5
min leestijd
A- A+

Kroniek van de revolutie

Oproer: Een kroniek van de Egyptische revolutie is een aangrijpend relaas dat ik iedereen die geïnteresseerd is in het Midden-Oosten van harte kan aanbevelen. De schrijver is een moedige activist/student die vanaf het moment dat hij in 2009 voet zette in Egypte meegezogen werd in de gebeurtenissen die tot de bezetting van Tahrir leidden. Op meeslepende wijze weet hij een beeld te geven van de activisten, wat hen beweegt en hoe ze te werk gaan.

'' ''

Niet alleen is hij bij bijna iedere gebeurtenis aanwezig of is zijn informatie uit directe hand, de structuur van het boek is ook uitnodigend. Achtergrondinformatie wordt razendsnel afgewisseld met flashbacks en anekdotes over Egypte, dit alles geschreven in een levendige stijl waardoor het boek leest als een trein. Van de eerste Tahrir-bezetting in januari-februari 2011, de tweede bezetting in juli 2011, de Muhammad Mahmoud-rellen van november-december 2011 tot de parlementsverkiezingen van december-januari 2011, de dood van de Ahly-supporters in februari 2012 tot het einde van Morsi als president en de staatsgreep op 3 juli 2013; alles komt aan bod.

Ik richt me in deze bespreking op de wetenschappelijke waarde van het boek. Nu de politicologie er niet in geslaagd is een analyse te geven van de Arabische opstanden, moeten we die zoeken in de persoonlijke verhalen van de deelnemers. Wat kan Wanrooijs boek bijdragen aan de kennis die we hebben over de opstanden in Egypte? Wat zegt het over de oorzaken van de opstanden, wat zijn de gevolgen?

Vooral nu iedereen denkt dat de opstanden dood zijn en een ‘winter’ is ingetreden, is het goed Oproer te lezen. ‘Want’, zo schrijft hij in de inleiding, ‘hoewel het stof nog altijd niet volledig is neergedaald in de straten van Egypte, kunnen we met zekerheid zeggen dat de gebeurtenissen van de afgelopen jaren een blijvende invloed zullen hebben’ (pag. 16). De vraag is welke invloed?

Wanrooij kenschetst de opstanden als een emancipatiebeweging. Hij heeft het ook over besef van onrecht en dat Egyptenaren mondiger werden in hun verzet en dat in 2010 de ‘geest van protest’ rondwaarde (pag. 39). Als belangrijkste reden noemt hij de onhoudbare economische situatie. Het woord revolutie valt veel, maar belangrijker zijn de kwalificaties die daaraan gegeven worden. Wanrooij meent dat het vooral een culturele revolutie is, een ‘collectieve bevrijding van de geest’ (pag. 81). In plaats van een ‘opgedrongen orde’ heerste er een ‘creatieve chaos’ (pag. 98), een ‘rebelse cultuur’ die zich van de arme wijken verspreidde naar de middenklasse. De culturele dimensie wordt onderstreept door de belangrijke rol die muziek speelt: ‘de emoties die daarmee gepaard gingen vormden de stad — en vormden een generatie’, de culturele elite leek irrelevant (pag. 99). Een nieuwe revolutionaire taal, doordrenkt met woorden als democratie, transparantie en verantwoording afleggen verspreidde zich. De revolutie had ook een veel bredere reikwijdte dan meestal wordt aangenomen in het Westen: ‘de val van Mubarak was een enorme stimulans voor protest op kleine schaal tegen de baas op de werkvloer, een gouverneur, een rector of een corrupte politiefunctionaris’ (pag. 125). Wanrooij geeft als voorbeeld zijn bezoek aan het dorpje Tahsien, waar een campagne van burgerlijke ongehoorzaamheid begint tegen het gebrek aan voorzieningen (pag. 230).

Bovenal is de revolutie een persoonlijk proces. Typerend is dat een van de activisten vertelde dat ze had ‘leren [te] vertrouwen op haar eigen ideeën en durfde zelf na te denken’ (pag. 160). Politiek was ook opeens belangrijk geworden: ‘de politiek was tot leven gekomen en iedereen deed mee’ (pag. 152). Maar wat dit betekent horen we pas op pagina 177, wanneer een parlementskandidaat zegt dat hij voor ‘sociale rechtvaardigheid, een redelijk minimumloon, beter onderwijs en betere gezondheidszorg is.’

Fascinerend is de inkijk die Wanrooij geeft in het activistische milieu waarin hij verkeert. Als geen ander is hij hierin diep doorgedrongen en veel van zijn beweringen over het activisme zijn gebaseerd op zijn directe persoonlijke relaties met dit milieu. Uit zijn boek blijkt dat dit activisme vaak teruggaat op een lange activistische familietraditie. Dit geldt voor Philip Rizk, die een Duitse moeder heeft die als zendelinge naar Egypte reisde en een Egyptische vader, en die zelf tijdens zijn studie in Gaza verbleef; Selma Saïd, een actrice, wier grootvader de communistische partij oprichtte, en die al tijdens haar vroege jeugd meemaakte hoe haar vader en moeder gearresteerd en afgevoerd werden; Ziyad Hawwas, wiens beide ouders deelnamen aan het activisme van de jaren zeventig tegen Sadat; Lobna Darwish uit Alexandrië, die Frans onderwijs had genoten van de nonnen en op een kostschool had gezeten in Zwitserland; Jasmina Metwaly, dramaturg die in Koeweit opgroeide en in Polen studeerde en Nazly Hussein, die uit een aristocratische familie komt die gelieerd is met verschillende regerende families in de Arabische wereld. Ze zijn allemaal kosmopolitisch, spreken meerdere talen, hebben in het buitenland gestudeerd, zijn vervreemd van het regime, en weten wat een revolutie is omdat het met de paplepel is ingegoten. Toch is deze revolutie anders.

Wanrooij weet op treffende manier het speciale karakter van de Egyptische revolutie te beschrijven. Pas op Tahrir zelf namen met het aantal demonstranten de leuzen toe in radicaliteit en ging de revolutie over in een leiderloze Occupybeweging: ‘de organisatorische krachten die tien jaar lang de weg hadden bereid voor dit historische moment van verzet waren irrelevant geworden op het moment dat miljoenen mensen in het hele land de straat op waren gegaan’ (pag. 69).

Was dit het hoogtepunt van de opstand, de jaren daarna werden gekenmerkt door een toenemende depressie. De groep van activisten waarin Wanrooij zich begeeft beseft dat er nog een lange weg te gaan was na het aftreden van Mubarak. De strijd werd daarna op drie manieren gevoerd. Als onderdeel van de brede culturele revolutie was het een strijd om de ‘betekenis van de achttien dagen en de inhoud van begrippen’ met de gevestigde orde die de revolutie dreigde te kapen. Deze strijd voerden ze door middel van het vastleggen van de revolutie in films over de eisen van boeren en arbeiders, en over politiegeweld. Hiervoor richten ze in oktober 2011 het mediacollectief Mosireen op, dat grote bekendheid zou krijgen met het vertonen van films als Cinema Tahrir. Ten tweede zette zij zich in voor mensenrechten, georganiseerd in het platform Nee Tegen Militaire Tribunalen Voor Burgers. Ten slotte bleven ze doorgaan met protestmarsen en bezettingen van het Tahrir-plein in de strijd tegen de Hoge Militaire Raad. Deze protesten leidden tot de heftige rellen in de Muhammad Mahmoud-straat in november-december 2011, waarbij tientallen doden vielen.

Wat is Wanrooijs bijdrage aan de kennis over de Egyptische revolutie? Afgezien van zijn achtergrondanalyses van de politieke, economische en sociale situatie in Egypte, die verhelderend zijn, maar die men ook elders kan lezen, zijn zijn beschrijving van de lotgevallen van zijn activistische vrienden en zijn directe waarnemingen uniek. Hun reacties op bezettingen, hun ideeën over de militairen, hun arrestaties, de moed die ze tonen, de gevechten met de baltagiyya (knokploegen), en hun groeiende deceptie met de strijd, geven een diep inzicht in het karakter van de opstand.

Onbedoeld draagt zijn boek bij aan een beter inzicht in het mislukken van de revolutie.  Veel commentatoren stellen dat een revolutie alleen kan slagen als er een zekere eenheid is of als belangrijke spelers coalities smeden. Het enorme wantrouwen tussen links, waartoe Wanrooij gerekend kan worden, de Moslim Broederschap en de liberalen dat uit zijn boek spreekt geeft aan hoe moeilijk het was een overgang tot stand te brengen, zoals in Tunesië wel gelukt is. Daarnaast lieten de activisten de verkiezingen geheel aan de Moslim Broederschap over. Door zich volledig te concentreren op demonstraties als middel om verandering af te dwingen - geen van hen ging stemmen tijdens de parlementsverkiezingen van december-januari 2011-2012 of de presidentsverkiezingen van mei-juni 2012 - sloten ze zichzelf buiten. Dat ze in toenemende mate werden geïsoleerd blijkt uit de tweede bezetting van Tahrir in juli 2011 (pag. 158). Dit isolement neemt daarna alleen nog maar toe; in de zomer van 2013 namen ze nauwelijks nog deel aan de demonstraties en gevechten met de politie. ‘De rellen werden een decor, een ruis op de achtergrond die niet wegging’ (pag. 252).

Pas bij de demonstraties tegen Morsi, de Moslim Broederschap-president in de zomer van 2013, is het verzet massaal. Maar tegen die tijd is de strijd om de ‘betekenis van de achttien dagen en de inhoud van begrippen’ verloren. Die strijd wordt volledig door de militairen bepaald. Toch is de opmerking die Wanrooij in zijn inleiding maakt, dat we met ‘zekerheid zeggen dat de gebeurtenissen van de afgelopen jaren een blijvende invloed zullen hebben’ terecht. Daarvoor is er teveel overhoop gehaald, zijn teveel organisaties de straat opgegaan, zijn er teveel slachtoffers gevallen en is de onvrede onder de bevolking te groot. Hopelijk staan er dan nieuwe studenten op om op dezelfde knappe wijze een kroniek van de Egyptische revolutie te schrijven.

Roel Meijer is universitair docent Geschiedenis van het Midden-Oosten aan de Radboud Universiteit Nijmegen en senior onderzoeker aan Instituut Clingendaal.