8
min leestijd
A- A+

'Vertellen is een oneindige zee'


‘Vertellen is een oneindige zee’

De verhalen van Duizend-en-een-nacht zijn onlosmakelijk verbonden met het leven van Richard van Leeuwen. Hij maakte de eerste Nederlandse vertaling van de Arabische vertellingen, en is ook daarna bezig gebleven met de verhalen van Sjahrazaad. In juli 2018 bracht hij bij uitgeverij Brill het vuistdikke The Thousand and One Nights and Twentieth-Century Fiction uit. In dit boek staan literaire werken uit de twintigste eeuw centraal die beïnvloed zijn door Duizend-en-een-nacht; een invloed waarvoor volgens Van Leeuwen nog te weinig aandacht is. ZemZem sprak met hem.

 

'' ''

Op een koude en grijze dinsdagmiddag in januari tref ik Richard van Leeuwen in Café Van Zuylen, een bruine Amsterdamse kroeg naast het P.C. Hoofthuis van de Universiteit van Amsterdam, de plek waar hij veel van zijn tijd doorbrengt. Na het bestellen van een kop thee, legt hij al snel een boek op tafel. Het is een ander boek van zijn hand dat in 2017 eveneens bij Brill verschenen is: Narratives of Kingship in Eurasian Empires, 1300-1800. Ook in dit boek spelen de vertellingen van Duizend-en-een-nacht een belangrijke rol, maar niet zo prominent als in het boek dat in dit interview centraal staat. In The Thousand and One Nights and Twentieth-Century Fiction bespreekt Van Leeuwen de literaire werken van onder andere Margaret Atwood, Naguib Mahfouz, Haruki Marukami, Marcel Proust, Tayyib Salih en Laïla Sebbar; allemaal werken waarin de invloed van en de relatie met de vertellingen van Duizend-en-een-nacht duidelijk naar voren komt. Hoewel dit slechts enkele voorbeelden zijn van de auteurs die Van Leeuwen behandelt, laat de lijst de grote diversiteit van romans zien die hij op intertekstuele wijze heeft geanalyseerd om te ontrafelen hoe de vertellingen van Duizend-en-een-nacht doorwerken in de twintigste-eeuwse wereldliteratuur. Deze tour de force won in 2020 de Sheikh Zayed Award.[1]

Duizend-en-een-nacht
De verhalen van Duizend-en-een-nacht gaan over heel gewone mensen, maar geven ook een podium aan djinns en andere bovennatuurlijk krachten en figuren. Het is precies deze samenkomst van twee werelden die volgens Van Leeuwen de grote populariteit van de verhalen in het Europa van de achttiende eeuw verklaart. Het kaderverhaal van Duizend-en-een-nacht wordt gevormd door koning Sjahriaar die, nadat hij door zijn vrouw bedrogen is, besluit iedere avond een andere maagd te trouwen en haar de volgende ochtend te executeren. Sjahrazaad biedt zichzelf aan de koning aan als bruid, met als plan om iedere nacht een verhaal vertellen dat wordt onderbroken als de zon opkomt. Dit weerhoudt koning Sjahriaar er namelijk van haar te executeren: hij wil immers de volgende avond horen hoe het verhaal afloopt. Uiteindelijk weet ze hiermee haar leven en dat van de andere vrouwen in het koninkrijk te redden.   

Het is niet duidelijk wanneer en hoe de traditie van Duizend-en-een-nacht is ontstaan. Van Leeuwen ziet de vertellingen als een ‘medium dat een verhaal door de geschiedenis draagt en dat op een gegeven moment aan de oppervlakte komt in een bepaalde vorm die we dan kennen als Duizend-en-een-nacht.’ Volgens Van Leeuwen is de Osmaanse tijd cruciaal geweest in het verspreiden van de verhalen, omdat zich in die tijd twee ontwikkelingen voordoen. Ten eerste komen er in die tijd literaire stromingen uit de Arabische en Aziatische wereld samen. Ten tweede is er, tegelijkertijd, sprake van overdracht van kennis en verhalen naar Europa. 

De Franse oriëntalist en archeoloog Antoine Galland (1646-1715) bracht tussen 1704 en 1717 de eerste Franse, twaalfdelige vertaling van Duizend-en-een-nacht uit, Les mille et une nuits. Van Leeuwen merkt op dat het ironisch is dat Galland het meest geroemd is om zijn vertalingen en niet om zijn andere academische werk. Hij beschouwde zichzelf, volgens Van Leeuwen, als een serieuze wetenschapper en het vertalen van literatuur werd in die tijd gezien als een frivole bezigheid, die ver afstond van serieuze wetenschap. De vertaling van Galland leidde tot een grote interesse in Duizend-en-een-nacht en al snel werd er gezocht naar andere manuscripten en gewerkt aan nieuwe vertalingen. Duitse vertalingen van Von Hammer Purgstall, Maximilian Habicht en Gustav Weil volgden in de eerste decennia van de negentiende eeuw. De eerste Engelse vertaling, door Edward Lane, werd tussen 1838 en 1840 gepubliceerd. 

Vanaf de eerste Franse vertaling is er ‘een grote golf ontstaan van interesse in Duizend-en-een-nacht en die duurt nog steeds voort,’ vertelt Van Leeuwen. De vertellingen vielen in goede aarde in het achttiende-eeuwse Europa waarin vragen over de relatie tussen realiteit en fictie, magie en religie, Europa en andere beschavingen centraal stonden. Nu pas ziet men hoe structureel die invloed is geweest, aldus Van Leeuwen. Men ging toentertijd namelijk nadenken over de rol van literatuur en er ontstonden verschillende nieuwe genres. Duizend-en-een-nacht gaf tijdens de Verlichting inspiratie en stof tot nadenken over de relatie tussen tekst en werkelijkheid en bovennatuurlijke verschijnselen. Van Leeuwen beschouwt niet zozeer het exotisme van Duizend-en-een-nacht als de belangrijkste invloed, maar eerder het concept van het werk en de vertelstructuur. De raamvertelling was binnen Europa als genre wel bekend, maar hier is ook binnen de raamvertelling sprake van een plot. Deze nieuwe vertelstructuur inspireerde Europese auteurs. Het is vooral in perioden waarin met literatuur werd geëxperimenteerd en naar nieuwe literaire vormen werd gezocht, zoals in de achttiende eeuw, dat Duizend-en-een-nacht als voorbeeld werd gebruikt, als een reservoir van literaire motieven en structuren. 

‘In Duizend-en-een-nacht’, zegt Van Leeuwen, ‘is vertellen als een oneindige zee, die maar door gaat en in principe geen begrijpelijke structuur heeft, je begint eraan, wordt erdoor meegesleurd en je moet maar kijken waar het eindigt. Literatuur en vertellen als vorm van overleven, iets dat gelijkstaat aan het leven zelf.’ De Europese receptie van Duizend-en-een-nacht is volgens Van Leeuwen duidelijk niet alleen een vorm van oriëntalisme of onderdeel van het westerse koloniale discours; hij beschouwt de Europese receptie als een fase in de incorporatie van Duizend-en-een-nachtin de wereldliteratuur.[2]

'' ''
                                                     Richard van Leeuwen

Magisch toeval
Van Leeuwen kwam voor het eerst in aanraking met Duizend-en-een-nacht in de jaren zeventig. Samen met een andere vertaler ontdekte hij dat er nog geen Nederlandse vertaling op basis van de brontekst bestond. Uitgeverijen hadden er in die tijd echter nog geen belangstelling voor omdat het een te ambitieus project zou zijn. Die belangstelling kwam pas twintig jaar later. Het vertaalproject begon in 1991 en zou zeven jaar duren. Door de grote populariteit van het eerste deel was het financieel mogelijk om door te gaan met de volgende vertalingen. Als een echte Sjahrazaad heeft Van Leeuwen stap voor stap aan de vertalingen gewerkt, telkens weer een nieuw gedeelte. Dat geldt ook voor het werk dat hij verzet heeft voor Thousand and One Nights and Twentieth-Century Fiction. Niet lang na de afronding van de driedelige vertaling begon Van Leeuwen aan dit project, dat in totaal meer dan vijftien jaar heeft geduurd. 

Door zijn vertaalwerk stapte Van Leeuwen een ander universum in, waarin hij met steeds meer literatuur in aanraking kwam die duidelijke relaties met de verhalen van Duizend-en-een-nacht laat zien. De grote hoeveelheid materiaal riep vragen op als ‘Hoe moet al die informatie verwerkt worden?’ en ‘Wat kan hiervoor zinnigs uitkomen?’. Uiteindelijk is Van Leeuwen stap voor stap, auteur voor auteur te werk gegaan. Voor hem was het bepaald geen straf, want hij is altijd al in literatuur geïnteresseerd geweest. Als vertaler van moderne Arabische literatuur is dat vanzelfsprekend; hij heeft eigenlijk altijd al een zeer brede literaire interesse gehad. ‘Voor een boek als dit moet je zo ongelooflijk veel lezen, en wat is er leuker dan lezen? Het is een kans geweest om binnen een bepaald kader, met een soort rode draad, de wereldliteratuur te verkennen.’ In deze zoektocht stuitte Van Leeuwen soms ‘bij volstrekt, magisch toeval’ op boeken die een duidelijke verwantschap met Duizend-en-een-nacht vertonen. Hij vertelt dat hij door de jaren heen, en door veel te struinen over boekmarkten en te neuzen in antiquariaten, een intuïtie heeft ontwikkeld voor boeken en verhalen die gevoed zijn door Duizend-en-een-nacht.

Door al die jaren met de teksten bezig te zijn, zitten de vertellingen van Duizend-en-een-nacht als het ware in zijn DNA. Dit heeft als voordeel, aldus Van Leeuwen, dat hij bij zijn zoektocht naar de doorwerking van Duizend-en-een-nacht niet, zoals literatuurwetenschappers, uitgaat van de achtergrond van de schrijver, het opduiken van de naam Aladin, of ‘exotische verwijzingen’ in de tekst, maar dat hij de vertelstructuur van een roman als uitgangspunt neemt. Hij is zo bekend met de technieken en verhalen van de cyclus dat hij op basis van de vertelstructuur en -technieken kijkt of een literair werk verwantschap vertoont met Duizend-en-een-nacht. Deze werkwijze verschilt dus sterk van de manier waarop literatuurwetenschappers die ook met het onderwerp bezig zijn de receptie van de verhalencyclus in de literatuur benaderen. Daarnaast is er reeds relatief veel belangstelling voor de receptie van Duizend-en-een-nacht in de achttiende eeuw, terwijl de negentiende en de twintigste eeuw tot nu toe nog maar weinig aandacht hebben gekregen. In dit boek concentreert Van Leeuwen zich op de belangrijkste literatuur van de twintigste eeuw waarin een duidelijke relatie met de verhalen van Duizend-en-een-nacht naar voren komt. 

Dat Duizend-en-een-nacht nog steeds belangrijk is voor hedendaagse literatuur komt volgens Van Leeuwen door de vraag wat de relatie is tussen fictionele tekst en realiteit. Deze kwestie leidt tot experimenteerdrift bij veel auteurs, die teruggrijpen op Duizend-en-een-nacht voor vernieuwingen van literaire stijl en genre. ‘Duizend-en-een-nacht is een oervorm van literatuur,’ legt Van Leeuwen uit. Steeds weer keren mensen terug naar Duizend-en-een-nacht om te onderzoeken hoe fictie en realiteit zich tot elkaar verhouden. ‘Dit gold voor experimenten in de achttiende en ook weer in twintigste eeuw, een onuitputtelijke gereedschapskist.’ Oriëntalisme is volgens Van Leeuwen de minst interessante vorm van invloed van de vertellingen op de wereldliteratuur; de structurele, conceptuele laag is veel belangrijker geweest. 

Welke boeken wel en welke niet?
Boeken van auteurs als James Joyce, Angela Carter, Paul Auster, Georges Perec en Gabriel García Márquez zijn uiteindelijk door Van Leeuwen opgenomen in zijn boek, omdat ze bepalend zijn geweest voor de wereldliteratuur en omdat er sprake is van een relatie met de vertellingen van Duizend-en-een-nacht. Er zijn echter ook schrijvers die hij niet heeft opgenomen maar die wel degelijk een vermelding in een overzicht zouden verdienen, omdat er toch sprake is van een relatie met de verhalencyclus. Voorbeelden hiervan zijn de Zwitserse schrijver Blaise Cendrars (1887-1961) en de Italiaanse schrijver Elio Vittorini (1908-1966). Beiden hebben in hun jeugd Duizend-en-een-nacht gelezen en beschouwen het als een inspiratiebron voor al hun latere werk. Hoewel dit interessant is, is Cendrars niet bepalend geweest voor de literatuur in de twintigste eeuw, zoals bijvoorbeeld William Faulkner of Vladimir Nabokov dat wel waren, reden voor Van Leeuwen om Cendrars uiteindelijk niet op te nemen in zijn boek. 

Naast de literaire werken die direct beïnvloed zijn door Duizend-en-een-nacht, zijn er ook belangrijke romans die indirect zijn beïnvloed. Absolom, Absolom! (1936) van William Faulkner (1897-1962) heeft duidelijk doorgewerkt in de verhalen van de Amerikaanse schrijfster Toni Morrison (1931) en de Zuid-Afrikaanse auteur André Brink (1935-2015)In Morrisons Beloved (1987) en Brinks Imaginings of Sand (1996) is de vertelstructuur zo opgezet dat die direct verwijst naar Duizend-en-een-nacht terwijl er sprake is van een indirecte doorwerking.[3] Net als Sjahrazaad gebruiken de personages in deze romans het vertellen als een manier om geweld te bestrijden, om te ontkomen aan de dood. 

Grote verrassingen
Als ik Van Leeuwen vraag wat zijn grootste of meest interessante vondst was de afgelopen jaren, dan blijft het niet bij één voorbeeld. Niettemin is de rol die het oriëntalisme speelde tijdens het interbellum een van de opvallendste verrassingen voor hem geweest. De Duitse schrijver Ernst Jünger (1895-1998), de schilder en schrijver Rudolf Schlichter (1890-1955) en de Oostenrijkse boekillustrator en schrijver Alfred Kubin (1877-1955) waren gefascineerd door Duizend-en-een-nacht. Hun verbeeldingen van de verhalencyclustegen de achtergrond van de turbulente Duitse politiek, zijn volgens Van Leeuwen ‘bizar, heftig, soms wel fout’. Later was er een andere Duitse schrijver, Botho Strauss (1944), groot criticus van het postmodernisme, die ook weer verwees naar Duizend-en-een-nacht. In deze complexe periode, gekenmerkt door oorlogen en uitsluiting, zijn er in de literatuur en schilderkunst dus ook relaties met Duizend-en-een-nacht te vinden. 

Ook de Argentijnse literatuur bleek een verrassing en een bron van interessante verwijzingen en doorwerkingen van Duizend-en-een-nacht. Macedonio Fernández (1874-1952), mentor van Jorge Luis Borges (1899-1986), schreef een roman die in feite geen roman is – ‘Volstrekt onleesbaar,’ zegt Van Leeuwen. De vertellingen van Duizend-en-een-nacht lopen sindsdien als een rode draad door de Argentijnse literatuur. Hij verklaart de Argentijnse interesse in de Arabische verhalen door de invloed van het Europese oriëntalisme op de Argentijnse literatuur en de zoektocht naar een eigen culturele identiteit in relatie tot de ‘Oriënt’ als de periferie van Europa.[4] Deze voorbeelden laten zien dat Van Leeuwen niet alleen de relaties tussen Duizend-en-een-nacht en literaire werken uit de twintigste eeuw uiteenzet, maar deze ook plaatst tegen de historische achtergrond waarin deze romans worden geschreven. 

Nog altijd ontdekt Van Leeuwen nieuwe boeken waarin de invloed van Duizend-en-een-nacht duidelijk naar voren komt. Een boek over de negentiende eeuw moet nog volgen. Dat is momenteel nog even toekomstmuziek; eerst staan er Mekkaanse reisverhalen, geschreven tussen 1850 en 1945, op het programma. Richard van Leeuwen zal in ieder geval blijven lezen, omdat er niets heerlijker is dan te worden meegesleurd door de oneindige zee van verhalen.

Dorieke Molenaar is redacteur van ZemZem.

Noten
[1] Het boek van Van Leeuwen won in 2020 n de categorie voor ‘Arabic Culture in Other Languages’. De Sheikh Zayed Book Award wordt jaarlijks uitgereikt aan ‘outstanding writers, intellectuals, and publishers, as well as young talent whose writing and translation in humanities objectively enriches Arab intellectual, cultural, literary and social life.’ Zie voor meer informatie: https://www.zayedaward.ae/en/media.center/news/sheikh.zayed.book.award.announces.shortlists.for.arabic.culture.in.other.languages.and.publishing.and.technology.award.categories.aspx

[2] Van Leeuwen, Thousand and One Nights and Twentieth-Century Fiction, (Leiden: Brill, 2018), 10. 

[3] Ibid., zie pp. 395-406.

[4] Ibid., zie pp. 269-274.