9
min leestijd
A- A+

Inleiding in de klassiek-Arabische poëzie

Inleiding in de klassiek-Arabische poëzie

‘Al-shir diwan al-Arab’. Met deze subtitel verscheen een jaar of tien geleden een cd-rom op de markt met daarop Arabische poëzie vanaf de vijfde eeuw tot 1952. Een totaal van 2.439.589 verzen, voor tien Egyptische pond te koop op de International Bookfair in Caïro. Overigens zijn in deze collectie alleen die versregels opgenomen die in verzamelbundels zijn verschenen, niet de losse dichterlijke citaten die in teksten van allerlei aard dienen als ‘illustratie’ [...]

Boek
Oorsprong

Op de eerste plaats is de Arabische poëzie de enige kunstvorm die ‘oorspronkelijk Arabisch’ genoemd kan worden. Deze poëzie is ontstaan in de woestijn van het Arabisch Schiereiland, voor het ontstaan van de islam, ver van andere dichterlijke tradities. Deze omgeving is eigenlijk ook alleen maar geschikt voor een mondelinge en talige traditie: er zijn nauwelijks materialen te vinden waarvan kunstvoorwerpen kunnen worden gemaakt en van de weinige materialen die er wel te vinden zijn werden uiteraard gebruiksvoorwerpen vervaardigd. Van andere kunstvormen zoals de beeldende kunsten en de architectuur namen Arabieren dan ook de technieken en vormen van hun buurvolken over en ontwikkelden die verder. Voor de dichterlijke techniek, de wijze van uitdrukken en de thema’s van de Arabische poëzie verliep deze ontwikkeling juist andersom: die hebben aanzienlijke invloed gehad op de poëzie in aangrenzende cultuurgebieden, wat goed te zien is in bijvoorbeeld de latere Perzische en Turkse literatuur.

Proza

Het Arabisch proza — de Arabische vertelkunst — is natuurlijk wereldberoemd, al was het maar door de prachtige verhalen uit Duizend-en-één nacht. Maar opvallend genoeg is juist deze verzameling verhalen een bont samenraapsel van verhalen uit India, Perzië en de meer stedelijke samenleving van het Midden-Oosten uit de achtste eeuw en later. Volksverhalen zoals over het liefdespaar Majnun en Layla zijn waarschijnlijk ouder en natuurlijk ook rijkelijk gelardeerd met gedichten. Het proza als genre genoot echter een aanzienlijk lagere status dan de poëzie. De allerbelangrijkste tekst voor moslims, de Koran, is niet als poëzie geconcipieerd en evenmin als proza, maar in een soort tussenvorm die ook wel rijmproza wordt genoemd. Die term is bedrieglijk, omdat de term proza over het algemeen toch met fictie wordt geassocieerd; eigenlijk zouden we voor deze tussenvorm de Arabische term saj, berijmde tekst, kunnen gebruiken.

Poëzie

Om de bijzondere positie van de poëzie binnen het Arabisch cultureel erfgoed te verklaren is het eerst nodig om in algemene zin deze Arabische poëzie te karakteriseren. Om te beginnen is het de vraag of termen als ‘gedicht’ en ‘poëzie’ zonder bezwaar gebruikt kunnen worden. Strikt genomen zouden we deze gedichten moeten beschrijven als serieel georganiseerde teksten, dat wil zeggen dat ze georganiseerd zijn volgens metrum en rijm. Deze benadering voorkomt dat de Arabische poëzie te veel geassocieerd wordt met wat we in het Westen onder poëzie verstaan.

Thema’s

Het eerste wat opvalt is het brede scala aan onderwerpen dat in poëzie vervat kan worden. Hieruit blijkt direct dat Arabische poëzie ver af staat van het moderne Europese concept poëzie. We zijn tegenwoordig geneigd om poëzie te verbinden met sterk expressieve, individuele, existentiële en emotionele uitingen van verdriet, liefde, angst, eenzaamheid, vervreemding en de hele scala van menselijke emoties die in de moderne poëzie terug te vinden is. Vaak wordt de westerse poëzie ondergebracht in het genre lyriek, waarin taal met spontaniteit en intuïtie wordt geassocieerd en de verwijzende betekenis en realisme beschouwd worden als ondergeschikt. Deze positie is de klassiek-Arabische poëzie helemaal vreemd omdat daarin dit soort gevoelens bijna niet aan te treffen is en een categorie als lyriek de Arabische genretheorie helemaal vreemd is. Waar gaat die poëzie dan wel over? Globaal kunnen we twee soorten poëzie onderscheiden: de Arabische poëzie die kunstpoëzie wil zijn, en de poëzie die primair een andere functie heeft en te kwalificeren is als kunstige gelegenheidspoëzie, als egodocument of iets vergelijkbaars. Deze verdeling is niet altijd scherp te trekken en vaak zijn er overgangsvormen. Zo is de oude qasida, het prestigieuze dichterlijke meesterwerk van de pre-islamitische dichter, te beschouwen als kunstvorm, maar omdat het laatste deel daarvan ook kan overgaan in een lofdicht is dit weer te beschouwen als gelegenheidspoëzie. Hetzelfde overgangseffect zien we veel later in een tiende-eeuws gedicht dat bedoeld is als een bedankje voor een inktpotje dat de dichter cadeau heeft gekregen: enerzijds is het een kunstige beschrijving van het geschenk, anderzijds is het bedoeld als antwoord aan de gever en daarom een gelegenheidsgedicht. Wat domineert in de Arabische poëzie is de inventieve en creatieve beschrijving van de zichtbare wereld: een regenbui, de geliefde, haar / zijn lippen, ogen, manier van lopen, maar ook van dieren, jachtscènes, moedige helden, de eigen heldendaden van de dichter, de natuur, cadeautjes, kortom een rijke verscheidenheid aan zichtbare dingen in de menselijke omgeving. Het was en is de kunst om die beschrijvingen zo trefzeker en tegelijk zo inventief mogelijk te construeren en met vergelijkingen en metaforen te versieren.

Indeling

De genre-indeling van middeleeuwse Arabische literatuurtheoretici is naar onze normen onbevredigend: de grammaticus Tha‘lab (gest. 904) ging uit van taalkundige categorieën: imperatief / bevel, negatie / ontkenning, mededeling en vraag. Hiermee zijn een aantal communicatieve situaties gekenschetst, maar het blijft moeilijk om te begrijpen hoe andere categorieën hieruit voortkomen: lofprijzing, spot, rouwklacht, spijtbetuiging, liefde / erotiek, vergelijking en vertelling. Met name de categorie ‘vergelijking’ lijkt van een andere grootte omdat het een onderdeel is of kan zijn van elk van de andere thema’s of communicatiewijzen. Het abstractieniveau van een indeling als deze is te laag om Westerse literatuurtheoretici te bekoren, maar geeft een redelijk inzicht van de catalogus aan thema’s die men in een Arabisch gedicht of los vers tegenkomt. Ze kunnen moeilijk gelden als een omvattende opsomming of een doordacht beeld van genres zoals de Europese literatuurtheorie die onderscheidt. Een zekere mate van abstractie bij de indeling van de Arabische poëzie is te vinden bij de theoreticus Qudama bn. Ja‘far (gest. 948) die onderscheid maakt tussen maʽna (letterlijk: betekenis) en gharad (letterlijk: doel). In deze tweedeling is vaak ten onrechte een voorloper gezien van de tweedeling vorm-inhoud of zelfs signifiant-signifié. Qudama is zelf ook niet erg duidelijk over wat hij bedoelt en daarom laat hij de moderne arabistiek veel ruimte voor speculatie. Maar misschien is de benadering van Qudama in wezen erg basaal, namelijk waar heeft de dichter het over (bijvoorbeeld het oog of de lippen = maʽna), en wat wil hij daarmee bereiken (bijvoorbeeld beschrijving = gharad1 en met ‘beschrijving’ het maken van liefdespoëzie enz. = gharad2). Bij deze overwegingen dient niet vergeten te worden dat het indelen van poëzie in genres vooral een ambitie is van de westerse literatuurtheorie en niet noodzakelijkerwijs een doelstelling van middeleeuwse Arabische literatuurcritici of literatuurliefhebbers.

Vorm

De meeste Arabische gedichten zijn samengesteld uit regels (= verzen) die elk weer bestaan uit twee halfverzen. Vandaar dat een gedicht bestaat uit twee kolommen, waarbij men telkens wel ‘over de spatie heen’ moet lezen. Elk vers binnen een gedicht heeft aan het eind een rijm dat bepaald wordt door de laatste medeklinker. Het systeem laat enige flexibiliteit toe. Zo kan een ba’iyya (een gedicht dat rijmt op de consonant bā’) een rijm hebben op -ūbu en -ību maar is deze keuze een keer gemaakt, dan laat het systeem -ū / ība niet toe en ook niet -ābu / i / a. Daarnaast komt het vaak voor dat in het eerste vers van het gedicht het eerste en het tweede halfvers rijmen als een soort vooraankondiging van het eindrijm. In een schema ziet dat er bijvoorbeeld zo uit:

1a. ---------------- ību
2a. ---------------- x
3a. ---------------- y
etc.
1b. ---------------- ību
2b. ---------------- ību
3b. ---------------- ūbu

Behalve het eindrijm is ook het metrum door het hele gedicht hetzelfde. De Arabische metra zijn niet te vergelijken met de ons bekende westerse metra waarin de aard van het metrum bepaald wordt door klemtonen:

‘Through purblind night the wiper Reaps a swath of water On the screen’ (Louis Macniece)

Dit is een voorbeeld van een iambe: de lettergrepen zijn onbeklemtoond-beklemtoond-onbeklemtoond-beklemtoond of: ˇ - ˇ -ˇ -ˇ -ˇ -ˇ -ˇ - ˇ - waarbij ˇ staat voor een onbeklemtoonde lettergreep en - voor een beklemtoonde. Dezelfde symbolen geven echter in het Arabisch niet de klemtoon van een lettergreep maar de lengte ervan weer. Een lettergreep die bestaat uit een consonant (C) die gevolgd wordt door een vocaal (v) die gevolgd wordt door een consonant (C) die gevolgd wordt door een sukūn (0 = klinkerloosheid) geldt als lang. Dat geldt ook voor een consonant (C) die gevolgd wordt door een lange vocaal (v:). CvC en Cv: zijn dus lange lettergrepen. Ten slotte geldt de laatste klinker van een vers of halfvers ook altijd als lang. Een lettergreep (Cv) is kort als die gevolgd wordt door opnieuw een consonant met een vokaal (Cv). In wa-lam is wa (Cv) kort omdat die lettergreep gevolgd wordt door la (Cv); lam zelf is lang omdat de laatste consonant (de m) geen klinker heeft. wa-lam = CvCvC0 en moet je dus metrisch lezen als ˇ - voor wa-lā geldt hetzelfde: wa-lā = CvCv: = ˇ - Ter verduidelijking hiervan het volgende voorbeeld:

qifā nabki min dhikrā habībin wa-manzili
‘Houdt halt, beide vrienden; laten wij wenen over de herinnering aan een geliefde en aan een plek.’

Dit is het begin van een van de beroemdste gedichten uit de pre-islamitische tijd van Imru al-Qays. Deze regel moet dus als volgt gescandeerd worden:

Verdeeld in versvoeten ziet dit er dan zo uit:Dit metrum heet tawil en is van de zestien verschillende metra het meest gebruikte metrum in de klassiek-Arabische poëzie.

Taal

De vereisten van metrum en rijm hebben hun effect op de concrete dictie, de talige expressie van de poëzie, omdat van beide een soort dwang uitgaat. Bij sommige rijmen is het niet moeilijk om rijmwoorden te vinden die in de dichterlijke tekst passen. Zoals gezegd is de laatste consonant van de verzen de rijmletter en uit het feit dat er betrekkelijk veel rijmen bestaan op bijvoorbeeld m, r, l, en b valt op te maken dat deze rijmconsonanten betrekkelijk gemakkelijk te gebruiken zijn. Maar gedichten op bijvoorbeeld de rijmletter z, q of dh zijn veel korter en ook minder in aantal. Van de gemakkelijke rijmletters kunnen composities bestaan van tientallen verzen lang, terwijl een moeilijke rijmletter als z. vaak niet langer valt vol te houden dan een vers of vijf, misschien tien. Ook van het metrum gaat een zekere dwang uit bij de compositie van een gedicht. Dit betekent vaak dat de volgorde van de zin in poëzie anders is dan in het proza. Zo kan in nominale zinnen gemakkelijk de gebruikelijke volgorde van subject-predicaat worden omgedraaid: wa-jamīlun wajhuhā, ‘en mooi is haar gezicht’ in plaats van wa-wajhuhā jamilun, ‘en haar gezicht is mooi’. Verder kan het heel gemakkelijk gebeuren dat een vrouwelijk zelfstandig naamwoord grammaticaal als mannelijk wordt behandeld en andersom. Kortom: voor studenten die menen enige kennis over het Arabisch te hebben opgestoken verloopt de eerste kennismaking met de klassiek-Arabische poëzie meestal stroef. Dat heeft ook te maken met een afwijkende manier van uitdrukken. Om een vers beter te begrijpen is het raadzaam om in ieder geval de voetnoten te lezen. Deze zijn eigenlijk toegevoegd om de Arabische lezer te helpen, voor wie deze poëzie vaak ook moeilijk toegankelijk is. Daarnaast is het zaak om in ieder vers in eerste instantie op zoek te gaan naar woorden en begrippen die elkaars tegengestelde zijn: vaak bieden die een clou voor wat de dichter wil zeggen.

Vroeger en nu

Op de Iraakse televisie was ooit de opening van een nieuwe moskee ergens in een dorp in Irak te zien. Bij zo’n gelegenheid spreekt het eigenlijk vanzelf dat de imam een gedicht voordraagt — liefst van eigen hand, zo ook nu. Nadat hij ongeveer twintig minuten uit eigen werk had gedeclameerd, besloot hij ettelijke bladzijden over te slaan met de woorden dat het anders allemaal wel erg lang zou gaan duren. Het einde van de sessie liet echter zeker nog een minuut of tien op zich wachten. Iets vergelijkbaars deed zich voor toen ik ten tijde van de val van de Berlijnse muur een zakelijk gesprek had met de Egyptische schrijver Gamal al-Ghitani op zijn kantoor bij de krant Akhbar al-Yom. Plotseling stormde er een journalist het kantoor binnen die net uit Berlijn terug was en in een lang gedicht zijn ervaringen daar begon te beschrijven, gadegeslagen door een dozijn collega’s die voor die gelegenheid hun werk lieten liggen. Arabische poëzie heeft dus nog altijd een grote zeggingskracht. Dat geldt ook voor de poëzie die niet in het klassiek Arabisch gecomponeerd is, maar bijvoorbeeld in het Egyptisch dialect. Dit lijkt misschien een recente ontwikkeling, maar in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw werden de meeste liedteksten van Umm Kalsoum al in het dialect geschreven. Ondanks dit verschil in taal en vooral in register blijven de oude thema’s terugkomen in die moderne(re) gedichten. Een interessant voorbeeld hiervan is het gedicht Al-Midan, ‘Het Plein’ dat de dichter Al-Abnudi, voordroeg voor het satellietkanaal al-Hayat ten tijde van de beginnende Egyptische revolutie van 2011.* Naast klassicismen in zijn woordkeus (ān al-awān tirhalī yā dawlat al-awāgīz, ‘het uur heeft geslagen: weg jij, staat / dynastie van de oude mannen’) verwijst een stanza uit dit gedicht naar een bijzonder soort poëzie uit de pre-islamitische periode. Hij heeft het daar over de revolutionairen die — zonder Nescafé en cappuccino — dag en nacht op het Tahrir-plein verblijven en hun hoofd te ruste leggen op het asfalt. Menig Arabier zal daarin een thema herkennen dat vaker voorkomt in het werk van de zogenaamde roverdichters die in de pre-islamitische tijd klaagden dat zij ’s nacht hun hoofd niet op een kussen konden leggen maar alleen maar op de harde rots.

Vakmanschap

Er zijn vele voorbeelden te geven van de verbondenheid van de moderne Arabische poëzie met het verleden. Geletterde Arabieren zien zelf de poëzie uit de Umayyadische periode en de latere Abbasidische periode als het hoogtepunt van de Arabische literatuur. In deze periodes maakte de Arabische cultuur een grote bloei door, niet alleen de literatuur maar ook de architectuur en de beeldende kunst. Toch is het met name de poëzie waarin de verfijning van de smaak en de kunstzinnige begaafdheid zich uiten. Als voorbeeld hier een kort gedicht van een verder volkomen onbekende dichter die leefde in de tijd dat Sicilië deel uitmaakte van de Arabische wereld: Ibn al-Tubi (gest. voor 1062). In deze paar regels gebruikt hij voor de geliefden het beeld van twee letters (twee lams) die nogal slordig zijn geschreven en waarvan dan ook nog eens de inkt uitloopt.

De subtiliteit zit in het laatste woord: ka-lam kan ook gelezen worden als kalam en dan begrepen als ‘tête-à-tête’ of als ‘geroddel van anderen’. Zulke gelaagde betekenissen in een zo’n kort gedicht stoppen, getuigt van vakmanschap en verfijning. Arabieren hechten ook nu nog veel waarde aan hun prestaties op cultureel gebied. Daarom vormt hun verleden tot op de dag van vandaag een belangrijk referentiepunt in het collectieve geheugen. Ik denk dat het niet te ver gaat om te zeggen dat de Arabische wereld eigenlijk pas echt begrepen kan worden als men tenminste enige kennis heeft van het culturele verleden van die wereld en vooral van de literatuur waarin de Arabieren zelf aan het woord zijn en zich over de grens van plaats en tijd heen richten tot de moderne lezer of toehoorder. Dit betekent dat kennis van de Arabische taal in verschillende historische stadia onontbeerlijk is: het Arabisch uit de periode rond het begin van de islam, dat uit de zevende tot en met de twaalfde eeuw, de periode van het hoogtepunt van de Arabische cultuur, het Middel-Arabisch van daarna, het Modern Standaard Arabisch en de huidige nationale spreektalen. Toegang tot de volledige rijkdom van het collectief geheugen van de Arabieren vereist een grondige kennis van de taal.

Gert Borg is universitair docent voor Arabische Literatuur aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. *) Zie www.youtube.com/watch?v=kV_q7qlw1gU vanaf 6:09 tot 6:27.