12
min leestijd
A- A+

Koerden tussen democratisering en autoritarisme

Koerden tussen democratisering en autoritarisme

In het voorjaar van 2016 staat alle vooruitgang die de Koerden in het afgelopen decennium hebben geboekt op losse schroeven. In Turkije laaide in de zomer van 2015 het geweld tussen de Arbeiderspartij van Koerdistan (Partiya Karkerên Kurdistan, PKK) en Turkse veiligheidstroepen weer op, en is het vredesproces dat in de voorafgaande jaren was ingezet tot stilstand gekomen. Iraaks Koerdistan maakt een politieke en economische crisis van ongekende omvang door: de regionale regering (KRG) verkeert in acute geldnood, kampt met de aanhoudende dreiging van IS, de zelfbenoemde Islamitische Staat in Irak en Syrië, en wordt verlamd door destructieve onderlinge twisten. De situatie van de Koerden in Syrië, waar zich sinds enige tijd enkele ‘kantons’ onder Koerdisch gezag hebben gevormd, is precair en onzeker, met name sinds Rusland zich direct in de Syrische burgeroorlog is gaan mengen. Kortom, op al deze fronten is er momenteel reden voor grote zorg, zo niet voor pessimisme.

Leezenberg

Het begin van deze eeuw was een tijd van relatieve rust en van een reëel vooruitzicht op een vreedzame en civiele oplossing van de Koerdische kwestie in zowel Turkije als Irak. In Turkije luidde de verkiezingsoverwinning van de AKP onder leiding van Erdoğan in 2002 een nieuw politiek tijdperk in. Door een succesvol economisch beleid bracht de AKP-regering de inflatie en de immense schulden bij IMF en Wereldbank snel terug, en onderhandelingen over toetreding tot de EU werden met nieuw elan hervat; bovendien werden allerlei politieke taboes doorbroken, niet alleen ten aanzien van religie in de openbare ruimte, maar vooral ook ten aanzien van de Koerdische kwestie. In de eerste Erdoğan-jaren betoonden veel waarnemers zich dan ook voorzichtig optimistisch over de democratisering van het land. Naarmate zijn machtsbasis steviger werd begon Erdoğan zich echter steeds autoritairder en intoleranter te gedragen tegenover zijn politieke tegenstanders, en tegen critici. Met name sinds zijn verkiezing tot president in 2014 streeft hij openlijk naar de omvorming van Turkijes parlementaire democratie in een presidentieel systeem dat weinig verschilt van Poetins autoritaire heerschappij in Rusland. 

Over de vraag waarom Erdoğan zo sterk van koers is veranderd verschillen de meningen. Cynici verkondigen dat hij altijd met dubbele tong heeft gesproken en zijn ware, islamistische, agenda verborgen heeft gehouden; maar zulke reductionistische analyses zien over het hoofd dat er in de eerste jaren na 2002 wel degelijk veel vooruitgang is geboekt, en dat Erdoğans steeds sterkere autocratische neigingen ook binnen de AKP een enorme omslag betekenen. Anderen zoeken de oorzaak van de veranderingen in de jarenlang absolute parlementaire meerderheid van de AKP, in de bevriezing van de onderhandelingen met de EU, in de aanhoudende confrontatie met het leger en de ‘diepe staat’, of in de strafzaak bij het hooggerechtshof, waar de AKP in 2009 net niet werd verboden. In elk geval lijkt deze ontwikkeling bij Erdoğan zelf onomkeerbaar: het wordt hem zichtbaar steeds moeilijker ook maar enige vorm van democratische oppositie te accepteren, laat staan alternatieve centra van macht. 

Voor de Koerden markeerden de vroege AKP-jaren enorme verbeteringen, al bleef er een diep wantrouwen overheersen tegen een staat die in de jaren tachtig en negentig een moorddadige contraguerrilla tegen de PKK had gevoerd. Onder de AKP verdween het kemalistische taboe op het openbaar of zelfs maar privé spreken van Koerdisch, en werd in 2009 een Koerdischtalig kanaal van de Turkse staatstelevisie, TRT6, geopend. Ook werd het aan meerdere universiteiten in het zuidoosten van het land mogelijk gemaakt om ‘levende talen’, waaronder met name ook Koerdisch, te studeren. Maar ook voor de AKP-regering bleef het toestaan van Koerdischtalig onderwijs op openbare lagere scholen vooralsnog een brug te ver.

Koerden in de Turkse landelijke en regionale politiek

Na de ontvoering en gevangenzetting van PKK-leider Abdullah Öcalan in 1999 was de gewapende confrontatie effectief ten einde gekomen, en kreeg de politieke strijd meer de ruimte. Geleidelijk aan drongen pro-Koerdische partijen door in de nationale politiek. In juni 2015 bereikte deze politieke strijd een voorlopig hoogtepunt, toen de HDP (Halkarın Demokratik Partisi ofwel ‘Democratische Partij van de Volkeren’, zoals de naam al aangeeft een nadrukkelijk multi-etnische en multiculturele partij), geleid door Selahattin Demirtas, de eerste pro-Koerdische partij werd die ooit de kiesdrempel van 10 procent in de parlementsverkiezingen slechtte.

De partij presenteerde zichzelf als een partij voor alle progressieve krachten in Turkije, met name ook vrouwen, homo’s en transseksuelen, en positioneerde zich daarmee nadrukkelijk ook als een landelijk alternatief voor de sociaal-conservatieve AKP. Dat leverde haar met name ook stemmen onder progressieve seculiere Turken in het westen van het land op. In het Koerdische zuidoosten van Turkije wist de HDP zowel de gematigde en conservatieve kiezers te winnen die bij eerdere verkiezingen nog AKP hadden gestemd, als ook de armere — en potentieel radicalere — jongeren, die een duurzame en openlijke sympathie voor de PKK en voor hervatting van de gewapende strijd koesterden.

Door deze knappe balanceeract weerspiegelt de HDP ook de dramatische veranderingen die de Koerdische samenleving sinds de eeuwwisseling heeft doorgemaakt. Met name de opkomst van een Koerdische middenklasse, door de plaatselijke bevolking spottend ‘witte Koerden’ genoemd, en van pro-Koerdische partijen in de lokale politiek, boden ongekende mogelijkheden voor maatschappelijke en culturele activiteiten, en natuurlijk voor politieke patronage. Zo heeft Diyarbakır, de grootste Koerdische stad in de regio, sinds 1999, onafgebroken een (pro-) Koerdisch bestuur en een (pro-) Koerdische burgemeester gehad. 

De opkomst van een niet-revolutionaire Koerdische bevolkingslaag werd verder gesterkt door de rechtstreekse vredesonderhandelingen tussen de PKK en de Turkse staat die PKK leider Öcalan in maart 2013 aankondigde. Probleem was echter dat deze onderhandelingen altijd in het geheim werden gevoerd, en niet door gekozen vertegenwoordigers; daardoor werden de autoritaire tendensen aan zowel PKK- als staatszijde alleen maar gesterkt. Bovendien deed premier Erdoğan geen enkele poging om verandering te brengen in het heersende officiële discours, dat de PKK afschilderde — en delegitimeerde — als een terroristische organisatie. Gevolg is dat er in de ruim twee jaar dat de onderhandelingen zich hebben voortgesleept geen enkel concreet resultaat is geboekt, laat staan bekend gemaakt. In maart 2015 kondigde HDP-vertegenwoordiger Sırrı Süreyya Önder in het bijzijn van vicepremier Akdogan een tien-punten-plan aan waarover de partijen in onderhandeling zouden gaan;1 maar dit plan werd vrijwel onmiddellijk afgeschoten door Erdoğan, die de onderhandelingen wilde duiden als simpelweg een capitulatie van de PKK. 

Ondanks deze moeilijkheden bleven de Koerden een belangrijke rol spelen in de landelijke politiek. Een tijd lang leek het erop alsof het de Koerden degenen in het parlement waren die Erdoğan konden, en wellicht ook wilden, helpen om de Turkse grondwet te wijzigen en een presidentieel stelsel in te voeren; van beide zijden werden signalen over zo’n mogelijke deal afgegeven. Geleidelijk aan werden de betrekkingen echter stroever. Één factor in die verslechtering was ongetwijfeld Erdoğans steeds openlijker beleden autoritaire ambitie. Een andere was de onverwachte opkomst van de PYD — in feite niets anders dan een PKK-franchise — onder de Koerden in Syrië vanaf 2012. In de zomer van dat jaar overhandigde het regime van Assad zonder slag of stoot drie regio’s langs de grens met Turkije aan de PYD, ten kost van de andere Koerdische partijen in Syrië, en van de nationalistische Syrische oppositie. Deels wilde Assad zichzelf daarmee meer speelruimte verschaffen voor andere fronten in de burgeroorlog, deels ook wilde hij de Turkse steun aan andere Syrische oppositiegroepen dwarsbomen. In Turkije gaf deze onverwachte terreinwinst de PKK een nieuw elan en een sterkere onderhandelingspositie, zeer tegen Erdoğans zin. Dit werd met name zichtbaar in de herfst van 2014, toen de Syrisch-Koerdische grensstad Kobani, die sinds 2012 in PYD-handen was, onder een langdurig beleg van IS-strijders kwam. De onwil van de Turkse regering om in te grijpen, die door velen als een actieve steun voor IS werd geduid, zette bij veel Koerden kwaad bloed, en leidde tot gewelddadige demonstraties in diverse Koerdische steden in zuidoost-Turkije.

De verhoudingen tussen Erdoğan en de Koerdische bevolking verslechterden verder rond de parlementsverkiezingen van juni 2015, waarin een groot deel van het Koerdische electoraat van de AKP naar de HDP overstapte, en zo Erdoğans droom van een absolute meerderheid in het parlement verhinderde. De komst van maar liefst tachtig HDP-parlementsleden leek ongekende mogelijkheden te bieden voor civiele politieke actie; maar in plaats daarvan laaide het geweld opnieuw op. Na een bomaanslag op een groep PYD-sympathisanten in Suruç, waarbij 32 doden vielen, bond de Turkse regering de militaire strijd aan met ‘het terrorisme’; ogenschijnlijk bombardeerde de Turkse luchtmacht daarbij ook IS-doelen, maar in werkelijkheid werden vooral, zo niet uitsluitend, PKK-stellingen in Syrië en noord-Irak aangevallen.

Lokale waarnemers duidden deze operaties vooral als een poging om een gewelddadige reactie van de PKK te provoceren. Als dat inderdaad de opzet was, dan zijn ze daarin geslaagd: op verscheidene plekken vielen PKK-guerrilla’s militaire posten aan, en in diverse steden wierpen PKK-aanhangers barricades op om vervolgens autonomie uit te roepen. De aanhoudende gevechten en de repressie van deze stadse opstanden hebben sinds juli aan meer dan zeshonderd mensen, voornamelijk Koerdische burgers, het leven gekost. 

Erdoğans bloedige strategie had succes: bij de nieuwe verkiezingen van 1 november kreeg zijn AKP opnieuw een absolute meerderheid in het parlement. Het is echter de vraag of deze hernieuwde parlementaire overmacht tot verbeteringen in de verhoudingen zal kunnen leiden.2 In de Koerdische provincies won de AKP 5 tot 10 procent van de stemmen terug, doorgaans ten koste van de HDP; maar ook nu kwam de laatste weer boven de 10 procent kiesdrempel uit. De AKP regeert nu weer alleen; maar ze heeft andermaal niet genoeg zetels om Turkije naar een presidentieel systeem om te vormen. Erdoğans anti-Koerdische retoriek werd in de maanden na de verkiezingen alleen maar felle; ook zijn aanvallen op onafhankelijke media ging onverminderd voort. In mei 2016 liet hij het parlement een wet aannemen die het mogelijk maakte de immuniteit van zittende parlementsleden op te heffen; daarmee maakte hij de weg vrij voor de juridische vervolging van de HDP-afgevaardigden, de enige overgebleven serieuze oppositie in het parlement.

De Koerdische regio in Irak: van baken van rust tot crisishaard

Ook de toestand van de Iraakse Koerden is in de afgelopen jaren dramatisch verslechterd. Aanvankelijk leken deze in het Irak van na Saddam Hoessein juist buitengewoon sterk te staan: hun autonome status werd in de grondwet van 2005 bekrachtigd, ze leverden twee Iraakse presidenten op rij, en in de landelijke politiek konden ze hun bemiddelende positie tussen de Arabische soennieten en sjiieten dikwijls te gelde maken. Ook economisch ging het de regio voor de wind, met name dankzij de gestage, en met de stijgende internationale olieprijzen meegroeiende, geldstroom uit Bagdad. Volgens de nieuwe grondwet diende Irak immers 17 procent van zijn olie-inkomsten aan de Koerdische regio af te staan. Deze steeds groeiende inkomsten werden vooral gebruikt om de loyaliteit van de bevolking te kopen, primair via een zich jarenlang uitbreidende publieke sector, die momenteel naar schatting 60 à 70 procent van de beroepsbevolking uitmaakt. De privésector daarentegen werd door de machthebbers en hun protegés vooral als een melkkoe gezien. Alle binnen- en buitenlandse ondernemers moesten gebruik maken van lokale partners met partijconnecties, die doorgaans geen werk verrichtten maar wel een exorbitant bedrag vroegen voor de geboden ‘hulp’ of ‘bescherming’. Zo werd de — schijnbaar stabiele en welvarende — Koerdisch regio in werkelijkheid geteisterd door een hemeltergende corruptie.

Volgens Transparency International was Irak in 2014 het op vijf na meest corrupte land ter wereld;3 de Koerdische regio — waarvoor geen aparte gegevens beschikbaar zijn — deed het ongetwijfeld iets beter, omdat de dienstensector hier niet totaal was ingestort; maar ook hier waren corruptie en vriendjespolitiek en gebrek aan transparantie endemisch en grootschalig. Zelfs het budget van de regionale regering was jarenlang een soort staatsgeheim. Sinds enkele jaren wordt er in het parlement over de financiën van de regering gediscussieerd; maar het is volstrekt onduidelijk wat de relatie is tussen dit budget en de bedragen die de regio feitelijk in- en uitstromen.

Tegelijkertijd stelden de Koerden zich in de onderhandelingen met de centrale regering over olieproductie en -verkoop steeds onafhankelijker en uitdagender op; voortdurend dreigden ze hun eigen olie te gaan produceren en verkopen, en zelfs zich van Irak af te zullen splitsen, als Bagdad hen niet meer tegemoet kwam. Te midden van deze moeizame onderhandelingen draaide premier Maliki in januari 2014 de geldkraan dicht, daarmee de regionale regering in Erbil — die in het geheel geen financiële reserves had opgebouwd — acuut berovend van het vermogen om salarissen uit te betalen en andere uitgaven te doen. In het noorden begonnen vervolgens regionale regering, lokale instanties, en privépersonen her en der geld te lenen, zonder enig concreet uitzicht op herstel van de inkomsten uit Bagdad. Alleen al bij de buitenlandse oliefirma’s, de instanties die in de regio daadwerkelijk de olie oppompen, bouwde de KRG binnen de kortste keren een schuld op van een miljard dollar.4 Deels door die immense opgebouwde schulden heeft ze weinig mogelijkheden om de regionale olieproductie binnen afzienbare tijd dramatisch te verhogen, en daarmee zelfstandig inkomen te genereren; bovendien is de kans klein dat Iraaks-Koerdische olie ook op de internationale markt, en tegen marktprijzen, kan worden verkocht. Er zijn diverse technische hindernissen, maar vooral ook complexe juridische risico’s voor de — volgens Bagdad illegale — rechtstreekse olieverkoop; met name de vraag wie nu precies de eigenaar is van de olie die in Turkije uit de pijpleiding komt is een punt van aanhoudende juridische twist. Veel potentiële kopers beschouwen deze risico’s als te groot, en willen Bagdad niet tegen de haren instrijken. Volgens onbevestigde berichten is Israël de enige staat in de wijdere regio die het aandurft om Iraaks-Koerdische olie in grote hoeveelheden op te kopen; sommige krantenberichten melden zelfs dat het momenteel 70 procent van zijn oliebehoefte uit de Koerdische regio betrekt.5

Naast de economische crisis en de politieke moeilijkheden met Bagdad, en naast de aanhoudende confrontatie met IS, kampt de Koerdische regio bovendien met een patstelling tussen de politieke partijen. Volgens de regionale grondwet had president Massoud Barzani aan het eind van zijn tweede termijn in 2013 terug moeten treden. Het — toen nog door KDP en PUK gedomineerde — regionale parlement verlengde zijn mandaat echter met twee jaar, hoewel daar op dat moment noch een constitutionele provisie noch enige politieke noodzaak voor bestond. In de zomer van 2015 stelden KDP en PUK voor om Barzani’s mandaat opnieuw met twee jaar te verlengen, gezien de benarde politieke en economische omstandigheden. De oppositiepartijen, met name Gorran (‘Verandering’), eisten echter dat Barzani zou aftreden en dat er nieuwe presidentsverkiezingen zouden worden gehouden. In september kwam het tot protestdemonstraties in de provincies Sulaimaniya en Kirkuk, waarbij verscheidene KDP-partijkantoren werden aangevallen en meerdere doden vielen. De KDP beschuldigde Gorran ervan achter het geweld te zitten, en liet zijn troepen de ministeries bezetten die door Gorran-ministers werden geleid. Ook werd alle Gorran-parlementariërs de toegang ontzegd tot niet alleen het parlementsgebouw maar ook tot de stad Erbil. Tegenstanders spraken van een regelrechte staatsgreep door de KDP; KDP-woordvoerders betichtten Gorran van een obstructieve houding en van het aanzetten tot gewelddadige demonstraties.

Balans

Momenteel is er geen enkel concreet zicht op spoedig herstel van de politieke rust en met name van een functionerend parlementair en constitutioneel stelsel,- om nog te zwijgen van een productieve en zelfstandige economie. Integendeel, een nieuwe alliantie tussen Gorran en PUK die in mei 2016 werd gesloten leek de — in Erbil en in de noordelijker gelegen Badinan-regio — oppermachtige KDP alleen maar halsstarriger te maken. De in de buitenlandse pers veelvuldig besproken plannen voor een referendum over Koerdische onafhankelijkheid zijn in feite weinig meer dan een poging van de KDP om de aandacht van de economische crisis en politieke patstelling af te leiden. De lokale bevolking is vooral bezig met economisch overleven en nauwelijks met het referendum. Veel ambtenaren zijn er zo’n 80 procent in inkomen op achteruitgegaan; en het cynisme over de eigen leiders is groot.

De vraag dient zich aan hoe en waarom het allemaal zo snel mis heeft kunnen gaan. Rond 2010 zag de situatie er voor de Koerden nog relatief rooskleurig uit. Velen wijten de huidige chaos in het Midden-Oosten primair of uitsluitend aan de gevolgen van het Westerse militair ingrijpen in Irak en Libië, of juist aan het gebrek aan westers ingrijpen in Syrië; maar al is de rol van met name Amerika en de EU van belang, ze is zeker niet de enige of zelfs maar de doorslaggevende factor.

In Turkije heeft met name het steeds autoritairder optreden van Erdoğan de verhoudingen steeds verder gepolariseerd; en in Syrië en Irak zijn vooral ook de gevolgen merkbaar van de Arabische lente en de gewelddadige repressie daarvan, die de hele wijdere regio hebben gedestabiliseerd. 

Een andere interne factor die de stabilisering van een vreedzame civiele politiek onder de Koerden heeft bemoeilijkt is de aanhoudende dominante rol van de traditionele Koerdische partijen, waarvan momenteel de KDP onder Barzani en de PKK onder Öcalan de sterkste zijn. Deze partijen zijn tot op heden onwillig gebleken hun autoritaire karakter en hun leninistische centralistische organisatiestructuur wezenlijk te veranderen. In Iraaks Koerdistan heeft dat geleid tot een patronagestaat die alle structurele tekortkomingen van de klassieke renteniersstaat vertoont, maar is ingebed in een steeds instabielere regio. Door het kortzichtige beleid van de regionale regering, dat bestond uit het zo snel mogelijk opsouperen van de olie-inkomsten, staat momenteel de economie op instorten. Gezien deze acute economische crisis is het vooral verbazend dat het niet al eerder, en op veel grotere schaal, tot protesten is gekomen. Waarschijnlijk is de aanhoudende dreiging van IS de voornaamste reden dat de burgerbevolking zich nog altijd achter de regionale machthebbers schaart, ondanks de wijdverbreide ontevredenheid over de corruptie en incompetentie van de regering. In feite lijkt er geen alternatief te zijn voor een vergelijk met Bagdad, en met de lokale oppositie; maar het is twijfelachtig of de regionale regering bereid zal zijn tot dergelijke concessies.

In Turkije lijkt het toenemende geweld de autoritaire neigingen zowel van Erdoğan als binnen de PKK alleen maar te sterken. De civiele HDP heeft momenteel de grootste moeite om zijn radicalere achterban rustig te houden; de wens om de guerrilla-oorlog te hervatten is bij vele PKK-aanhangers sterk. Maar minder dan in de jaren negentig lijkt de Koerdische bevolking als geheel te mobiliseren voor de gewapende strijd. De PKK lijkt de hoop te hebben gehad een soortgelijke stadsguerrilla in Turkije te beginnen als in noord-Syrië; maar dit bleek een ernstige miscalculatie. Het Turkse leger heeft de opstand in de steden met ongekend harde hand neergeslagen, ten koste van honderden doden en grotendeels verwoeste binnensteden in onder meer Diyarbakir, Nusaybin, en Yüksekova. Of de PKK daadwerkelijk in staat is tot een nieuwe grote militaire confrontatie valt te betwijfelen, omdat ze vrijwel al haar militaire middelen en personeel momenteel in Syrië heeft ingezet. Maar wel dreigt momenteel de PKK als militante en autoritaire guerrillabeweging weer sterker te worden ten opzichte van civiele en pluralistische politiek.

De westerse media berichten graag over de ‘democratische autonomie’, de grassroots-politiek en gelijke rechten voor mannen en vrouwen die PKK en PYD zeggen na te streven; maar tegelijkertijd wordt de beweging nog altijd gekenmerkt door een leninistisch centralisme, dat andere Syrisch-Koerdische partijen geen ruimte biedt, en door een persoonlijkheidscultus rond PKK-leider Öcalan. Het feitelijke leiderschap van de PYD ligt evenmin bij de lokale raden als bij de politicus Salih Muslim, die stad en land afreist om sympathie voor de Syrische Koerden te kweken, maar bij PKK-commandant Cemil Bayık, die zich verschanst in het Qandil-gebergte in noord-Irak. 

Zowel de KDP als de PKK kent een duurzame autoritaire politieke traditie; en in hun onderlinge rivaliteit zoeken beide partijen eerder steun bij autoritaire buurlanden dan in civiele structuren. Zo heeft Barzani zich politiek geallieerd met Erdoğan en met Iran, en staan de PKK en PYD op zijn best ambivalent ten opzichte van de Syrische president Assad, en van zijn internationale beschermheer Poetin. Zo wordt duidelijk dat de Koerden nog altijd worden gebruikt als speelbal, niet alleen in de wijdere regionale politiek, maar ook, en opnieuw, in het geopolitieke spel van grootmachten als Amerika en Rusland. De ervaring van de afgelopen decennia leert dat de Koerden zelden beter zijn geworden van zulke bemoeienis. 

Michiel Leezenberg is verbonden aan de afdeling Wijsbegeerte en het MA-programma Islam in de moderne wereld van de Universiteit van Amsterdam.