7
min leestijd
A- A+

‘Onze voorouders’: Egyptisch nationalisme in het Museum voor Islamitische Kunst


‘Onze voorouders’: Egyptisch nationalisme in het Museum voor Islamitische Kunst

Aan de Port Saidstraat, een drukke verkeersader in hartje Caïro, ligt het Museum voor Islamitische Kunst. Met een rijke collectie antieke kunstvoorwerpen is het een must voor iedere bezoeker van de Egyptische hoofdstad. Aan de hand van acht interviews met museumpersoneel onderzocht Luca Bruls welke narratieven zij construeren middels de beschrijving en presentatie van kunstobjecten. Zij constateert dat medewerkers sterk de nadruk leggen op het verband tussen de hier tentoongestelde islamitische kunst en de Egyptische natiestaat.
'' ''

De introductiehal (foto: Luca Bruls)

Het geringe aantal bezoekers dat zich tijdens deze ramadan, in juni 2018, in het museum bevindt, navigeert langs de gemarkeerde route. Deze gaat van start bij de introductiezaal, die de titel ’De wortels van de islamitische beschaving’ draagt. Curator Abdelrehim Hanafi licht toe dat de uitgestalde objecten de essentiële boodschappen van de tentoonstelling verwezenlijken. Achter dik glas ligt een sacraal belichte Koran, ‘omdat het de basis van de islamitische sharia representeert en het alle informatie bevat die moslims nodig hebben,’ aldus Hanafi. Even verderop staat een houten, met zilver ingelegde deur uit de Sayyida Zaynabmoskee. Deze is gemaakt in de negentiende eeuw, tijdens de regering van Mohammed Ali. De inscriptie laat zien dat de maker van deze deur joods was. ‘Er was religieuze tolerantie,’ zegt Hanafi daarover. ‘Vanaf die tijd tot het heden.’

In 1881 werd het Museum voor Islamitische Kunst geïnaugureerd, in een sterk koloniale context. De term ‘islamitische kunst’ werd aan het eind van de negentiende eeuw verzonnen door Europese wetenschappers. De uitvinding van dit concept ging hand in hand met tentoonstellingen in steden als Parijs en München, waar imperialisme en oriëntalisme de leidraad vormden voor de interesse in materiële cultuur uit islam-gedomineerde regio’s [1]. Rond de eeuwwisseling domineerden Europese machten artistieke sferen in Egypte en initieerden zij de eerste musea. De koloniale instituties pushten expositiestijlen, waarbij de nadruk lag op Europese structurering en classificaties [2]. De inrichting van het museum werd zodoende decennialang door Europese perspectieven bepaald. Ook verzamelde een comité van Europeanen en Egyptenaren de collectie, die bestaat uit objecten van gebouwen en antiekhandelaren in de omgeving van Cairo. Nadat een bomaanslag buiten het museum in 2014 grote schade aan het gebouw en enkele objecten aanrichtte, maakte de inrichting plaats voor een herindeling van de expositie door Egyptische medewerkers. Voorafgaand aan de aanslag had medewerker Mahmud Abd al-Ru’uf Tani Abdal een training risk management gevolgd bij ICOM, ICCR en UNESCO. Dergelijke trainingen worden door het ministerie gestimuleerd. Een beleid dat goed past binnen de klopjacht op terrorisme van huidig president Al-Sisi.

Als educatieve instituten spelen musea van oudsher een belangrijke rol in het proces van staatvorming: in musea worden verhalen verteld die als doel hebben de solidariteit binnen de groep te versterken, en het publiek zich te laten identificeren met een specifieke constructie van de natie. De vaste tentoonstelling moet, zoals medewerkers mij vertellen, de geschiedenis van Egypte en de Egyptenaren laten zien. Overeenkomstig met het huidige staatsbeleid van president Al-Sisi wordt het overkoepelende islamitische kader van de collectie vergezeld door een nadruk op de inclusie van religieuze minderheden in de Egyptische natie.

De waarden islam en religieuze tolerantie, keren gedurende de tentoonstelling terug door middel van objectbeschrijvingen en tours. Objecten demonstreren een narratief van eenheid waarbij de oorsprong van religieuze waarden te traceren is tot een periode van islamitische dominantie. Net als andere tentoongestelde artefacten moet de deur uit de Sayyida Zaynabmoskee zowel het eeuwenlange samenleven van de verschillende monotheïstische religies als het nobele karakter van de islam laten zien. Tijdens interviews geven mijn informanten vaak hun perspectieven op religie en de samenleving. Ook conservator Hamdy Abdelmonem Mohamed kaart het belang aan van het samengaan van verschillende religies wanneer ik hem vraag naar de betekenis van de collectie. Terugverwijzend naar de oude joodse wijk in Cairo, waar hij me eerder over vertelde, zegt hij: ‘[De joden] eten hetzelfde eten [als wij], drinken hetzelfde water en dat geldt ook voor de christenen. Ik bedoel, het dagelijks leven is één. En dit is waar oudheden over gaan. Niet alleen religie. Voor ieder zijn eigen religie. Vrijheid. Maar het dagelijks leven delen we.’

Abdelmonem benadrukt zo de overeenkomsten in het dagelijks leven van mensen met verschillende religieuze achtergronden in Egypte, en verbindt zijn perspectief met de functie van oudheden, waarover hij stelt dat deze het gedeelde dagelijks leven reflecteren. Abdelmonems perspectief op de functie van islamitische kunst komt overeen met de narratieven die we in de tentoonstelling terugzien. Ze maken zich hard voor een Egyptische identiteit die is gebaseerd op tolerantie, nationale eenheid en een inperking van maatschappelijke verschillen. Ook de medewerkers vertellen dit met trots. Toch wringt er iets, want de tentoonstelling bestaat voornamelijk uit objecten die exclusief het idee van een tolerante islam opleggen en het idee dat de moslimgemeenschap superieur is.

'' ''
Abdelrehim Hanafi in zijn kantoor (foto: Luca Bruls)

De verbeelding van de Egyptische gemeenschap in het museum is in overeenstemming met het nationalisme dat de huidige overheid propagandeert. De oorsprong van dit nationalistische discours ligt deels in de twintigste eeuw en is de afgelopen eeuw op verschillende wijzen ingezet door presidenten en politieke bewegingen [3]. Kenmerkend voor deze vorm van nationalisme is dat het uitgaat van een Egyptische identiteit die voortkomt uit een islamitische geschiedenis en Arabisch erfgoed. De huidig president Al-Sisi, die zijn macht legitimeert middels een war on terror-retoriek waarin hij het islamisme in het algemeen en de Moslimbroederschap in het bijzonder aanwijst als het gevaar voor de Egyptische samenleving. Tegelijkertijd definieert Al-Sisi goed Egyptisch burgerschap aan de hand van islam, die hij vooropstelt als de bron voor morele en intellectuele inspiratie. Hoewel religieuze tolerantie, individuele verantwoordelijkheid en nationale eenheid centraal staan in dit discours is er, net als in het museum, in het nationalistische staatsnarratief weinig ruimte voor perspectieven van religieuze minderheden.

Zoals ik hierboven al noemde, kunnen musea bijdragen aan het cultiveren van nationale identiteiten wanneer ze narratieven uitdragen die de politieke staat legitimeren. In Egypte valt driekwart van de musea onder de overheid. Dit geldt ook voor het Museum voor Islamitische Kunst, waarmee de Egyptische staat nauwe betrekkingen onderhoudt. In 2017 werden zijn deuren nog heropend door de president. De nationalistische thema’s die Al-Sisi uitdraagt komen ook terug in het museum, maar dan vanuit een kunsthistorisch perspectief. De tentoonstelling geeft de geschiedenis zo weer dat de nadruk ligt op de kracht en superioriteit van de islamitische, Arabische en Egyptische beschaving – drie sociale referentiekaders die sterk met elkaar zijn verwerven en elkaar voortdurend aanvullen. Tegelijkertijd negeert het ongelijke machtsverhoudingen, verschillen in gender, burgerschap, klasse en etniciteit, en ongewenste politieke en sociale misère zoals onderdrukking en slavernij.

'' ''
De hal van wapens en munten (foto: Luca Bruls)

Helden

Op het eerste gezicht ligt de nadruk in de tentoonstelling niet zozeer op hoe de geschiedenis Egyptenaren verenigt, maar voornamelijk op de relatie tussen moslims en Arabieren en de pracht en praal die zij hebben verwezenlijkt. De karakteristieken van het collectief zijn geworteld in onder andere de Fatimidische en Osmaanse periode, die in de tentoonstelling bij elkaar worden gebracht door de dynastieke benaderingswijze van islamitische kunst. Deze methode is voornamelijk gefocust op interne verandering, geografische invloed en lokale politiek, om de betekenissen van objecten te begrijpen. Daartegenover staat dat er weinig aandacht is voor lokale culturele betekenissen [4]. Zo leest de bezoeker in de hal met wapens en munten over het ontwikkelde arsenaal en de triomfantelijke overwinningen van moslims in het Osmaanse tijdperk. Langs de wanden staan verlichte glazen boxen met geweren en artillerie. De oorlogen worden zo gepresenteerd dat de moslims de overwinnaars zijn en islam de regio vooruitgang en rechtvaardigheid brengt. Even later, in de hal van wetenschap en medicijnen, leert de bezoeker over de onderscheidende rol van islamitische Arabieren in het bevorderen van uitvindingen. Uit mijn analyse blijkt dat door middel van tours, workshops en curatorische keuzes, medewerkers deze ‘typische’ Arabische en islamitische karakteristieken vooropstellen als primaire elementen van de nationale Egyptische identiteit.

Dit volgt bijvoorbeeld uit een gesprek met Sami Abbas. Hij is medewerker op de informatieafdeling, waar men verantwoordelijk is voor de informatie over objecten, het schrijven van teksten voor het publiek, de database en sociale media. Abbas vertelt mij dat de Egyptische samenleving sterk zal zijn als haar leden hun geschiedenis kennen. Wanneer ik hem vraag naar deze kracht van geschiedenis, vervolgt hij met trots: ‘Wie was de eerste persoon die de camera bedacht? Al-Hasan Ibn al-Haytham (965-1040), een Arabische wetenschapper. Het was hij die optiek en visuele beweging uitvond. Dat is waar de camera vandaan komt. Dat is nou geschiedenis. Dat is kracht.’ Iconen zoals Al-Haytham worden verlevendigd in de tentoongestelde objecten en beschrijvende borden. Zij demonstreren de trots en verbeelding van een collectief gedeeld verleden en erfgoed. Door te vertellen dat Al-Haytham een Arabier is, creëert Abbas een gevoel van saamhorigheid – van ‘Arabisch’ zijn. Tegelijkertijd spreekt hij over de geschiedenis van Egyptenaren en wil hij dus benadrukken dat het Arabische aspect een essentieel onderdeel uitmaakt van ‘Egyptisch’ zijn. Ook zet hij zich hiermee af tegen andere identiteiten, in het bijzonder de westerse.

Een andere manier om de gedeelde culturele herkomst, die Egyptenaren van anderen onderscheidt, te demonstreren is door middel van workshops. Het hoofd van het departement, Heba Abd Al-Aziz, organiseert workshops waar kinderen ‘op authentieke wijze’ potten bakken en minitapijten weven. Deze activiteiten benadrukken de zintuiglijke ervaring van het museum, omdat het doel is mensen door handwerk te verbinden met geschiedenis. Deelnemers reizen als het ware in de tijd en ervaren persoonlijk en collectief het verbeelde erfgoed. Abd Al-Aziz: ‘Het kind is het belangrijkst. Wanneer je hem opvoedt als hij jong is zal je hem leren over de waarde van wat hij ziet, de waarde van de civilisatie van zijn land en de waarde van de hele islamitische gemeenschap. Je kan hem ook een ambachtsman laten worden. Hij zal opgroeien en de civilisatie beschermen.’ Abd Al-Aziz beargumenteert hier dat kinderen door middel van socialisering de waarden van de nationale én islamitische geschiedenis zullen kennen en dat zij als goede burgers deze waardes, de religie en hun rol zullen waarborgen.

In de zaal over wetenschap hangt een bord: ‘Onze voorouders onderwezen de wereld.’ Het is duidelijk dat islamitische kunst binnen de muren van het Caïreense museum een grotere boodschap heeft dan alleen het esthetische. Het dient hier als vehikel om de verbroedering van Egyptenaren te behartigen. Door middel van curatorische beslissingen benadrukken medewerkers het belang dat zij hechten aan een gedeelde Egyptische identiteit en de trots op de natie. Wat het officieel uitgedragen nationalisme en het museale nationalisme met elkaar gemeen hebben is dat ze zich beiden inzetten voor ‘ons’. En bij ‘ons’ ligt de nadruk op Egyptes diverse religies en de islamitische leer van tolerantie. De aankondiging van het ministeries nieuwe project om Egyptes allereerste museum voor religieuze tolerantie te openen, wijst uit dat deze lessen nog een tijd stand zullen houden in Egyptes museale sferen.

Noten

[1] Jean Gabriel Leturq, ‘The museum of Arab art in Cairo (1869-2014): a disoriented heritage?’ in Leiden studies in Islam and society, after orientalism: critical perspectives on western agency and Eastern re-appropriations (Leiden 2015) 145-61.
[2] Wendy Doyon, ‘The poetics of Egyptians museum practice’ in Britisch museum studies in ancient Egypt and Sudan 10 (2008) 1-37.
[3] Tamim al-Barghouti, The umma and the dawla (London 2008).
[4] Wendy Shaw, ‘The Islam in Islamic art history: secularism and public discourse’ in Journal of art historiography 6 (2012) 1-34.

Auteur Luca Bruls ontving een bachelor Culturele antropologie en ontwikkelingssociologie en een bachelor Arabische taal en cultuur aan de Universiteit van Amsterdam. Voor haar afstudeerscriptie werd Luca geïnspireerd door haar liefde voor Egypte en een stage in het museum Volkenkunde in Leiden. Momenteel oriënteert Luca zich op een master en werkt zij vrijwillig voor 'Strange sounds from beyond', waar zij haar interesse voor muziek een invulling kan geven.