslims. In die zin ben je een racist en je maakt van moslims een raciale groep, wat feitelijk bijna onmogelijk is omdat de islam volgers over de hele wereld heeft.’

Jan Jaap de Ruiter spreekt zich in de media vaak kritisch uit over allerlei onderwerpen die met de islam te maken hebben, maar kwam in 2018 zelf ineens negatief in het nieuws, toen bleek dat de conclusie van een door hem begeleid proefschrift onvoldoende was onderbouwd. Een integriteitscommissie berispte hem daarvoor. Toch bestaat De Ruiter het om dat proefschrift hier nog eens aan te halen om zijn bewering te staven dat salafistische instellingen zich ‘afzetten tegen de samenleving en opsluiten in de eigen koker’. Hij maakt het erg persoonlijk door zonder een spoor van sarcasme te melden hij dat het strelend voor zijn ego was dat een van zijn tegenstanders in het islamdebat zijn naam meerdere malen herhaalde, en door op tragikomische wijze verslag te doen van een gesprek dat hem niet beviel met Kader Abdolah, die ‘een net zo’n groot ego als zijn snor’ heeft. Als hij afsluit met het voornemen zich niet meer in het debat te mengen, maar zich voortaan te richten op de studie van het Arabisch - ‘me vergapen aan dat sierlijke schrift en me onderdompelen in die bijzondere klanken’ (hoezo oriëntalistisch?) – zal menig lezer verzuchten: ‘Had dat in godsnaam eerder gedaan!’

Omdat niet van tevoren duidelijk is gemaakt wat nu precies de kern van het islamdebat is – een probleem dat overigens wel benoemd wordt door Geling – zijn de bijdragen aan Wordt het nog wat met het islamdebat? zeer uiteenlopend. Ze variëren van een overzicht van drie decennia VVD-politiek ten aanzien van integratie en een verhaal over de politieke carrière van Wilders tot een uiteenzetting over de begintijd van de islam en een quasifilosofisch betoog over essentialisme. Het is moeilijk er een lijn in te ontdekken, en dat is tegelijkertijd wederom een kenmerk van het zogenaamde islamdebat: het waaiert alle kanten uit en het is onduidelijk waar het begint en waar het ophoudt.

Dit boek is een heldere representatie van de treurnis van het islamdebat van de afgelopen dertig jaar: haantjes die tegen elkaar opbieden, waarbij de enkele academische bijdrage of rationele overweging overstemd wordt door narcistisch gebral. Niemand die precies weet te benoemen waar de kern van het probleem ligt, als dat er überhaupt nog is. Dat er niemand van onder de veertig zijn (en al helemaal niet haar) mening heeft gegeven is hoopvol: tijd voor een jongere generatie die korte metten maakt met al het geneuzel over religieuze en etnische achtergronden. 

Noten
[1] Enkele suggesties: Fidan Ekiz, Fatima Elatik, Ebru Umar, Naïma Azough, Annebregt Dijkman, Fatiha Azzarhouni, Rita Verdonk, Petra Stienen, Annelies Moors, Nadia Bouras, Petra Sijpesteijn, Fleur Agema, Fenna Ulichki, Ayşegül Kiliç, Esma Choho, Lamyae Aharouay, Esmaa Alariachi, Mariam El Maslouhi, Maria Bouanani, Rabia Karaman, Nadia Ezzeroili, Nora Kasrioui, Fadime Örgü, Ineke Roex, Femke Halsema, Hassnae Bouazza, Annabel Nanninga, Machteld Zee, Anne Dijk, Nadia Moussaid.