3
min leestijd
A- A+

Bikkelhard portret van de Marokkaanse klassenmaatschappij


Bikkelhard portret van de Marokkaanse klassenmaatschappij

Welke problemen ondervindt een jonge Marokkaanse vrouw door een buitenechtelijke zwangerschap? Daarover gaat de film Sofia, aldus de synopsis. Inderdaad begint de film daarmee en daar valt genoeg over te vertellen, maar dit pijnlijke verhaal dient vooral als plot voor een bikkelhard portret van een Marokkaanse familie uit de middenklasse.

'' ''

Sofia is ongewenst zwanger geraakt en heeft haar zwangerschap verdrongen, waardoor ze totaal onverwacht van een baby’tje bevalt. Dit is sowieso niet de beste manier om een kind op de wereld te zetten, maar in Marokko al helemaal niet. Het eerste waar iedereen in Sofia’s omgeving aan denkt, is hoe de eer van de familie gered kan worden. Sofia moet vertellen wie de vader is, en vervolgens wordt er van alles bekokstoofd om ervoor te zorgen dat deze jongeman zo snel mogelijk zijn verantwoordelijkheid neemt en het kind erkent. Behalve nicht Léna bekommert niemand zich om het lot van de kersverse moeder of haar kindje. 

Maar Léna kan het zich permitteren om zich om haar nichtje te bekommeren. Zij is het kind van een Marokkaanse moeder en een Franse vader, die zich door haar hogere sociale status veel meer kan veroorloven dan Sofia, wier ouders deels financieel afhankelijk zijn van háár ouders. Léna spreekt perfect Frans, draagt de laatste mode en hoeft niet te werken, terwijl Sofia meestal gekleed gaat in een djellaba en haar baan bij een callcenter is kwijtgeraakt omdat ze Frans spreekt met een Marokkaans accent. Het flagrante verschil tussen de twee nichtjes wordt mooi geïllustreerd door de scène op het terras van een café, als Léna de ober terugstuurt met een glas jus d’orange dat niet vers geperst zou zijn – gewoon, om hem te laten merken dat zij de baas is – en Sofia haar verbaasd gadeslaat.

De film is bijna een antropologische studie van klassenverschillen in Casablanca: filmmaakster Meryem Benm’Barek laat zien hoe zowel de financiële middelen, de geografie, de taal als de fysieke verschijning daarbij een rol spelen. Zo groeide Sofia’s geliefde Omar op in Derb Sultan: een arme, maar gezellige volkswijk in hartje Casablanca, nog redelijk ver verwijderd van de schrijnende armoede in de sloppenwijken aan de rand van de stad. Maar door het dedain en de afkeurende blikken waarmee de ouders van Sofia en Léna erover spreken, zou je denken dat Omar op een vuilnisbelt huist. Léna’s ouders daarentegen wonen in de chique wijk Anfa, terwijl de ouders van Sofia hun afkomst niet hebben kunnen ontstijgen en nog steeds in de oude stad wonen. De openingsscène van de film, waarin er in het Frans wordt gesproken over investeringsmogelijkheden en complimentjes worden gemaakt over Fransen, laat goed zien hoe er momenteel in Marokko sprake is van een verschuiving in de manier waarop er tegen de voormalige bezetters wordt aangekeken: lange tijd werden Fransen – en meer in het algemeen Europeanen – als het toonbeeld van vooruitgang, verfijndheid en goede manieren gezien, maar de conversatie waarmee Sofia opent is potsierlijk – en duidelijk zo bedoeld. Ondertussen vangt de onderklasse de klappen op voor de door status geobsedeerde burgerij: Omar wordt tegen zijn wil betrokken in familieperikelen waar hij part noch deel aan heeft, en na de plotselinge geboorte van de ongewenste baby komt de familie bijeen in het huis van huishoudster Fatna, die zich meteen bekommert om Sofia.

Sofia lijkt alles lijdzaam te ondergaan tot er halverwege de film een kentering plaatsvindt, waarbij duidelijk wordt dat zij nog meer een slachtoffer is dan je in eerste instantie dacht. Tegelijkertijd blijkt ook dat zij de touwtjes sterker in handen heeft dan je eigenlijk verwachtte. Ondanks het niet altijd overtuigende acteerwerk van de acteurs in de bijrollen is dit een ijzersterke debuutfilm, die terecht al verschillende prijzen heeft gewonnen. Sofia legt feilloos bloot hoe alles in Marokko om geld draait, en hoe het dwangmatige ophouden van de schone schijn leidt tot vergaande vormen van hypocrisie. Dat de baby Amal wordt genoemd, ‘hoop’, lijkt haast een cynische knipoog van de Belgisch-Marokkaanse filmmaakster te zijn, want alles in de film wijst erop dat niemand bereid is om concessies te doen aan de huidige maatschappelijke normen – mannen noch vrouwen. Ook Léna, die de enige leek met schroom en een sociaal geweten, volgt uiteindelijk het voorbeeld van haar moeder.

Sofia opent met de tekst van wetsartikel 490 uit het strafboek, dat seks voor het huwelijk strafbaar stelt. Dit artikel is volledig achterhaald en is in strijd met de praktijk; seks buiten het huwelijk is in Marokko een wijdverbreide praktijk. Deze film is een pleidooi om dit artikel eindelijk eens uit het wetboek te halen, maar laat vooral zien dat dit verre van het enige probleem is waar de hedendaagse Marokkaanse maatschappij mee te kampen heeft. Zonder een mentaliteitsverandering hebben juridische aanpassingen weinig zin. Misschien is de naam Amal toch geen cynisme, maar een aanmoediging aan de jongere generaties in Marokko om korte metten te maken met de klassenmaatschappij en de materialistische mentaliteit die daarmee samengaat.

Ellen van de Bovenkamp is antropologe. Ze is geïnteresseerd in Arabische literatuur en film, postkolonialisme, Marokko en Europese islam.