10
min leestijd
A- A+

Tussen oude en nieuwe Arabische dichtkunst

Wat verbindt de hedendaagse Arabische dichtkunst met de pre-islamitische Arabische en de klassiek-Arabische poëzie van na de komst van de islam? Kees Nijland schetst de ontwikkeling van de Arabische poëzie in deze drie perioden.

'' ''

De taal waarin de poëzie uit de pre-islamitische periode is overgeleverd, is overal dezelfde, zo schrijft J.-M. Abdel-Jalil in zijn Brève histoire de la littérature arabe.[1] Ondanks alle dialectverschillen tussen de stammen en regio’s van het Arabische gebied was er een gemeenschappelijke literaire taal. Het lijkt erop dat de taal in de pre-islamitische periode reeds was vastgelegd en goed bekend was en dat ook de kaders van deze poëzie van oudsher vast stonden. Tot deze kaders rekent hij de regels voor het metrum, het rijm, de deling van de versregel in twee helften en het verboden enjambement. Deze regels werden volgens de overlevering door de filoloog al-Halil in de achtste eeuw beschreven. Abdel-Jalil beperkt zich tot het voorschrift dat een versregel uit twee halve regels moet bestaan die niet met elkaar hoeven te rijmen. Beide halve regels moeten één gedachte verwoorden en onafhankelijk van de omringende halve regels gelezen kunnen worden. Overigens mag een idee in de volgende regels verder worden uitgewerkt mits deze volgende regels weer uit onafhankelijk zinnen bestaan en er geen enjambement wordt gebruikt. Voor het metrum, dat Abdel-Jalil gemakshalve overslaat, kunnen we terecht bij de Arabic Grammar van Wright en De Goeje,[2] bij W. Stoetzer, Theory and Practice in Arabic Metric,[3] en bij Geert Jan van Gelder, Een Arabische tuin.[4] Kort samengevat kunnen we zeggen dat de klassieke Arabische poëzie zestien verschillende metra kent, elk met een aantal variaties hebben. Het metrum van een gedicht is gebaseerd op de opeenvolging van korte en lange lettergrepen waarbij de klemtoon geen rol speelt.[5] Het rajaz-metrum geldt als het eenvoudigste metrum dat gebruikt werd voor de liedjes van de kamelendrijvers, waterdragers en vrouwen. Voor de andere metra wordt de benaming qarid als verzamelnaam gebruikt. Het rijm dat Abdel-Jalil als tweede vormaspect noemt, vraagt geen lange uitleg. Elke regel van een gedicht eindigt met hetzelfde rijm. Voor het Arabisch met zijn standaard afgeleide woordvormen is dit geen probleem. Er zijn gedichten van meer dan tweehonderd regels met hetzelfde rijm bekend. Anders dan in het Nederlands, wordt het rijm meestal bepaald door één medeklinker, de rawi, die de naam geeft aan het rijm: Er wordt gesproken over de lamiyya (gedicht op ‘l’) van al-Shanfara (gest. ca. 550) en de ra’iyya (met de ‘r’ als rijmletter) van de dichter al-Akhtal (gest. 710). De Encyclopedia of Arabic Literature noemt in het artikel ‘Prosody’ andere, complexere soorten mono-rijm.[6] In dezelfde Encyclopedie wordt in het artikel ‘Qasida’ een korte analyse gegeven van de qasida als een poli-thematisch gedicht met één metrum en één rijm dat gewoonlijk begint met de nasib, waarin de dichter vertelt hoe hij de resten (atlal) van het bedoeïenenkamp vond waar zijn geliefde met haar stam woonde. De auteur van dit artikel, Renate Jacobi, schrijft dat de nasib de enige liefdespoëzie is die ons uit de pre-islamitische tijd is overgeleverd. Deze nasib verwijst altijd naar het verleden, naar de liefde die ooit bloeide maar werd afgebroken toen de stam van de geliefde wegtrok. Na de nasib richt de dichter zich tot zijn kameel en vertelt hoe geweldig zijn rijdier is in vergelijking tot de andere dieren van de woestijn. Soms vertelt hij dat hij te oud is om vrouwen te veroveren of spreekt hij over een politieke kwestie van de stammen waarvan hij wel of geen deel uitmaakt. Vaak zijn het satires of ronduit bedreigingen. Het gedicht eindigt meestal met een lofprijzing voor een stamhoofd of een vorst. Een beroemd dichter uit de pre-islamitische tijd is Imru al-Qays, de auteur van één van de zeven mu’allaqaat (= de opgehangen gedichten) die volgens de traditie aan de Kaäba waren opgehangen. Zijn nasib, waarvan we enkele regels citeren, is zeer vrijmoedig:

‘Ik zei: Rij door, laat los die teugels! Verdrijf mij niet van jouw verfrissend fruit! Veel zoals jij bezocht ik ’s nachts, soms zwanger zelfs of zogend zodat ze hun met amulet getooide kind vergaten: Wanneer het huilde, achter haar, dan draaide zij haar lichaam half naar hem, een helft nog onder mij.’[7]

en in een ander gedicht zegt hij:

‘Alsof ik nooit voor mijn plezier een edel paard bereden heb, of op een meisje met geronde borsten en met enkelringen heb gelegen! En nooit een volle wijnzak heb gekocht…’[8]

Naast de poli-thematische qasida zijn er ook gedichten met één thema zoals de ghazal, het liefdesgedicht dat losgemaakt van de nasib een eigen leven gaat leiden. Tot die gedichten met één thema behoort ook de qit’a, een kort gedicht zonder nasib. Een speciale categorie van nasib-loze gedichten wordt gevormd door het treurdicht, de marthiya of ritha’, beschreven door Gert Borg in zijn dissertatie, Mit Poesie vertreibe ich den Kummer meines Herzens.[9] In dit genre treuren vrouwen om hun overleden naaste mannelijke familieleden. Dat gebeurt vaak in berijmd proza, maar onder de oudste teksten bevinden zich ook metrische gedichten die een van de bovengenoemde qarid-metra volgen. De beroemdste dichteres van dit genre is al-Khansa’ (gest. ca. 665). Van haar vertaalde Geert Jan van Gelder het gedicht: ‘Ogen, wees gul met tranen, overvloedig’.[10] In de volgende regels verwijt zij de vrienden dat zij niet hadden ingegrepen of wraak hadden genomen:

‘Als één van jullie gastvriend was geweest bij ons, was hem niets overkomen zonder dat er wraak was uitgeoefend. Ik doel op hen bij wie hij placht te wonen: kennen jullie dan de ereplicht jegens een gast, een buurman niet?’

Na al-Khansa werden treurgedichten door mannelijke beroepsdichters gecomponeerd en daarmee kwam er een eind aan de verbinding tussen treurgedicht en de emotionele instorting van de dichteres en werd het treurdicht een gewaardeerd genre. Uit de tijd van de Umayyaden (656-750) en de Abbasiden (750-1258) zijn een aantal treurdichten voor belangrijke personen bewaard gebleven. In deze opsomming van genres mogen we de sa’alik, ‘roverdichters’, niet vergeten. De meeste van deze gedichten hebben geen nasib, behalve het gedicht van Ta’abbata Sharran.[11] De sa’alik (de roverdichters) behoorden, al dan niet vrijwillig, niet tot een stam en leefden van rooftochten. Een andere beroemde naam in dit genre is Al-Shanfara, die in de volgende regel afscheid neemt van zijn familie:

‘Mijn familie: niet jullie, maar snelvoet Wolf, de gladde gevlekte Panter, de sjokkende hooghaar Hyena. Zij zijn mijn familie: geheimen zijn veilig bij hen; zij laten niet vallen een man die een misdrijf beging’12

Met de komst van de islam lijkt de waardering voor de dichter te veranderen. Voor loftuitingen op de wijn en de liefde is geen plaats meer, en de profeet verweert zich heftig tegen de bewering dat hij een dichter zou zijn. Maar er waren dichters in de omgeving van de profeet, van wie Hassan Ibn Thabit de bekendste is. De dichter Ka’ab Ibn Zuhair, die voor zijn leven vreesde, knielde voor de profeet bij zijn komst naar Mekka en vroeg de profeet hem in genade aan te nemen. De profeet schonk hem zijn mantel als teken van zijn bescherming en Ka’ab antwoordde met het ‘gedicht van de mantel’ (‘Al-Burda’ in het Arabisch). De tijd van de Umayyaden-dynastie (661-750), die in Damascus was gevestigd, bracht verdere veranderingen in de dichtkunst. De dichters waren geen woestijnbewoners meer, maar stedelingen en dat had gevolgen voor de nasib. Jacobi schrijft dat de dichters toespelingen maken op een zoektocht naar een vroegere geliefde, maar dat gegeven niet meer tot een verhaal uitwerken.[13] Het liefdesverdriet van de dichter komt uitvoeriger aan bod dan vroeger en ook het reismotief wordt verder uitgewerkt, maar nu onderneemt de dichter een hachelijke reis naar zijn mecenas. De dichter vertelt over deze reis, die hem, zijn reisgenoten en hun rijdieren heeft uitgeput en noemt zijn reisdoel meer dan eens bij naam. Ten slotte volgt het lofdicht op de mecenas. Er zijn dus drie elementen: De nasib, de rahil (de reis) en de madih (de lofprijzing). De plaats van de madih kan echter ook door een hidja (hekeldicht) worden ingenomen. Umar ibn Abi Raba’ah (gest. 711) is de grote dichter van deze periode. Tijdens de Abbasiden-dynastie (750-1258) in Bagdad, spitst de qasida zich toe op twee gedeelten, de nasib en de madih. Ondanks de stedelijke omgeving waarin de dichter zich bevindt, vinden de liefdesaffaires plaats in de omgeving van de bedoeïenenkampen. De lengte van de madih lijkt afhankelijk te zijn van de status van de geprezene. Volgens sommigen zijn de nasib en de madih elkaars tegenhangers. In de nasib vertelt de dichter over de ongenaakbaarheid van zijn wispelturige geliefde terwijl hij in de madih tegenover zijn goedhartige en genereuze mecenas staat. Al-Mutanabbi (gest. 965) is een van de grootste dichters van deze periode. Zijn poëzie is vrijwel onvertaalbaar, in elk geval niet zo vertaalbaar dat een willekeurige lezer zijn gedichten zou kunnen waarderen. Andere grote dichters zijn Abu al-Ala al-Ma’arri (gest. 1057) en Abu Nuwas (gest. 810 of 816), die beroemd werd door zijn wijngedichten en zijn liefdespoëzie. Een heel eigen dichtsoort werd ontwikkeld in Spanje waar de uit het oosten verdreven Umayyaden in 750 een Arabisch rijk stichtten. Hier ontstond de muwashshah, een gedicht in strofen met een meervoudig, strikt gereguleerd, rijm en met een slotregel (de kharja) in lokaal dialect. Deze vorm werd ook buiten Spanje populair. Wat is er van de oude poëzie overgebleven in de éénentwintigste eeuw? Op het eerste gezicht lijkt dat weinig. De twee kolommen zijn vrijwel overal verdwenen. Er is vrije poëzie gekomen, die niet gebonden is aan rijm en soms niet aan metrum, en ook het prozagedicht heeft een plaats gekregen in de Arabische poëzie. Die ontwikkeling van klassieke naar moderne poëzie heeft lang geduurd. De romantiek die aan het einde van de negentiende eeuw doordrong, had niet overal gevolgen voor de vorm, en evenmin het symbolisme, waarover Salma Khadra Jayyusi uitvoerig schrijft in haar Trends and Movements in Modern Arabic Poetry.[14] Het waren vooral de dichters van de mahjar, de emigranten, die met de vorm gingen experimenteren. Amin al-Rihani was mogelijk de eerste dichter die met de klassieke dichtvorm brak toen hij omstreeks 1905 de eerste vrije verzen schreef. Hij ging in 1888 naar Noord-Amerika en kwam daar in aanraking met de werken van de Engelse schrijvers en dichters Shakespeare, Wordsworth en Byron en met de Amerikanen Emerson, Thoreau en Whitman. De laatste inspireerde hem tot het schrijven van prozagedichten die ook in Libanon werden gelezen. Mikhail Nu’ayma is belangrijk geweest voor de ontwikkeling van de Arabische literatuur door zijn rol in het literaire maandblad al-Funun (De kunsten) dat in de jaren 1913-1918 onregelmatig in New York verscheen, en in al-Rabita al-Qalamiyya (De Liga van de Pen, 1920-1931), de groep Arabische dichters en schrijvers in New York waartoe ook Khalil Gibran en Iliya Abu Madi behoorden. Mikhail Nu’ayma studeerde van 1906-1911 aan het orthodoxe seminarie in Poltava (Oekraïne) en werd daar overweldigd door de poëzie van de romantische schrijver en dichter Mikhail Lermontov (1814-1841). In 1911 ging hij naar de Verenigde Staten om zijn studie voort te zetten aan de Universiteit van Seattle in de staat Washington, waar hij rechten en Engelse literatuur studeerde. Daar schreef hij in 1913 zijn eerste aanval op de traditionele Arabische poëzie. In Al-Ghirbal (De zeef) richt hij zijn woede op de formele elementen van de Arabische poëzie waardoor in zijn ogen de dichters niet meer toekwamen aan ‘echte’ poëzie waarin gevoelens worden verwoord.[15] Zijn eigen gedichten bracht hij samen in de bundel Hams al-jufun (Ooglidfluisteringen).[16] Zijn beroemdste gedicht ‘Akhi’ (Broeder, vriend) is qua metrum een klassiek gedicht dat nauwelijks afwijkt van een gedicht in kolommen, behalve dat er geen sprake is van monorijm en dat zin zich soms uitstrekt over vijf regels. De laatste strofe luidt:

‘Mijn vriend, wie zijn wij? Geen land, geen volk, geen buur als we slapen, als we opstaan zijn we gekleed in schand de wereld stinkt door ons en onze doden pak een spa en graaf met mij een nieuwe kuil om onze levenden te begraven’

In Irak brak Nazik al-Mala’ika (geboren 1923) met de traditionele regels van de Arabische poëzie. In het voorwoord van haar bundel Shazaya wa Ramad (Splinters en as) uit 1949 stelde zij dat het monorijm een belemmering is voor de Arabische poëzie en in de bundel nam ze negen vrijeversgedichten op. Latere bundels van haar bevatten uitsluitend gedichten in vrij vers. Daarin kan de dichter het aantal lettergrepen per regel variëren en met een metrisch sjabloon, de taf’ila, het ritme bepalen in plaats van de traditionele reeksen van drie tot vijf versvoeten per regel. De echte doorbraak van het vrije vers komt pas met Adonis (pseudoniem van Ali Ahmed Esber, geb. 1930 in Syrië) die met Yusuf al-Khal in 1957 in Beiroet het tijdschrift Shi’r (Poëzie) oprichtte en in één van zijn artikelen schreef: ‘Ik wilde de lineaire poëzie doorbreken en van het gedicht een netwerk maken.’[17] Toch kunnen we zeggen dat de klassieke traditie levend is gebleven. Tot voor kort kregen jonge dichters de raad om zich eerst te verdiepen in de oude Arabische poëzie voordat zij probeerden om zelf gedichten te schrijven. Die raad wordt beslist niet meer door alle dichters opgevolgd, maar dat wil niet zeggen dat de jonge dichters de oude poëzie niet meer kennen. Imru’ al-Qays en de mu’allaqat worden soms letterlijk geciteerd en soms zijn zij het onderwerp van een gedicht. Mahmoud Darwish wijdt in zijn bundel Waarom heb je het paard alleen gelaten[18] een gedicht aan de Syrische dichter Abu Firas al-Hamdani (gest. 968) en in de bundel Sarir al-ghariba[19] (Het bed van de vreemde vrouw) schrijft hij een gedicht over Jamil Buthayna (gest. 701). Bij Ahmed al-Shahawi (Caïro, 1960) spelen beroemde liefdesgedichten zoals de pre-islamitische mu’allaqat een grote rol in zijn werk.[20] Amal Dunqul (1940-1983) geboren in Qena, Egypte, eerde de bovengenoemde Abu Nuwas met het gedicht ‘Uit de papieren van Abu Nuwas’ en wijdde aan al-Mutanabbi het gedicht ‘Uit de memoires van al-Mutanabbi’.[21] De dichter Mohamed al-Harthi (Oman, 1961) citeert al Mutanabbi in zijn gedicht ‘De raad van al-Mutanabbi in het Hilton’. In de bundel Awdatun lil-kitabati bi qalamin rasasin[22] (Terugkeer naar het schrijven met potlood) opent Mohamed al-Harthi de twee versies van het gedicht ‘De pooier van het nageslacht’ met twee dichtregels van Abu Nuwas, hier in vier regels vertaald:

‘Ik was verbaasd over de duivel in zijn woestijn en het kwaad dat hij kennelijk in de zin had. Hij schepte op tegen de biddende Adam en werd pooier van zijn nageslacht’

Een belangrijk voordeel van de moderne Arabische poëzie is de vertaalbaarheid terwijl de oude poëzie vrijwel onvertaalbaar is. Het vertaalde citaat hierboven lijkt deze stelling tegen te spreken, maar hier gaat het om enkele regels en niet om een ellenlang gedicht met steeds hetzelfde rijm en een lange reeks van in zichzelf besloten regels. Een vertaler kan het monorijm niet lang volhouden en ook de lengte van de regels vormt een obstakel omdat er geen mogelijkheid is om een enkel woord naar een volgende regel door te schuiven. Een vertaler van de klassieke poëzie is vaak gedwongen slechts de inhoud van de zinnen te vertalen en de formele elementen onvertaald te laten. De vertaler van moderne Arabische poëzie heeft meer mogelijkheden om rekening te houden met het binnenrijm, de alliteraties en de assonanties die hij in de gedichten tegenkomt. Het is mogelijk geworden een modern Arabisch gedicht zo te vertalen dat de vertaling als gedicht herkend wordt. Kees Nijland is arabist en vertaler van moderne Arabische poëzie.

Noten
  1. J.-M. Abd-el-Jalil, Brève histoire de la littérature arabe. Parijs, 1947, pag. 22.
  2. W. Wright, A Grammar of the Arabic Language, herzien door W. Robertson Smith en M.J. de Goeje. Cambridge, 1951.
  3. W. F. G. J. Stoetzer, Theory and Practice in Arabic Metrics. Leiden, 1989.
  4. Geert Jan van Gelder, Een Arabische tuin. Klassieke Arabische poëzie. Amsterdam, Leuven, 2000.
  5. Zie Stoetzer,Theory and Practice, pag. 110.
  6. The Encyclopedia of Arabic Literature, Julie Scott Meisami en Paul Starkey (red.). Londen en New York, 1998, speciaal pag. 619, kolom 2 tot pag. 620 kolom 1, onder het kopje: Rhyme.
  7. Van Gelder, Een Arabische tuin, pag. 87.
  8. Van Gelder, Een Arabische tuin, pag. 94.
  9. Gert Borg, Mit Poesie vertreibe ich den Kummer meines Herzens. Eine Studie zur altarabischen Trauerklage der Frau. Istanbul, 1997.
  10. Van Gelder, Een Arabische tuin, pag.132-4.
  11. Enkele verzen van dit gedicht zijn vertaald in Hamilton A.R. Gibb en Jacob Landau, Arabische Literaturgeschichte. Zürich en Stuttgart, 1968, pag. 43.
  12. Van Gelder, Een Arabische tuin, pag. 122.
  13. Encyclopedia of Arabic Literature, pag. 631.
  14. Salma Khadra Jayussi, Trends and Movements in Arabic Poetry II. Leiden, 1972, pag. 475-516.
  15. Mikhail Nu’ayma, al-Ghirbal. Beiroet, 1923, met name het artikel Naqiq al-dafadi’ (Het gekwaak van de kikkers), pag. 90-106.
  16. Mikhail Nu’ayma, Hams al-Jufun. Beiroet, 1943 (?), pag. 14-15.
  17. Zie ook: Adonis, An Introduction to Arab Poetics, vertaald door Catherine Cobham. Londen, 1990.
  18. Mahmud Darwish, Limādhā tarakta al-hisāna wahīdan, speciale uitgave van de Palestijnse Autoriteit. Jeruzalem, Gaza, 1995, pag. 103-105, en op pag. 115-118 volgt de Qāfiyatun min ajali ‘l-mu’allaqāt ( een gedicht rijmend op ‘qa’ voor de Mu’allaqaat).
  19. Mahmud Darwish, Sarīru ‘l-gharība (het bed van de vreemde vrouw). Beiroet, 1999, pag. 116-120.
  20. Website Poetry International.
  21. Amal Dunqul, al-’Amāl al-Kāmila (de complete werken). Caïro, z.j. pag. 262-267 en pag. 147-151.
  22. Mohamed al-Harthi, ‘Awdatun lil-kitābati bi qalamin rasāsin (terugkeer naar het schrijven met potlood). Beiroet, 2013, pag. 35-36 en pag. 37-38.