12
min leestijd
A- A+

Docent met een missie: Paul Aarts

Met een intrigerend symposium en een daverend feest nam politicoloog Paul Aarts onlangs na 37 jaar afscheid van de UvA. Aarts, die ook aan de wieg stond van ZemZem, wilde als kind priester of mijnwerker worden. Hij komt dan ook uit Limburg. Voor een afscheidsrede had hij geen energie. ‘Ik zou er zes weken fulltime aan hebben moeten werken.’

Aarts

Met een intrigerend symposium en een daverend feest nam politicoloog Paul Aarts onlangs na 37 jaar afscheid van de UvA. Aarts, die ook aan de wieg stond van ZemZem, wilde als kind priester of mijnwerker worden. Hij komt dan ook uit Limburg. Voor een afscheidsrede had hij geen energie. ‘Ik zou er zes weken fulltime aan hebben moeten werken.’ Deel 21 in de serie Afscheid van een generatie.

Toen ik een half jaar geleden bij Paul Aarts op bezoek was, ging de telefoon. Het was zijn broer uit Maastricht. Aarts schakelde direct over naar het Limburgs. In het zuiden van ons land heeft hij dan ook zijn wortels, maar hij woont al sinds zijn zeventiende in Amsterdam. Aarts noemt Limburg een belangrijk deel van zijn identiteit. Die identiteit omschrijven, vindt hij lastig. Hij kan wel een voorbeeld geven: ‘Als ik met vrienden of studenten in een café zit, ben ik snel geneigd als eerste een rondje te geven. Nee, ik ben geen Bourgondiër, dat is een te groot woord. Maar Hollanders zijn zuiniger. En Limburgs praten doe ik het liefst de hele dag. Mijn voormalige voorzitter van de afdeling politicologie, Jean Tillie, is een Maastrichtenaar. Het liefst liepen we samen op de gang heel hard Limburgs te praten, ook omdat niemand het kon verstaan.’

Hij zegt regelmatig met zijn vriendin Hennie, die het Limburgs verstaat, te hebben gesproken over een terugkeer naar Limburg. ‘Het heeft nooit Hennies voorkeur gehad, maar ik heb de afgelopen twintig jaar vaak tegen haar gezegd: “Als ik de baan zou kunnen krijgen aan de Maastrichtse universiteit die ik nu hier heb, gaan we verhuizen.”’

En waarom dan?

‘We fietsen heel veel. En fietsen in Limburg is veel leuker dan in het westen.’

Dat lijkt me een mooie reden, maar niet de voornaamste overweging.

‘Wel een belangrijke. Maar ook wel voor het Bourgondische en de gemoedelijke sfeer, maar de natuur trekt toch het meest.’

Je zegt niet: om dicht bij mijn familie te zijn. Jouw ouders zijn al geruime tijd overleden, maar je hebt een broer die vijf jaar ouder is en in Limburg is blijven wonen.

‘Met mijn broer heb ik regelmatig contact. Straks moet ik hem weer bellen, want hij heeft mijn colleges gezien voor de Universiteit van Nederland, en daar heeft hij wat vragen over. Maar niet alleen mijn ouders, ook alle ooms en tantes zijn overleden. Ik had wel een hechte band met mijn ouders. Ze kwamen vaak naar Amsterdam, ook om onze dochter Nikkie te zien.’

Zijn vader was huisschilder, net als zijn broer. Ze hebben samen een winkel gehad, Aarts en zoon, in het dorp Heer — inmiddels geannexeerd door Maastricht, waar Aarts op school zat. Aarts: ‘Zowel op de lagere school als op de HBS behoorde ik tot de beste leerlingen. In sommige vakken was ik echt de beste. Ik heb nog bij mijn eindexamen een boek gekregen van de Franse ambassade, omdat ik het hoogste eindexamencijfer had. Maar ik was altijd heel braaf. Misschien wel een beetje te braaf. Ik had wel veel vriendjes hoor, ik was geen outcast.’

‘Toen ik klein was, werd me altijd gevraagd: “Zèg jong, wat wölste later weure?’ Ik zei dan altijd priester of mijnwerker.’

Hoe kwam je uit bij de studie politicologie?

‘Dat was een negatieve keuze. Ik wilde gaan studeren, maar wist niet wat. Iets met mensen, heel algemeen, dus sociale wetenschappen. Het had ook antropologie kunnen zijn, of sociologie.’

Was je ooit in Amsterdam geweest?

‘Ja, we bezochten regelmatig een tante in Amsterdam, en een neef die bij haar in huis woonde. Hij studeerde Nederlands en heeft me enthousiast gemaakt voor Amsterdam. Maar het was een grote overgang. Ik weet nog heel goed het moment dat ik door mijn ouders ben afgezet op het Rembrandtplein. Daar namen we afscheid. Ik voel nog wat ik toen ook voelde: dat ik er vanaf dat moment alleen voor stond. Ik krijg er nu ook tranen van in mijn ogen.’

Ik zie het.

‘Heel heftig.’

Wat maakte het zo heftig?

‘Het loslaten. Ik woonde aanvankelijk een jaar lang op de Weteringschans met een jongen die ik niet eens zo goed kende, Flup. We deden álles samen.’

Je vertelde voor aanvang van dit interview dat je in het eerste jaar dat je in Amsterdam studeerde, in de weekenden dat je niet naar je ouders ging, de zondagsmis in De Duif bezocht.

‘Uit loyaliteit. Niet zozeer vanwege die mis, want dat vond ik echt een poppenkast. Maar de eerste jaren ging ik in het weekend regelmatig naar huis, en dan kon ik zeggen dat ik het weekend ervoor naar de kerk was geweest. En dan zeiden mijn ouders: “Hiel good jong.” Na een jaar heb ik verteld dat ik niet meer naar de kerk ging. Ik kan me dat gesprek niet goed meer herinneren, ongetwijfeld heb ik er erg tegenop gezien, maar ik denk dat ze toen hebben gezegd: “Ach, dat is hielemaol neet èrreg.” Zo waren ze; heel coulant.’

Ik zie dat je nog steeds vochtige ogen hebt.

‘Luister, Limburger zijn is heel belangrijk voor me. Ik vind het straks niet leuk om te lezen, maar ik raak snel geëmotioneerd. Al bijna vijftien jaar. Ik huilde soms al bij lullige scenes in Goede Tijden Slechte Tijden en sinds kort ook bij een mooie actie in een voetbalwedstrijd op televisie.’

Zelf heb je ook lang gevoetbald.

‘In Heer zat ik op volleybal. Ook in Amsterdam ben ik gaan volleyballen, zo heb ik Hennie leren kennen en veel andere vrienden en vriendinnen. Op een gegeven moment ontmoette ik een volleyballer die zei dat hij ook voetbalde. Ik heb het nu over 1970. Ik bleek ook goed te kunnen voetballen en ben jarenlang aanvoerder geweest van NDSM-5. Vanwege artrose heb ik vier jaar geleden helaas moeten stoppen met voetballen.’

Je zei dat je in 1970 ging voetballen, dat was ook het jaar dat je voor het eerst door het Midden-Oosten ging reizen. Met een vriend, van Marokko naar Turkije.

‘Ja met Han Carpay. Zijn schriftjes met aantekeningen liggen hier op tafel. Ik heb ze gisteren nog even doorgenomen. Han woont al zijn hele leven in Aalsmeer en is journalist. Hij had kennissen op de bloemenveiling in Aalsmeer, en zo kwamen we aan een lift naar Madrid. Vervolgens zijn we door Marokko, Algerije, Tunesië en Libië gelift. In Benghazi kwamen we twee weken vast te zitten in verband met de grensoorlog met Egypte. Dus over land konden we niet verder, en ook niet met de boot. Uiteindelijk zijn we naar Caïro gevlogen. En van Caïro met de trein naar Alexandrië, en van daaruit met de boot naar Beiroet. En vervolgens naar Damascus, Ankara, Istanbul en Skopje. We zijn drie volle maanden weggeweest, voor 1200 gulden. Goedkope hotelletjes, vol vlooien.’

In een interview met Folia uit 2010 vertel je ook over je bezoek aan Palestijnse vluchtelingenkampen in Jordanië.

‘Dat blijk ik te hebben verzonnen, ik heb het nergens terug kunnen lezen in onze schriftjes. Pijnlijk.’

Je hebt je betrokkenheid bij de Palestijnen verzonnen.

‘Néé, want in Syrië ben ik wel degelijk in een Palestijns vluchtelingenkamp geweest. Het staat in dit schriftje.’ Aarts pakt een schriftje van tafel.’ Hier is het bewijs. Er staat niet welk kamp, maar ik moet nu aan Yarmouk denken, vanwege de huidige burgeroorlog in Syrië.’

Een belangrijk land waar je toen niet bent geweest is Israël.

‘Misschien wilde ik niet naar Israël. “Wij staan achter Israël”, dat was de leus in Nederland. We wisten meer over Israël dan over de Arabische landen.’

Wat is je het meeste bijgebleven van die reis?

‘Veel, maar geen belangrijke dingen voor jou,’ antwoordt Aarts. Om er meteen achteraan te zeggen: ‘Bijvoorbeeld een bijna-verkrachting in Benghazi. Door mannen. Ik heb dat verhaal vaker verteld aan mensen, maar aangedikt merkte ik toen ik het terug las in het verslag van Han. Thuis bij twee Libiërs zaten we aan de whisky, Gaddafi was net aan de macht. De jongens waren wat ouder, en gingen kip halen omdat ik honger had. Toen ik na het eten begon te gapen, zei ik tegen Han dat ik wilde gaan slapen. Maar volgens de twee Libiërs konden we niet alleen de straat op omdat we hadden gedronken en er overal politie was. En als we zouden worden opgepakt, zouden zij ook de klos zijn. Daarom nodigden ze ons uit om te blijven slapen. Han heeft hier genoteerd dat de ene Libiër, Abdul, zei: “We hebben vier slaapkamers”, en dat Abdul werd gecorrigeerd door zijn vriend en zei: “Nee, we hebben maar twee slaapkamers. En laten we Holland, Libië , Holland, Libië doen.” Ik was twintig jaar, een groentje. Ik had nog nooit een vriendin gehad. In mijn herinnering zijn die jongens toen agressief geworden en hebben Han en ik ons opgesloten in een kamer, en de deur gebarricadeerd. ’s Ochtends vroeg, toen ze nog sliepen, zijn we door het raam naar buiten gevlucht. Maar nu ik het teruglees, klopt dat dus niet helemaal. In werkelijkheid ging het anders: er was wat geduw en getrek in de huiskamer en toen Han naar bed ging, kroop Abdul erbij en begon hem te aaien. Vliegensvlug zijn we het huis uitgevlucht, terug naar ons hotelletje.’

Hoe kan het dat je zo’n verhaal hebt aangedikt?

‘Ik vermoed omdat ik dat verhaal over die bijna-verkrachting vaak heb verteld als mensen mij vroegen of ik in militaire dienst was geweest. Bij de herkeuring heb ik namelijk verteld dat ik bijna was verkracht door Libische mannen. En dat dat een verschrikkelijke ervaring was, maar dat mijn contact met mannen tijdens latere reizen door het Midden-Oosten “heel prettig” was. Onder andere daarom hoefde ik niet in militaire dienst. Ik kreeg S5.’

Na terugkomst van die reis heb je je direct aangemeld bij het Palestina Komitee.

‘Dat was een sleutelmoment in mijn leven. Meedraaien bij het komitee is belangrijker geweest dan mijn hele studie. Ik heb er ontzettend veel geleerd. Inhoudelijk door de nieuwsbrieven die we maakten, stukken schrijven, redigeren, opmaken, het organiseren van demonstraties. Ik heb er leren vergaderen, met Ruud Peters, Bertus Hendriks, Wietske Miedema, Kees Wagtendonk en Peter Meijer. Dat zijn vrienden geworden. Het was een politieke familie, maar ook gezellig. De vergaderingen waren een feest, met flink wat bier. Ouwehoeren tot diep in de nacht. Als student was ik braaf; tentamens op tijd halen, alles goed voorbereiden. En nadenken over politiek heb ik minder bij politicologie geleerd dan bij het Palestina Komitee.’

Je bent pas in 1978 met een scriptie over Saoedi-Arabië afgestudeerd. Na elf jaar!

‘Het gemiddelde in die tijd lag op zes à zeven jaar. Ik heb er zo lang overgedaan vanwege mijn werkzaamheden voor het komitee en het vele sporten. Er is een fameuze anekdote die Bertus Hendriks vaak op feestjes vertelt: “Paul ging nooit op zaterdag demonstreren, want dan moest hij voetballen.” Bertus voetbalde bij mij in het team, maar bij hem ging een demonstratie voor.’

‘In 1977 heb ik voor mijn scriptie drie maanden in Caïro gewoond, samen met Peter Meijer. We verbleven bij Fred en Vreni Leemhuis op het Nederlands Instituut. Heel gezellig. We maakten toen ook de voedselrellen mee, misschien wel het begin van de Arabische lente. Ik heb ook elf jaar over mijn studie gedaan omdat ik een baan kreeg. Ik was drie jaar lang kandidaat-assistent bij het Documentatiecentrum voor Nieuwste Geschiedenis (DNG), een afdeling binnen politicologie waar ik werkte onder leiding van Leo Biegel. Ik gaf toen ook colleges over de oliecrisis en daar stak ik veel tijd in.’
 
Waarom olie?

‘Biegel was een heel goede docent. Zijn niveau heb ik nooit kunnen halen. Een fantastische verteller, een bevlogen geschiedenisleraar. Maar behalve in zijn dissertatie had hij nauwelijks belangstelling voor theorievorming. Ik wel. Ik ben weliswaar nooit een groot theoreticus geweest, maar heb wel altijd het belang gezien van het aanscherpen of verwerpen van concepten. Om de werkelijkheid beter te begrijpen. En ik dacht: het Midden-Oosten is meer dan alleen verhalen. De Golfregio was in opkomst en blijkbaar voelde ik dat aan. Nasser was overleden, de Saoedi’s namen het heft in handen in de Arabische wereld.’

‘Na mijn afstuderen ben ik een paar jaar werkloos geweest. Ik leefde van een uitkering, en ik kreeg van Kees Wagtendonk namens het Palestina Komitee iets van 200 gulden in de maand. Om het een beetje leefbaar te maken. Begin jaren tachtig kreeg ik een tijdelijke arbeidsplaats (TAP) aan de UvA. Dat was in het leven geroepen door de overheid om werkloze academici werkervaring te laten opdoen. Ik werd door de afdeling Internationale Betrekkingen en Volkenrecht benaderd of ik mee wilde werken aan het Brandt-project, een onderzoeksrapport over het Noord-Zuidrapport van Willy Brandt. Gerd Junne wilde twee mensen er een jaar lang onderzoek naar laten doen. Ik had een kamertje op de Herengracht, met een telefoon en een typemachine. Kort daarna kwam er een vacature voor wetenschappelijk medewerker. Het was een open procedure, er waren meerdere sollicitanten. We moesten publicaties laten zien. Ik had al <em>De Arabische uitdaging</em> gemaakt, mijn eerste echte boek waaruit nog steeds wordt geciteerd.’

Wat zie je als je belangrijkste wapenfeit als docent?

‘Dat ik veel studenten op een andere manier naar het Midden-Oosten en in het bijzonder naar Israël en Palestina heb leren kijken. En natuurlijk de studentenuitwisselingen met universiteiten in het Midden-Oosten.’

Waarom was het belangrijk om studenten anders naar Israël en Palestina te laten kijken?

‘Het Nederlandse beleid is altijd erg pro-Israël geweest.’

Maar je bent Israëlisch noch Palestijns…

‘Die eerste reis met Han heeft net dat vonkje veroorzaakt. Als ik een reis door Zuidoost-Azië had gemaakt, was ik misschien wel activist bij het Vietnam Komitee geworden.’

Je gebruikt het woord ‘activist’. Als docent wilde je studenten anders naar de regio leren kijken. Dat is ook een vorm van activisme. Terwijl je aan de universiteit verbonden was als onafhankelijke wetenschapper.

‘Onafhankelijke wetenschappers bestaan niet. Misschien in de natuur- en scheikunde. Zodra je met mensen te maken hebt, en met menselijke fenomenen en politieke gebeurtenissen, is het een illusie om er in puur objectieve, onafhankelijk termen over te kunnen spreken. Dat geldt met name voor zaken die in het Midden-Oosten spelen, omdat we daar altijd een verzonnen beeld van hebben gehad. Ik ben natuurlijk erg beïnvloed door Edward Said.’

Ik ging naar de universiteit om onafhankelijk te leren denken.

‘Waarom hamer je zo op het woord onafhankelijk? Feiten zijn niet objectief, welke noem je wel, welke niet. Het is goed om mensen die honger naar kennis hebben op een andere manier naar de wereld te laten kijken’

Kan ik dat academisch activisme noemen?

‘Niet als docent. Dat activisme probeerde ik te reserveren voor buiten mijn werktijd.’

Waar zit de scheidslijn?

‘Die is diffuus. Ik heb aan de UvA discussies georganiseerd met controversiële figuren die niemand anders uitnodigde. Finkelstein, Abou Jahjah, om er twee te noemen.’

Heeft dat wel eens problemen opgeleverd?

‘Niet met collega’s. Er zijn wel eens aanzetten tot relletjes geweest, door studenten die mij beschuldigden van wat jij me net vroeg. Hoe kan iemand die pro-Palestijns is nu neutraal en objectief onderwijs geven? Ik citeer graag een quote van, ik meen, Desmond Tutu. “Als je in een conflict een neutrale positie kiest, dan kies je partij voor de sterkste.” Dat is mijn motto.’

Achteraf is gebleken dat er bij de vergaderingen van het Palestina Komitee een BVD-agent aanwezig was en er bleek een BVD-rapport over jou te zijn. Maar je bent er nooit achtergekomen wie die vriend was.

‘Nee, dat is lastig. Maar blijkbaar vond de BVD ons interessant genoeg om een mol te plaatsen. Hilarisch eigenlijk. Maar ook schokkend. We waren brave jongens. Ik ben ook nooit benaderd door de BVD en ook niet door haar opvolger de AIVD.’

Je hebt wel een rapport geschreven over de Arabische lente in opdracht van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Is er een groot verschil tussen dat ministerie en de AIVD? Ofwel, hoe verhoudt zich dat tot elkaar?

‘Dat zou je aan het ministerie moeten vragen. Blijkbaar ben ik koosjer genoeg voor een opdracht. Ik ken wel een aantal oud-studenten die bij de AIVD zijn gaan werken. Ze hebben rapporten geschreven met letterlijke passages uit de door mij onderwezen literatuur.’

Je bent nooit gepromoveerd. Hoe komt dat?

‘Daarvoor moeten we terug naar de eerste jaren van mijn aanstelling bij politicologie. Ik had dus eerst die TAP-plaats, vervolgens een nul-aanstelling en daarna werd ik wetenschappelijk medewerker. Er bestond nog geen formele verplichting tot het schrijven van een dissertatie. Tegelijkertijd waren al mijn collega’s ermee bezig, of hadden ze net na jaren hun proefschrift afgerond. Ik heb collega’s eronder zien lijden. Dat laatste was voor mij de belangrijkste reden om niet te gaan promoveren. Op mijn verzoek hebben Gerd Junne en Henk Overbeek vervolgens schriftelijk verklaard dat ik niet hoefde te promoveren, mits ik zou publiceren in wetenschappelijke tijdschriften. Maar dat deed ik al.’

En dat is nooit een probleem geweest?

‘Het is een enorm probleem geworden. Ken je dat verhaal niet? Er is een dik dossier. Toen de faculteit een directeur kreeg, ik noem geen naam, heeft die man mij het leven zuur gemaakt. Ik heb bijna een rechtszaak gevoerd tegen het College van Bestuur. Die is op het laatste moment afgewend. Ik raakte het UD-schap kwijt, maar ik mocht wel onderzoek blijven doen, en ik behield hetzelfde salaris. Pijnlijk. Het was de prijs die ik betaalde. En ongeveer vijf jaar geleden mocht ik ook geen onderzoek meer doen — althans niet in werktijd. Gelukkig had ik een bulk aan overuren, zodat ik niet hele dagen les heb hoeven te geven.’ En dan met een lach: ‘Maar what’s the point. Ik ben groot geworden als drs. In het buitenland denken ze soms dat je twee keer bent gepromoveerd met die s erachter.’ En serieus: ‘Het was ook lastig. Ik kon bijvoorbeeld niet meedraaien in het NWO-circuit. Toch heb ik er nooit spijt van gehad.’

Wat is je favoriete boek, hét boek dat je heeft geïnspireerd?

‘Op die vraag heb ik me niet voorbereid. Er schiet me niet direct een titel te binnen.’ En na tien seconden: ‘Arabia Without Sultans van Fred Halliday. Ik heb Halliday diverse keren ontmoet. Hij is een van mijn goeroes. Hij heeft me onder andere laten zien dat het Midden-Oosten niet alleen uit Israël en Palestina bestaat. Het boek gaat voornamelijk over de Golfstaten. Halliday heeft me vanuit een anti-imperialistische visie naar de regio leren kijken.’

Waarom heb je eigenlijk geen afscheidsrede gehouden?

‘Daar heb ik geen energie meer voor. Ik zou er zes weken fulltime aan hebben moeten werken.’

Dan leg je de lat wel erg hoog.

‘Dat heb ik altijd gedaan. In alles wat ik geschreven heb, heb ik veel tijd gestoken. Mensen zeggen wel eens: “Paul, wat schrijf jij snel.” Niets is minder waar. Ik ben heel zorgvuldig. Anderen noemen dat een pietje precies. Ik heb studenten ook altijd op d/t-fouten gewezen. Controledrift. Ook is mijn geheugen niet meer optimaal. Dat blijkt wel uit mijn herinneringen aan die eerste reis door het Midden-Oosten. Ik ben iemand die de zaken in de hand wil houden. Een controlfreak. En ik wijs anderen er graag op als ze iets niet goed doen. Ik ben altijd een schoolmeester geweest.’

Tot slot, waar staat het Midden-Oosten over tien jaar?

‘Geen idee. Iemand die een serieus antwoord op deze vraag pretendeert te kunnen geven, moet zichzelf laten nakijken. Ik zit zelf nu in een periode van soul searching. Niemand heeft de Arabische lente voorspeld. Er waren natuurlijk aanwijzigingen, maar de snelheid waarmee het gebeurde en de manier waarop heeft niemand voorzien. Ik ook niet, dat heb ik me erg aangetrokken.’

Welke factoren zorgen ervoor dat het zo onvoorspelbaar is?

‘Je kunt bepaalde patronen herkennen, maar die liggen niet vast. En er kunnen zich onverwachte zaken voordoen. Stel dat Israël Iran gaat bombarderen, dan komt de hele kaart van het Midden-Oosten er anders uit te zien.’

Dat gaat Israël niet doen.

‘Jurgen, dat kun je niet zeggen. Dat weet je niet. Het is zeer onwaarschijnlijk. We moeten niet pretenderen dat we weten wat er gaat gebeuren. Ook al is dat soms moeilijk. Als ik bijvoorbeeld bij Nieuwsuur zit, krijg ik wel eens de vraag of het Midden-Oosten democratischer wordt of juist niet. Dan is de verleiding toch weer groot om in de kristallen bol te kijken. Maar eigenlijk is het een onmogelijke vraag.’

Jurgen Maas is hoofdredacteur van ZemZem. De colleges van Paul Aarts voor de Universiteit van Nederland kunt u terugkijken via: www.universiteitvannederland.nl/college/waarom-kwam-de-arabische-lente-…

Met dank aan Annemieke van Plateringen.