6
min leestijd
A- A+

Moellah Omar en het westerse onbegrip


Moellah Omar en het westerse onbegrip

Biggest. Mistake. Ever.’ Aan het woord is journaliste Bette Dam, tijdens de presentatie van haar boek Op zoek naar de vijand in het Amsterdamse Podium Mozaïek. Ze heeft het over het feit dat ze nooit eerder naar Zabul is gegaan, de Afghaanse provincie waar Talibanleider moellah Omar na de Amerikaanse inval in 2001 jarenlang verborgen heeft gezeten. In een poging om te ontrafelen wie nou toch de vijand is tegen wie het Westen in Afghanistan strijdt, ging ze op zoek naar de man die tussen 1996 en 2001 over Afghanistan regeerde.

'' ''

Ondanks het bedrag van tien miljoen dollar dat de CIA op zijn hoofd had gezet, wisten de Amerikaanse en Afghaanse inlichtingendiensten moellah Omar niet te vinden. Zij meenden dat hij ergens in Pakistan moest zitten. Niets bleek minder waar. De jaren na de val van de Taliban tot zijn dood in 2013 bracht moellah Omar ondergedoken door op twee verschillende locaties in de zuid-Afghaanse provincie, de laatste op een uurtje loopafstand van een Amerikaanse basis. Toen het manuscript van dit boek al bij de uitgever lag, sprak Dam met Omars beschermer in deze periode, Abdul Jabbar Omari, die inmiddels onder huisarrest in Kabul verbleef. Hij vertelde haar het hele verhaal.

‘Ja’, zegt ze, wanneer ik haar er later naar vraag, ‘ik heb echt wel grote aanwijzingen gemist.’ Maar zouden mensen wel hebben willen praten toen Omar nog leefde? Ze geeft toe: het heeft waarschijnlijk wel geholpen dat hij al dood was. Maar toch, al aan het begin van haar onderzoek in 2012-2013, toen Omar dus nog leefde, was haar gezegd naar Zabul te gaan. ‘Als ik daar wat had rondgehangen... Wie weet, wie weet.’

In haar boek beschrijft Dam, die vier jaar in Afghanistan werkte als correspondent voor verschillende Nederlandse media waaronder NRC Handelsblad, de levensloop en opkomst van moellah Omar en de Taliban in de historische context van Afghanistan. Van de val van koning Zahir Sjah (reg. 1933-1973), via de communistische Saur-Revolutie van 1978 en de daaropvolgende Sovjetinval in 1979, naar de door Amerika gesteunde moedjahedienbeweging die tegen de Sovjets vocht, en ten slotte de Amerikaanse invasie in 2001 – Dam laat zien hoe destructief de afgelopen decennia zijn geweest voor de Afghaanse bevolking, en hoe de omstandigheden in het zuiden van het land leidden tot de opkomst van de Taliban. Daarbij onderzocht ze in het bijzonder moellah Omar, waarvoor ze met een groot aantal mensen die hem hebben gekend sprak, en naar verschillende belangrijke plaatsen uit zijn leven afreisde. Door deze aanpak van haar onderzoek weet ze een beeld te schetsen van Omar en het zuidelijke Afghanistan waar hij vandaan komt dat dieper gaat en veel meer inzicht biedt dan het gebruikelijke westerse narratief.

In Afghanistan hadden de conservatieve moellahs hadden zich al hevig verzet tegen de hervormingen onder Zahir Sjah, en dat verzet nam onder het communistische bewind alleen maar toe. Het waren dan ook vooral de studenten uit de hujera’s, de kleine plattelandsschooltjes waar de lokale geestelijken, de moellahs, lesgaven en zelf ook waren opgeleid, die ten strijde trokken tegen de Sovjets. Ook moellah Omar was actief betrokken bij deze jihad, en was naar verluidt vooral handig met raketten. Hij verloor bij een bombardement zijn rechteroog, een van de weinige fysieke kenmerken die de Amerikanen later van hem zouden weten. Ook kwamen er Arabische jihadisten naar Afghanistan om mee te strijden tegen de Sovjets, waaronder Osama bin Laden. Maar, zoals Dam beschrijft, de relaties tussen de Afghaanse moedjahedien en deze Arabische strijders waren moeizaam. Het vertrek van de Sovjets in 1989 leidde echter niet tot vrede in Afghanistan, maar tot intern conflict tussen verschillende jihadistische groeperingen en krijgsheren. In de jaren negentig werkte Omar als moellah in Haji Ibrahim in Kandahar. Dam beschrijft hoe Omar en een aantal anderen zich verzetten tegen de krijgsheren die de autowegen blokkeerden en daar tol hieven. Zo werd hij uiteindelijk de leider van een opstand van hujera-studenten, gecombineerd met lokale militieleden, tegen die tollenaars. Hun beweging was een succes, en Omars macht groeide. De beweging kwam bekend te staan als de Taliban, ‘studenten’, en streefde een islamitische staat na.

Dam ontkracht verschillende hardnekkige mythes over Omar. Zo heeft ze geen enkele aanwijzing kunnen vinden dat hij aan madrassa’s in Pakistan studeerde, zoals veelvuldig is beweerd, noch dat de Pakistaanse overheid überhaupt hand had in de stichting van de Taliban. Evenmin, beschrijft ze, waren Omar en Osama bin Laden twee handen op een buik, zoals dit door de westerse veiligheidsdiensten, en in het kielzog daarvan door de westerse media, wordt gepresenteerd. Sterker, de relatie tussen de twee was moeizaam. In tegenstelling tot Bin Laden stonden Omar en de Taliban ook niet afkerig tegenover banden met de internationale gemeenschap – in tegendeel, ze probeerden juist herhaaldelijk om erkend te worden door de VN en diplomatieke relaties aan te knopen. Dams interviews met zowel hooggeplaatste Talibanfunctionarissen als internationale diplomaten laten zien hoezeer Omar met de aanwezigheid van Bin Laden in Afghanistan in zijn maag zat, én hoe de Talibanleider uit alle macht bleef proberen om internationaal aansluiting te vinden.

Het was tevergeefs: na de aanslagen van 11 september vielen de VS en zijn bondgenoten, waaronder Nederland, immers Afghanistan binnen. De westerse troepen kregen echter totaal geen grip op de situatie, en tot op de dag vandaag ettert het conflict door. Dam laat zien hoe ingewikkeld de situatie was en is, met allerhande bondgenootschappen die snel wisselen, conflicterende belangen, en grote aantallen machtige en minder machtige spelers. Vanaf het begin worstelden westerse veiligheidsdiensten en militairen met de problematiek van een onduidelijke vijand. De Taliban was weliswaar zeer snel uit de macht gezet, maar de gevechten en aanslagen gingen door. Door het Westen werd dit gezien als een conflict tussen de Taliban en de door het Westen gesteunde nieuwe overheid: in werkelijkheid speelden er allerlei lokale machtsconflicten mee, waar de buitenlandse troepen vervolgens in meegezogen werden. En hoe zat het nou met die moellah Omar? Over hem was buitengewoon weinig bekend, er waren nauwelijks foto’s. Veelzeggend was de codenaam die de Amerikanen hem gaven: ‘Blanco’. Het lukte hen dan ook niet om hem te vinden en te arresteren, ook al vielen ze nog zo veel huizen van gewone burgers binnen. De oorlog in Afghanistan hield aan. Afgelopen februari maakte de VN bekend dat in 2018 het hoogste aantal burgerslachtoffers tot nu toe viel.[1]

'' ''

'' ''

De gecompliceerde situatie in Afghanistan wordt ook duidelijk uit het relaas van Safi Khalilullah, een van Dams belangrijkste bronnen en aanwezig op de boekpresentatie. Khalilullah is politiek adviseur van de EU- en VN-gezanten voor Afghanistan, en ontmoette Dam in 2015 op een geheime Afghanistanconferentie in Doha. Dam was daar overigens niet voor uitgenodigd, maar gatecrashte de bijeenkomst met een collega nadat ze in Kabul wat geruchten had opgevangen. Khalilullah, die sindsdien nauw met Dam samenwerkt, beschrijft dat hij best gelukkig was met de Talibanregering. ‘Onder de Taliban was Afghanistan stabiel, ze maakten korte metten met de warlords en de narcotica’, vertelt hij in Podium Mozaïek. Aanzienlijk beter dus dan de periode daarvoor, die gekenmerkt werd door burgeroorlog en chaos: ‘de ergste periode in de Afghaanse geschiedenis’. Maar tegelijkertijd is een van Dams andere informanten Najibullah Sahibzada, die ook veelvuldig voorkomt in het boek, al een jaar ontvoerd door de Taliban. De ‘enduring freedom’ die de officiële Amerikaanse naam van de oorlog beloofde lijkt verder weg dan ooit.

Op zoek naar de vijand is een belangrijk boek. Het maakt de gecompliceerde moderne geschiedenis van Afghanistan toegankelijk voor een breed publiek, geeft inzicht in de opkomst en achtergronden van de Taliban, en in de fouten die gemaakt zijn door de internationale gemeenschap, zowel in de aanloop naar als gedurende de oorlog in Afghanistan. Maar Dams boek is zeker net zo belangrijk vanwege de inzichten die ze biedt in de problematiek van embedded journalism, de algemene sensatiezucht van de media, de gebrekkige tijd en aandacht voor diepere analyse, en de invloed van het militaire apparaat en westerse overheden op de berichtgeving. Ze beschrijft hoe de focus in de Nederlandse en andere westerse media lag op aanslagen, wat leidde tot de absurde situatie dat verslaggevers in het hartje van rustig Kabul met scherfvesten aan opnames maakten in de tuinen van hotels. Veelzeggend is ook de quote van een Amerikaanse journaliste (p. 30), die beschrijft hoe stringente verzekeringsregels en ex-militaire bewakers bepalen waar de journalisten wel, en vooral ook niet, mogen komen – met alle gevolgen van dien voor hun verslaglegging. Eveneens stuitend is het verhaal van de overgave van de Taliban in december 2001, waar Rumsfeld niet van gediend bleek, en de daaropvolgende herroeping van de afspraken door de nieuwe Afghaanse president Hamid Karzai. Ook de internationale pers leek de overgave op slag vergeten te zijn.

'' ''
                                                        Bette Dam. Foto: Chantal Ariëns

Het nauwkeurige en diepgaande journalistieke onderzoek van Dam vindt de vijand die ze zocht, en geeft ons inzicht in de beweegredenen van Omar en zijn Taliban. Niemand zal ontkennen dat de situatie van vrouwen onder het Talibanregime dramatisch was, om maar een voorbeeld te geven. Maar dat de westerse benadering van geweld in plaats van praten, van vrijwel blind militair ingrijpen in een land waarvan de cultuur en machtsstructuur maar niet begrepen werden door de veiligheidsdiensten, de slechtst mogelijke was en alleen maar meer schade heeft veroorzaakt in een toch al zwaar getroffen land, mag duidelijk zijn.

Dat werk als het hare hard nodig blijft, blijkt uit het commentaar van Pieter Cobelens, voormalig hoofd van de MIVD en ook aanwezig in Podium Mozaïek. ‘Ik zal de term “stockholmsyndroom” niet in de mond nemen, maar wij zijn het niet overal over eens,’ zei hij daar. ‘Haar moed is dat ze het lef had om midden tussen de Afghanen te leven.’ Het feit dat een hoge militaire functionaris in dergelijke termen over een land en zijn mensen spreekt, en over de journalistiek, laat zien dat we nog een lange weg te gaan hebben.


Josephine van den Bent is hoofdredacteur van ZemZem.

Noten

[1] United Nations Assistance Mission in Afghanistan, ‘Civilian deaths from Afghan conflict in 2018 at highest recorded level – UN report’, UNAMA website, 24 februari 2019, voor het laatst geraadpleegd op 3 april 2019 via https://unama.unmissions.org/civilian-deaths-afghan-conflict-2018-highest-recorded-level-%E2%80%93-un-report.