8
min leestijd
A- A+

Duitse jihadpropaganda tijdens de Eerste Wereldoorlog

Tijdens de Eerste Wereldoorlog trachtten zowel de Duits-Osmaanse zijde, alsook Britten en Fransen moslimbevolkingen voor zich te winnen met behulp van propaganda. In de Duitse campagne werd de oorlog tegen de geallieerden als jihad, een oorlog tegen de vijanden van de islam, afgeschilderd. De strategie was niet zonder succes maar het effect was uiteindelijk beperkt.

'' ''

Tijdens de Eerste Wereldoorlog trachtten zowel de Duits-Osmaanse zijde, alsook Britten en Fransen moslimbevolkingen voor zich te winnen met behulp van propaganda. In de Duitse campagne werd de oorlog tegen de geallieerden als jihad, een oorlog tegen de vijanden van de islam, afgeschilderd. De strategie was niet zonder succes maar het effect was uiteindelijk beperkt.

Twee weken nadat het Osmaanse Rijk zich aansloot bij de Duitsers in de Eerste Wereldoorlog, riep de Osmaanse sultan Mehmet V (1844-1918) de jihad uit tegen de Entente-landen. Een fatwa werd op 11 november 1914 door de Sheikh al-Islam ondertekend en drie dagen later in het gehele rijk afgekondigd. In deze fatwa werden koranteksten aangehaald waarin moslims aangemoedigd werden uit te rukken en te strijden tegen de ongelovigen (bijvoorbeeld Koran 9:41). De jihad tegen Frankrijk, Groot-Brittannië en Rusland werd in de fatwa benadrukt als een individuele plicht (fard al-ayn) van elke moslim. Wereldwijd moesten moslims het domein van de islam tegen de vijandige Entente verdedigen. Deze jihadcampagne kwam de oorlogspropaganda van de Duitse regering goed uit. Daarentegen was de tussenkomt van dit religieuze aspect in de oorlog vooral voor Engeland een onverwachte klap, want het was de bedoeling dat deze jihadpropaganda onrust zou zaaien onder moslims die onder gezag stonden van Entente-landen, waaronder Rusland, Groot-Brittannië en Frankrijk. Dit nieuwe gebruik van jihad hield ook de gemoederen bezig van westerse oriëntalisten, waaronder de bekende Nederlandse islamoloog en voormalig koloniaal adviseur Christiaan Snouck Hurgronje, die deze Duits-Osmaanse verklaring en jihadcoalitie als een ‘Heilige Oorlog made in Germany’ beschouwde.[1]

Hajji Wilhelm

De Osmaans-Duitse alliantie ontstond al voor de Eerste Wereldoorlog. In zijn politieke beleid verzette de Duitse Keizer Wilhelm II (1859-1941) zich om economische redenen tegen twee internationale voorstellen in 1895 en 1912 die betrekking hadden op het verdelen van het Osmaanse Rijk in kleine staten. De toenadering tussen de twee rijken begon al eerder zichtbaar te worden; aan het einde van de negentiende eeuw sloot Wilhelm II zijn bondgenootschap met Sultan Abdulhamid, waarbij Duitsland wapens en een militaire opleiding aan het Osmaanse leger zou leveren. In deze politieke overeenkomst zouden Duitse ingenieurs de Osmaanse regering helpen bij de aanleg van twee strategische spoorlijnen. In 1898 bezocht de Duitse keizer het Osmaanse Rijk en presenteerde zich als een ‘goede vriend’ van ‘300 miljoen moslims’. In Istanbul liet hij een fontein bouwen ter herinnering aan zijn bezoek. In ditzelfde jaar reisde hij naar Palestina en Syrië. In Damascus bracht hij een speciaal bezoek aan de tombe van de middeleeuwse moslimstrijder Saladin en doneerde hij geld voor het renoveren van zijn graf. Deze pro-Osmaanse Duitse politiek vormde de aanleiding voor de latere toenadering tijdens de oorlogsjaren. In de islamitische wereld ging het gerucht dat Wilhelm II zich tot de islam had bekeerd en daarom kreeg hij onder de moslimbevolking de titel ‘Hajji Wilhelm’. Opvallend genoeg werd in de Duitse propaganda geen poging gedaan om deze geruchten te ontkrachten.[2] De Duitsers omarmden de jihad als militaire propagandastrategie in de oorlog. Maar in de islamitische wereld bestond onder moslims geen unanimiteit over het voeren van een jihad aan Duitse zijde. Desondanks slaagden de Duitsers erin sjiitische schriftgeleerden in Karbala en Nadjaf te verleiden tot deelname aan de jihadcampagne met gezamenlijke anti-Britse sentimenten. In het Entente-kamp waren er Arabische strijders aan de kant van Sharif Husayn van Mekka (1854-1931) en de Britten die een ‘contra-jihad’ voerden om de droom van Arabische autonomie onder Osmaans bewind te verwezenlijken. Tegelijkertijd werd een andere jihadfatwa in Marokko uitgevaardigd waarin het idee van een mogelijk concurrerend islamitisch kalifaat onder leiding van Sultan Yusuf (1882-1927) werd geopperd.[3]

‘The Kaiser’s Spy’

Baron Max von Oppenheim (1860-1946), de avontuurlijke zoon van een Keuls-joodse bankier, was het brein achter het Duitse jihadplan. Zijn interesse in het Arabisch, Perzisch en Turks dateerde uit zijn middelbareschooltijd, toen hij het bekende Duizend-en-een-nacht als verjaardagscadeau kreeg. Naast zijn studie rechten aan de universiteiten van Straatsburg, Heidelberg en Berlijn verdiepte hij zich in de Arabische taal, cultuur en kunst. In 1892 maakte hij een rondreis door Spanje, Noord-Afrika, Egypte, Irak en Syrië. Hij verbleef zeven maanden in Caïro om de Arabische taal en de islam te bestuderen. Daar ontwikkelde hij grote belangstelling voor het leven van de bedoeïenen, de oosterse cultuur en archeologie. In 1896 werd Von Oppenheim attaché bij het Duitse consulaat in Caïro, waar hij gedurende dertien jaar bleef werken. In Caïro breidde hij zijn netwerk uit met Europese diplomaten, Egyptische en andere Arabische politici, intellectuelen en religieuze geleerden. Zo raakte hij bevriend met de groot-moefti van Egypte, Muhammad Abduh (1849-1905), zijn leerling Muhammad Rashid Rida (1865-1935) en de bekende Libanese prins Shakib Arslan (1869-1946). Ook onderhield hij goede relaties met Sultan Abdulhamid, Khedive Abbas Hilmi II van Egypte en andere anti-Britse politici in Egypte. Tijdens zijn verblijf in Caïro verzamelde hij via het Duitse consulaat meer dan 460 gedetailleerde politieke verslagen die betrekking hadden op de lokale omstandigheden in Caïro en de algemene politiek in het Nabije Oosten. Deze verslagen besteedden onder andere aandacht aan de groei van het panislamisme en de ideeën van moslims over jihad als wapen tegen het Westen. Het lijkt erop dat de Duitse keizer deze rapporten goed bestudeerde en waardering had voor het werk van Von Oppenheim. De Britse autoriteiten in Caïro noemden hem ‘The Kaiser’s Spy’ vanwege de verdenking die inmiddels op hem rustte: het smeden van complotten tegen de Britse politiek in Caïro en andere islamitische landen.[4] Naar aanleiding van het uitbreken van de oorlog in 1914 werd Von Oppenheim om advies gevraagd door het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarop schreef hij zijn bekende Denkschrift betreffend Die Revolutionierung der islamischen Gebiete unserer Feinde (Berlijn, 1914) waarin hij voor een jihadcampagne in het Osmaanse Rijk pleitte, waarbij een grote rol was weggelegd voor de Duitse regering. Vlak daarna reisde Von Oppenheim naar de Duitse ambassade in Istanbul met als doel daar propagandamateriaal te verspreiden.[5]

De Duitse jihadpropaganda

In 1915 richtte de Duitse regering de Nachrichtenstelle für den Orient in Berlijn op met als doel oorlogspropaganda in islamitische en oosterse landen voor te bereiden. Deze afdeling maakte deel uit van het Auswärtige Amt en werd bestuurd door Von Oppenheim, die werd bijgestaan door een aantal vertalers en oriëntalisten. Duitse vertegenwoordigers van dit bureau reisden naar landen als Egypte en India om economische, politieke en militaire informatie te verzamelen. Ze probeerden ook de moslimbevolking van deze regio’s ervan te overtuigen dat Duitsland een ‘vriend’ was van de islam en moslims. Officiële Duitse propagandabrochures werden vertaald in het Arabisch, Osmaans, Perzisch, Urdu, Swahili en andere talen. De hadj speelde ook een rol in deze propagandaplannen. Zo stuurden de Duitsers tijdens het bedevaartseizoen Indiase spionnen naar Mekka om het idee van een Duitse toenadering tot de islam en het islamitisch kalifaat onder de pelgrims te verspreiden. In Berlijn gaf de Nachrichtenstelle het tijdschrift Die Islamische Welt uit en financierde een aantal Arabische kranten in het Nabije Oosten, zoals al-Ahd, al-Sharq, al-Ittihad al-Uthmani en Journal de Beyrouth. In 1916 opende Von Oppenheim ongeveer zeventig perscentra en een belangrijk centraal persbureau in het Osmaanse Rijk. De centra bevonden zich voornamelijk in de buurt van bekende marktplaatsen in de grote steden. In 1916 werden vanuit hier ongeveer 10.000 Osmaanse en 8.000 Arabische pamfletten verspreid. Leiders van de moslimgemeenschap, religieuze schriftgeleerden, intellectuelen en journalisten werden door de Duitse con-ulaten benaderd om brochures en ander druk- en filmmateriaal onder de bevolking te propageren.[6] Het doel van de propaganda was om haat te zaaien onder moslims tegen de landen van de Entente, die als ‘vijanden’ van de islam werden afgeschilderd. Een van de brochures gaf ondubbelzinnige instructies aan moslims: ‘Vermoord de Fransen! Vermoord ze allen! Vermoord ze allen! Slacht de Fransen! Slacht ze allen! Slacht ze allen!’[7] In Duitsland richtte de Nachrichtenstelle haar propagandawerk vooral op de islamitische krijgsgevangenen in het Halbmondlager in Wünsdorf, waar een houten moskee met een minaret van 23 meter hoog werd gebouwd. Het betrof hier Arabische, Indiase of Afrikaanse moslims die in het Britse of Franse leger vochten toen ze krijgsgevangen werden gemaakt. In het kamp hield de Duitse regering ook rekening met islamitische feestdagen en ritueel slachten. Deze strategie was bedoeld om de groep van 15.000 moslims het gevoel te geven een goed behandelde ‘gast’ in plaats van ‘krijgsgevangene’ te zijn. Deze vorm van propaganda was erop gericht een imago van vriendschap tussen Duitsland en het kalifaat in het kamp te creëren, zodat de moslimmilitairen op den duur aan Osmaanse zijde zouden gaan vechten. Islamitische intellectuelen en activisten in Berlijn werd ook gevraagd pro-Duitse propagandalezingen te verzorgen onder Arabische en islamitische ballingen en gevangen.[8] Een van de belangrijkste Arabische medewerkers van de Nachrichtenstelle in Berlijn was de Tunesische sjeik Salih al-Sharif al-Tunisi (1869-1920). Al-Tunisi was geen gezaghebbende religieuze geleerde voor hij naar Berlijn kwam. Hij arriveerde in de Duitse hoofdstad in 1914 vanwege zijn vriendschap met de Turkse militaire leider tijdens de oorlog, Enver Pasha (1888-1922). In Berlijn werden al-Tunisi’s religieuze pamfletten naar het Duits vertaald. Een voorbeeld hiervan was Die Wahrheit über den Glaubenskrieg, een boek dat door het Deutsche Gesellschaft für Islamkunde gepubliceerd werd. De opbrengst van deze publicatie was bedoeld als donatie voor het Rode Kruis tijdens de oorlog. Zijn Arabische werken werden door de Duitse Reichdruckerei gepubliceerd en verspreid onder aan Franse zijde strijdende Noord-Afrikaanse soldaten. Een aantal soldaten werd door de jihadgedachte beïnvloed en sommigen verlieten het Franse kamp om aan Osmaanse zijde verder te vechten. Omdat al-Tunisi niet tevreden was met het geringe aantal overlopende soldaten, probeerde hij de Duitse autoriteiten ervan te overtuigen hem persoonlijk naar de Noord-Afrikaanse militairen in de loopgraven aan het Franse front te laten gaan. Zijn plan werd door de Duisters ter zijde geschoven, omdat een oude man in oosterse kledij in een loopgraaf bij de Fransen ongetwijfeld erg zou opvallen. Daarom werd hij verzocht zijn activiteiten te concentreren op moslimgevangenen in Halbmondlager. In zijn evaluatie was Rudolf Nadolny (1873–1953), Hoofd Politieke Afdeling van de Stellvertretenden Generalstab (Plaatsvervangend Generale Staf), zeer tevreden over de resultaten van al-Tunisi’s propaganda en hij beschouwde diens werk als het meest invloedrijke propagandamiddel onder moslims in dit kamp. Daarnaast zette al-Tunisi in maart 1915 een Arabische krant op onder de naam al-Jihad. Die krant speelde tijdens de oorlog een grote rol onder de moslimgevangenen. In 1916 reisde hij door Duitsland, waar hij door lokale politici en leiders met veel eerbetoon ontvangen. In Saksen, Beieren, Württemberg en Baden gaf hij verschillende voordrachten aan het Duitse publiek over het islamitische begrip ‘jihad’ en het effect ervan in de oorlog.[9]

Een tijdelijk huwelijk

De Duitse jihadpropaganda heeft uiteindelijk minder invloed gehad dan de Duitsers voor ogen hadden. Tijdens de oorlog ontwikkelden Frankrijk en Groot-Brittannië ook hun contrapropaganda. In het bijzonder de Fransen slaagden erin een aantal Noord-Afrikaanse moefti’s te vinden dat bereid waren moslimsoldaten ervan te overtuigen dat hun gevecht aan de Franse linie niet in strijd was met de islam. Als onderdeel van deze tegenstrategie ontwikkelde de Franse koloniale regering een vriendelijkere verhouding tussen de Fransen en de Noord-Afrikaanse moslims waardoor er minder verzet bestond onder de soldaten. Het gebruik van religieuze leuzen in de Duits-Osmaanse propaganda maakte deel uit van het tijdelijke huwelijk tussen een Oosters en een Westers rijk in de moderne tijd. Hoewel de jihad aan beide kanten werd gezien als een ‘gemengde zegening’ waren er ook tegengeluiden. Aan islamitische zijde was de publieke opinie in de Arabische regio’s van het Osmaanse Rijk verdeeld. Sommige intellectuelen kozen voor de Brits-Franse kant met het oog op de belofte van onafhankelijkheid na de oorlog. Aan de Duitse zijde zagen sommige politici en intellectuelen de jihad als een goed instrument om de vijand te verzwakken. Maar sceptici verwachtten dat de islamitische fanatici, zodra zij hun jihadmissie tegen de Entente hadden volbracht, zich tegen hun voormalige Duitse bondgenoot zouden kunnen keren.[10] Ironisch genoeg verloor Duitsland uiteindelijk samen met het Osmaanse Rijk de oorlog en bleken de Britse beloftes van onafhankelijkheid aan de Arabieren niet meer dan een ‘lippendienst’ te zijn. Umar Ryad is universitair hoofddocent Islamitische Studies aan de Universiteit Utrecht en projectleider van een Europees project over de geschiedenis van moslims tijdens het interbellum. Met dank aan Ab-durraouf Oueslati voor zijn commentaar op de eerste versie van dit stuk.

Noten
  1. Dietrich Jung, “The ‘Ottoman-German Jihad’: Lessons for the Contemporary ‘Area Studies’ Controversy”, British Journal of Middle Eastern Studies 41:3 (2014), 247-265. Christian Snouck Hurgronje, ‘The Holy War “Made in Germany”’, in Verspreide Geschriften, Deel III: Geschriften Betreffende Arabie en Turkije (Bonn und Leipzig: Kurt Schroeder, 1923) (Eerst gepubliceerd in De Gids, 1915). Geoffrey Lewis, ‘The Ottoman Proclamation of Jihad in 1914’, The Islamic Quarterly, 19: 3/4 (1975), 157–163; Ulrich Trumpener, Germany and the Ottoman Empire 1914-1918 (Princeton, New Jersey: Princeton University Press, 1968).
  2. Sean McMeekin, The Berlin-Baghdad Express: The Ottoman Empire and Germany’s Bid for World Power, 1898-1918, Penguin UK, 2010, zie hoofdstuk 1.
  3. Abdel-Raouf Sinno, “The Role of Islam in German Propaganda in the Arab East during the First World War: Aims, Means, Results and Local Reactions, ” in Farschid, Olaf / Manfred Kropp & Stephan Dähne, eds., The First World War as Remembered in the Countries of the Eastern Mediterranean, Ergon Verlag, Wurzburg, 2006, pag. 391-414.
  4. Zie, Lionel Gossman, The Passion of Max Von Oppenheim: Archaeology and Intrigue in the Middle East from Wilhelm II to Hitler, Open Book Publishers, 2013, pag. 40-41.
  5. Ibid., pag. 48.
  6. Abdel-Raouf Sinno, “The Role of Islam in German Propaganda”, pag. 396-398.
  7. Abdel-Raouf Sinno, “The Role of Islam in German Propaganda, ” zoals vermeld in Gottfried Hagen, Die Türkei im Ersten Welt-krieg: Flugblätter und Flugschriften in arabischer, persischer und osmanisch-türkischer Sprache aus einer Sammlung der Universitätsbibliothek Heidelberg (P. Lang, 1990), pag. 218-219.
  8. Abdel-Raouf Sinno, “The Role of Islam in German Propaganda, pag. 398.
  9. P. Heine, “Sâlih ash-Sharîf at-Tûnisî, a North African nationalist in Berlin during the first world war,” Revue de l’Occident musulman et de la Méditerranée, N° 33, 1982. pag. 89-95.
  10. P. Heine, “Sâlih ash-Sharîf at-Tûnisî, pag. 92.