8
min leestijd
A- A+

Een Nederlandse Pelgrim naar Mekka: Dr. Van der Hoog en zijn hadj in 1935

Een Nederlandse Pelgrim naar Mekka: Dr. Van der Hoog en zijn hadj in 1935

Tegen het einde van de negentiende eeuw ontstond een nieuwe transculturele dimensie in de wereldgeschiedenis, waarbij de hadj als islamitisch ritueel een belangrijke rol speelde. Een van de mensen die deze dimensie belichaamden was dr. P.H. van der Hoog, die bekend is geworden vanwege de cosmeticaproducten die zijn naam dragen. Minder bekend zijn de fascinerende verslagen die hij over zijn pelgrimage schreef.

'' ''

Tegen het einde van de negentiende eeuw ontstond een nieuwe transculturele dimensie in de wereldgeschiedenis, waarbij de hadj als islamitisch ritueel een belangrijke rol speelde. Binnen de verhalen over de Europese contacten met de hadj komen tal van Europese bekeerlingen voor die als bezoeker of pelgrim naar Mekka zijn gegaan. Een van hen was Dr. P.H. (of Mohammed Abdul-Ali) van der Hoog (1888-1957), een Nederlandse bacterioloog wiens naam tot op de huidige dag verbonden is aan een van de beroemdste cosmeticamerken van Nederland.

In het verslag dat Van der Hoog schreef over zijn hadj-reis, Pelgrims naar Mekka, wilde hij zijn lezerspubliek inlichten over zijn verblijf in Arabië. Hij wilde echter ook getuigen van zijn religieuze ervaring als ‘een man, die, op het hoogtepunt van zijn leven gekomen en midden in zijn werk staande, plotseling het besef kreeg, dat de ervaring, het weten en het begrijpen der dingen, die hij gedurende vele jaren had verzameld en opgehoopt niet meer voldoende voor hem waren.’

Studie en vroege carrière

Er is weinig bekend over de vroege jaren van Van der Hoog. Hij werd in 1888 als tweede kind van een generaal van het Nederlandse leger geboren. Als middelbare scholier wilde hij schilder worden. Zijn vader stond er echter op dat zijn zoon, net als hijzelf, tot het leger toetrad. Om de wens van zijn vader te combineren met een beroep dat hem ook aansprak, besloot Van der Hoog om arts bij het Nederlandse koloniale leger te worden. Hij rondde zijn studie in de geneeskunde in Leiden in 1911 af en in 1913 werd hij als arts bevoegd verklaard. In augustus 1913 vertrok hij vanuit Amsterdam op het stoomschip Rembrandt naar Nederlands-Indië om zich bij het medische team van de Dienst Ongediertebestrijding in Batavia aan te sluiten.

Herhaaldelijke conflicten met zijn superieuren kwamen Van der Hoog op disciplinaire bestraffing te staan en uiteindelijk verliet hij het leger. In 1921 keerde Van der Hoog terug naar Nederland om daar te promoveren in Leiden, waar hij ook zijn carrière als arts begon. Na een aantal jaren verliet hij echter zijn familie en werk voor een nieuw avontuur en in 1926 werd hij op het Nederlandse Caribische eiland Curaçao tot directeur van de Openbare Gezondheidsdienst benoemd.

Twee jaar later ontving Van der Hoog een uitnodiging om naar Arabië te reizen om de medische staf bij het Nederlandse Consulaat in Jeddah, bestaande uit Egyptische en Syrische artsen, te ondersteunen. Deze uitnodiging vloeide voort uit een van de aanbevelingen die tijdens het Congres van de Islamitische Wereld in 1926 in Mekka onder auspiciën van de Saoedische koning Abd al-Aziz al-Sa‘ud voorgesteld werden. Een van de doelstellingen van dit congres was de verbetering van de transportfaciliteiten en sanitaire voorschriften in de Hijaz (West-Arabië), ten dienste van de bedevaart.

Bekering tot de islam

In Jeddah bekeerde Van der Hoog zich in 1928 officieel tot de islam. De Nederlandse consul in Jeddah, Daniël van der Meulen, zelf een toegewijde protestantse christen, betwijfelde of Van der Hoog wel echt moslim was geworden. Hij beweerde dat Van der Hoog door zijn bekering toegang tot de bestudering van de Zamzam-bron in Mekka zou krijgen. Van der Hoogs bekering veroorzaakte ook een storm van discussie binnen de Europese gemeenschap in Jeddah: ‘Een steen viel in de stille poel van onze westerse christelijke gemeenschap’, zo schreef Van der Meulen. ‘Een van onze schapen had de kudde verlaten en was naar de overkant overgestoken […] Hij was naïef om te geloven dat hij een soort held zou worden: een man die durfde. Het tegendeel gebeurde. De zogenaamde christelijke gemeenschap sloot de rijen en degenen die zich het minst als christenen gedroegen, waren het scherpste in hun kritiek.’

Een Nederlandstalige krant in Nederlands-Indië weerspiegelde een soortgelijke indruk met betrekking tot de bekering van Van der Hoog, die een ‘Mohammedaan’ was geworden om Mekka binnen te kunnen komen. Van der Hoog zou zich alleen tot de islam bekeerd hebben om toegang tot Mekka te krijgen, geenszins om ‘de Mohammedaanse hemel’ binnen te gaan. De verslaggever kreeg te horen dat Van der Hoog tijdens de Ramadan niet vastte. Toen hij Jeddah op weg naar Palestina en Syrië verliet, merkte men ‘niet zonder Schadenfreude [op dat] deze nieuwe Mohammedaan op een der eerste dagen van de maand Ramadan aan boord van een stoomer ter reede van Djeddah eenige pottekens bier zat in te nemen.’

Terug naar Mekka

Vanwege ziekte en familieomstandigheden kortte Van der Hoog zijn verblijf in Jeddah in en keerde terug naar Nederland in 1928. In Leiden hervatte hij zijn medische carrière aan een privékliniek en schreef diverse artikelen in de pers over verschillende medische onderwerpen. Hij was echter nog steeds vastbesloten om naar Mekka terug te keren voor de hadj. In Nederland herinnerde hij zich altijd aan deze ‘zelfbelofte’ die hij had afgelegd. Hij dacht ook steeds aan de vele pelgrims die hij tijdens zijn verblijf in Jeddah had geholpen. Hij wilde terug naar Arabië omdat hij vond dat de ‘voorraadkamer van de ziel’ leeg raakte. Zeven jaar later besloot hij ‘alles wat het Westersche leven biedt aan gemakken, levensvreugde, kunst, muziek, [en] vrouwenschoonheid’ achter te laten.

In 1934, een jaar voor zijn reis naar Mekka, stuurde Van der Hoog een brief vanuit Nederland naar de koning van Saoedi-Arabië waarin hij toestemming vroeg om Mekka te bezoeken. De koning feliciteerde hem met zijn bekering, maar vroeg hem om zijn oprechte geloof aan te tonen door verschillende religieuze plichten te vervullen, vooral het verrichten van het gebed en het vasten. De koning beloofde hem dat hij na een jaar als ‘vrome moslim’ te hebben geleefd de hadj mocht komen verrichten. Met behulp van enkele moslimstudenten in Nederland begon Van der Hoog Arabisch te leren. Hij werd ook vertrouwd met de gebedsrituelen en leerde delen van de Koran uit het hoofd. Na een jaar schreef hij opnieuw aan de koning dat hij als een goede moslim had geprobeerd te leven en daarom ernaar verlangde om naar het Heilige Land van de hadj terug te keren. Koning Ibn Sa‘ud antwoordde hem: ‘Kom, u bent welkom in Mekka. Wij zijn de diensten die u aan ons land heeft verleend niet vergeten.’

Van der Hoog romantiseerde zijn hadj-ervaring. Hij meende dat hij deze reis ondernam omdat hij niet meer tevreden was met zijn westerse omgeving en de bijbehorende moderniteit. Hij kon de grote steden, met hun asfalt, betonnen constructies, knipperende verlichte borden en advertenties, en algemene zelfverzekerdheid, niet verdragen. Terwijl zijn stem in Nederland in het geluid van autohoornen, grammofoons, radio’s en automotoren verloren ging, verlangde Van der Hoog naar de menselijke stemmen en spirituele kreten van de pelgrims die hij in 1928 als zoekers naar ‘innerlijke rust’ en ‘vrede’ in Jeddah eerder had aanschouwd.
Van der Hoog was zich er goed van bewust dat zijn vrienden en familie in Europa zijn pelgrimsreis eigenaardig zouden vinden. Op de avond van zijn vertrek naar Arabië stond hij alleen op het perron te wachten op de trein naar het zuiden, zonder vrienden, kennissen of familie, omdat hij onvoldoende moed had om openlijk afscheid te nemen. Vanwege zijn eerdere ‘zelfbelofte’ besloot hij omwille van Mekka zijn huis, zijn werk en geliefden te verlaten.

Tijdens de hadj

Van der Hoog maakte geen geheim van zijn reis. In Egypte nam hij een stoomboot naar Jeddah samen met diverse pelgrims uit Boechara, Palestina en Egypte. Hij realiseerde zich tijdens het collectieve gebed in zijn bruine bedoeïenenmantel op het dek van de stoomboot dat hij nu een andere persoon was dan de avontuurlijke arts die het gebied zeven jaar geleden verliet. Dientengevolge schaamde hij zich een beetje voor wat hij zijn ‘vroegere lichtvaardigheid’ noemde.

In Mekka was Van der Hoog te gast bij enkele van zijn oude vrienden. Het was voor hem een onvergetelijk moment toen hij samen met zijn oude vriend Said al-Attas de haram van de Mekka-moskee binnentrad en de Kaäba voor het eerst zag: ‘Daar ligt zij eindelijk voor ons, een grote zwarte kubus met een band van gouden lettertekens omgeven, centrum van de gehele Moslimwereld.’ Toen Van der Hoog in de richting van de Zwarte Steen ging, merkten de bewakers van de steen dat hij, als enige Europeaan in de menigte, de steen wilde bereiken. Hij zag dat de bewakers de mensen behoedzaam opzij duwden totdat hij de plek bereikte. Het was ‘een brede, ovale zilveren omlijsting, in de diepte waarvan een pikzwarte massa glinstert.’ Hij drukte zijn lichaam tegen de Kaäba en kuste haar, net zoals ‘men een sinds lang begeerde vrouw in bezit neemt.’

Wat de andere voorgeschreven rituelen betreft, dronk Van der Hoog uit het water van Zamzam, de bron die hij eerder bekritiseerd had als ‘onhygiënisch’. Tijdens zijn uitvoering van het rennen tussen de heuvels van Al-Safa en Al-Marwa, herinnerde hij zich plotseling zijn twee zonen in Nederland en wat ze van hun vader in deze staat van de moslimpelgrimage zouden denken wanneer ze volwassen zouden zijn geworden:

Ze zullen misschien wat verlegen glimlachen, wanneer ze dit relaas van mijn pelgrimstocht lezen en het een beetje gek vinden dat hun ‘ouwe heer’ daar zoo maar op bloote voeten en met twee witte lappen op zijn lijf te midden van duizenden andere pelgrims uit alle werelddelen tusschen de twee heuveltjes heen en weer heeft geloopen. Maar als ze dan later ouder geworden zijn, en zich dit nog eens herinneren, dan zullen ze het misschien toch wel prettig vinden dat juist op dit allerwonderlijkste moment van zijn leven hun vader alleen maar aan hen gedacht heeft – zooals eenmaal Hagar aan Ismael dacht – en zal mijn doen in hun moderne oogen misschien genade kunnen vinden. Dat hoop ik tenminste!

Tijdens de hadj kreeg Van der Hoog een stuk van de kiswa (zwarte doek om de Kaäba) van Qasim al-Khalil, een rijke handelaar en vriend uit Mekka, in ruil voor zijn hulp bij de bevalling van Al-Khalils zwangere vrouw. Aan het begin wilden andere vrouwen die bij deze bevalling aanwezig waren dat Van der Hoog niet zou binnenkomen. Zij schreeuwden dat ze uit het raam zouden springen als een vreemde man het vrouwenverblijf zou binnenkomen. Van der Hoog vond het ‘geen prettig vooruitzicht zoovele schoone vrouwen op keien te pletter te zien fladderen.’

Mekka als stad

Van der Hoog leverde zware kritiek op Mekka als stad, hoewel hij van het landschap van zijn heuvels genoot. Hij zag de stad als een ‘vuil, bont beest sedert eeuwen parasiteerend op de levenskracht en levenswil van anderen.’ Hij vergleek de ellende in Mekka met wat men als armoede in Europa beschouwde. In Europa bezat een arme persoon altijd iets, zelfs als het maar een paar theekopjes zonder oren, een matras of kleren waren. In Mekka waren er mensen die helemaal niets bezaten; niets dan hun ziek en uitgemergeld lichaam.
In Mekka voelde Van der Hoog zich toch anders als Europeaan. Zijn verschijning in de haram tijdens de gebedstijden viel soms heel erg op, gezien de blikken en houding van medegelovigen. Telkens wanneer hij stilletjes op zijn gebedsmat op de binnenplaats van de haram probeerde te zitten, kwamen verschillende mensen onmiddellijk uit nieuwsgierigheid op hem af om met hem te praten. Een van die mensen was Mohammed Ali al-Chougier, een gepensioneerde Sjafi‘itische imam, die volgens Van der Hoog door de Hijazi-regering als een ‘inquisiteur’ werd aangesteld, zodat mensen verplicht zouden worden om de regels van de islam in het Heilige Huis te volgen.

Van der Hoog ervoer een opmerkelijk gevoel van vreemdheid, alsof hij een andere wereld binnenging. Op de dag van Arafat, het hoogtepunt van de hele hadj, voelde Van der Hoog dat hij de climax van zijn spirituele ervaring had bereikt. Zijn vrienden hadden besloten om op kamelen naar Arafat te gaan. Dit leek hem echter saai en eentonig en daarom huurde hij een ezel voor de reis, wat een van de geweldigste reizen in zijn leven werd. Hij genoot enorm van zijn achttien kilometer lange tocht op zijn beweeglijke en onvaste ‘troon’ in de woestijn. Een Arabische ezel, schreef Van der Hoog, was het mooiste dier dat ooit bestond.

Weemoed

Na het afronden van de Dag van Arafat merkte Van der Hoog op dat de ‘imposante en direct tot het hart sprekende drukte’ niet meer bestond. De witheid van de kleren van de pelgrims’ ihram was vies geworden en de meeste pelgrims hadden al hun normale kleding aangetrokken. Daarmee was het idee van het ‘Volk van God’, dat hij de afgelopen dagen had gezien, verloren gegaan. Tijdens het werpen van steentjes richting de jamarat (of de drie muren), dat de steniging van de duivel symboliseert, observeerde hij een soortgelijke menigte pelgrims. Het verbaasde hem echter dat sommige ijverige bedoeïenen hun revolvers pakten en bij de symbolen van de duivel in de lucht begonnen te schieten.

Naar zijn mening moest ieder mens ten minste een keer in zijn leven de weg naar Arafat gaan om tot de diepe overtuiging te komen dat dit pad echt bestaat. Onder het portiek van de haram zat Van der Hoog om een laatste blik te werpen op wat hij zag als ‘dierbare’ beelden: de Kaäba, de slanke minaretten, de hoge woonhuizen van Mekka, de bergen, de honderden blauwe duiven. Eindelijk, voordat hij Mekka verliet en lang voordat hij bekend zou worden als de eponiem van de cosmetische producten van huidverzorgingsbedrijf Dr. Van der Hoog, vroeg hij zich met weemoed af of hij dit alles ooit nog in zijn leven terug zou zien.