3
min leestijd
A- A+

De stad Qom


De stad Qom

Steden zijn symbolen van cultuur, macht, religie, en als zodanig worden steden van oudsher geprezen of bekritiseerd. In de Perzische literatuur bestaat een genre waarin steden geprezen of beschimpt worden, en meestal heeft dit te maken met de ervaringen van een individu in die stad. Er zijn tal van voorbeelden te noemen uit zowel de klassieke als de moderne Perzische literatuur, maar een bijzonder geval is de stad Qom. Deze oude stad kent een lange pre-islamitische geschiedenis, maar werd na de Arabische veroveringen al snel een centrum voor islamitische theologie, en is vooral populair onder sjiieten vanwege de aanwezigheid van het mausoleum van Fateme al-Ma‘sume, de zus van de achtste sjiitische imam Ali ibn Musa al-Reza (gest. 818). 

'' ''

Illustratie: Arjan Reinders

Als religieuze stad heeft Qom mensen zowel geïnspireerd om de stad te prijzen als om haar te verfoeien. Ayatollah Khomeini (1902-1989) schreef in zijn jonge jaren bijvoorbeeld verschillende gedichten waarin hij niet alleen Fateme al-Ma‘sume, de beschermvrouwe van de stad, verheerlijkte, maar ook het seminarie van Qom als de vaandeldrager van de islamitische wereld voor zich zag. Wellicht het bekendste gedicht over Qom is er een uit kritische, seculiere hoek, van de dichter Nader Naderpur, de belichaming van de Perzische poëzie in de diaspora. 

Voor zijn zelfverkozen ballingschap was Naderpur een dichter van naam in Iran en publiceerde hij verschillende bundels. Na de Islamitische Revolutie ging hij naar Europa en later naar de Verenigde Staten, waar hij op 18 februari 2000 stierf. Als seculiere intellectueel was hij een scherp criticus van de politieke ontwikkelingen in Iran na de revolutie van 1979. Zijn gedicht over Qom (1953) bracht hem veel roem, vooral vanwege de zeer eenvoudige manier waarop hij deze woestijnstad in woorden vangt:

Qom

een paar duizend vrouwen,

een paar duizend mannen:

de vrouwen met een hoofddoek over het hoofd,

de mannen met een mantel over de schouder.

oude ooievaars

op een gouden koepel

een tuin zonder ziel 

met een paar eenzame bomen.

leeg, zonder gelach,

zwijgzaam, zonder woord.

een vijver halfvol

met groenig water.

wat oude kraaien

op een stapeltje stenen.

groepen bedelaars langs de weg

bij iedere stap.

witte tulbanden,

zwarte gezichten.

Als door een cameralens toont de dichter wat hij ziet van een afstand, met korte beschrijvingen van mensen, hun karakteristieke kleding, en de gouden koepel. De vogels in deze stad zijn oude ooievaars en kraaien. De ooievaar staat symbool voor het aanbidden van God: hij wordt in Iran geassocieerd met de overlevering al-mulk lak, al-amr lak, al-hamd lak – ‘Uw is het koninkrijk, Uw is het bevel, Uw is de lofprijzing.’ Met zijn klepperende lak-lak-geluid wordt de ooievaar beschouwd als een vrome vogel die constant God prijst. 

De tuinen in Qom hebben geen ziel en de paar bomen in de tuinen staan verspreid, eenzaam. Normaliter worden de roos en de nachtegaal genoemd in beschrijvingen van tuinen. Maar hier zijn geen rozen en ook geen nachtegaal. Zij hebben plaatsgemaakt voor de kraai, een symbool van onheil, geassocieerd met het winterseizoen en het aardse bestaan. Wellicht verwijst de dichter naar de vele begraafplaatsen in Qom, die soms ook als tuin worden aangeduid. De tuin Qom is dus een doodse tuin, en dat zien we ook in de treurige vijver. In Perzische poëzie is de vijver het centrum van de tuin van waaruit het water de vier delen van de Perzische tuin bevloeit, en waar mensen omheen zitten om het leven te vieren. In de periode dat Naderpur dit gedicht schreef, was het water van Qom berucht vanwege zijn onaangename, zilte smaak. Ook in dit gedicht is het water in de vijver door stilstaan groen geworden, en hij is slechts halfvol: teken van leven, of sociale interactie, ontbreekt. 

De toon van het gedicht is bedrukkend, triest en levenloos. Hoewel de stad tuinen, vogels, mensen, en een glimmende gouden koepel heeft, lokt zij de mensen niet om van de stad te komen genieten. De korte versregels lijken de haast van de dichter te tonen, alsof hij snel de stad wil verlaten. Doordat Naderpur een kleinerend woord voor hoofddoek gebruikt, latsjak, laat hij zien dat hij die hoofddoek niet waardeert, een teken dat hij religie afkeurt. Het gedicht eindigt met een verwijzing naar de vele bedelaars, de witte tulbanden van de geestelijken en de zwarte gezichten. 

Naderpur schetst een deprimerend beeld van de stad Qom. Tegenover het beeld van de stad als centrum voor sjiitische theologie, bron van nostalgie voor geestelijken als Ayatollah Khomeini, bestaat er een kritisch beeld van Qom waarin de stad symbool staat voor de manier waarop seculier Iran de religie ervaart. Zo kunnen steden een middel worden om diverse ideologieën uit te beelden. Kraaien of nachtegalen, dood of leven. Naderpur liet Qom snel achter zich.

Asghar Seyed-Gohrab is universitair Hoofddocent aan de Universiteit Leiden, opleiding Midden-Oostenstudies, waar hij track-leader is van Perzische en Iraanse Studies. Hij heeft verschillende Perzische dichtbundels naar het Nederlands vertaald.

Hans de Bruijn en Asghar Seyed-Gohrab, Een schipper van was, kleiner dan God: gedichten van Nader Naderpur, (Leidschendam: Quist, 2006).